Als Alles gaat op vroeger terug in laten we zeggen Amerika zou verschijnen, dan zou er tegenwoordig al snel een triggerwarning bij staan: pas op, bevat beschrijvingen van vernederingen en geweld. De biografie die Annet Mooij over de roemruchte journalist Ischa Meijer schreef, toont het portret van een seriële grensoverschrijder, zoals dat is gaan heten. Na lezing zou iemand zich kunnen afvragen of mensen hem door dit boek alsnog willen cancelen.
‘Daar ben ik niet zo mee bezig’, zegt Annet Mooij, terwijl ze bij haar thuis in Amsterdam thee met madeleines op tafel zet. ‘Het is niet zo dat er ongelooflijk veel nieuws in staat, voor de mensen die hem goed gekend hebben. Maar toch wel wát. Wat dit boek toevoegt, is het leven in context van het slachtofferschap na de Tweede Wereldoorlog. Dat is een van de grote thema’s.’
‘Eén keer. Ik was meer op zoek naar mensen die een beetje onder de radar zijn gebleven. Omdat er over Ischa al ontzettend veel gezegd en geschreven is.’
Over de auteur
Margriet Oostveen schrijft voor de Volkskrant onder meer over sociale wetenschappen, geschiedenis en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.
Alles gaat op vroeger terug voltooit een loodzwaar project van de overleden historica Evelien Gans. Zij zou een tweedelige Joodse geschiedenis en dubbelportret ineen schrijven over Ischa Meijer en zijn vader Jaap. Jaap Meijer was een intelligente Joodse jongen van eenvoudige Groningse afkomst die naar Amsterdam werd gestuurd om rabbijn te worden, maar zich ontwikkelde tot zionist, belezen auteur van boeken over Joodse geschiedenis en allround ingewikkeld mens.
Ischa Meijer (1943-1995) werd een veelgelezen interviewer voor Vrij Nederland, Haagse Post en voor radio en tv. Hij maakte theater, was toneelrecensent en schreef de column ‘De Dikke Man’ in het Parool.
Zijn volledige voornamen luidden Israël Chajjiem, ‘Israël leeft’ (in de vertaling van Ischa zelf ‘Hup Israël’). Ischa Meijer was vier maanden oud toen hij met zijn ouders door de nazi’s werd afgevoerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Samen overleefden ze in 1945 ook nog het laatste treintransport, de beruchte ‘dodentrein’.
In 2007 verscheen het eerste deel van de dubbelbiografie van Gans: Jaap en Ischa Meijer – Een joodse geschiedenis 1912-1956. Het boek werd alom bejubeld, maar het tweede deel, waarin Ischa als ‘klokkenluider van de naoorlogse generatie’ de effecten van de oorlog moest belichamen, kwam er niet. In 2018 beëindigde Evelien Gans haar leven.
‘Ten eerste was het een praktisch gevecht om het te ordenen. Want ik trof ook veel chaos aan. Evelien had veel handige kopieën gemaakt: alles wat Ischa voor de Haagse Post heeft geschreven, bijvoorbeeld. En dan alle interviews die ze al had afgenomen met mensen die hem hadden gekend. Een deel was al uitgewerkt, maar er was ook nog anderhalve schoenendoos vol bandjes. Die heb ik afgeluisterd. En ik ben daarna zelf natuurlijk ook met veel mensen gaan praten.
‘Een van de moeilijke dingen was dat er niet echt een Ischa-archief is. Ischa telefoneerde altijd. Dus er zijn bijna geen brieven. Bovendien verhuisde hij aan de lopende band, van vriendin naar vriendin. Dan liet hij weer een deel van zijn spullen achter bij iemand die na een tijdje ook dacht: jij weg, dan dit weg. Dit boek is daarom voor een groot deel gebaseerd op interviews. En van sommige geïnterviewden kreeg ik nog een paar brieven. Dat waren dan wel de echte vondsten.’
‘De brief bijvoorbeeld aan zijn vriendin Marreke Prins. Op een gegeven moment is Ischa in de jaren zeventig in Frankrijk. Om te schrijven aan Een rabbijn in de tropen, het niet erg geslaagde boek over zijn vader. Dat schrijven lukt totaal niet. En dan schrijft hij een lange brief aan Marreke, met wie het eigenlijk al uit is. Daar krijg je zo’n inzicht in die afgrondelijke somberte waaraan hij toen ten prooi was gevallen. Aan die brief heb ik ook de titel ontleend.’
Het eerste deel van Mooijs biografie, ‘Gezinsleven’, pakt het werk van Evelien Gans op met een huiveringwekkende scène, die ook bij Gans is vermeld. Het is 1946, Ischa en zijn ouders zijn net uit het kamp teruggekeerd in Amsterdam. Een oud-leerling van Jaap Meijer vertelt hoe ze haar docent opzoekt. Ischa, krap 3 jaar oud, is ook in de kamer. Hij gaat op zijn knietjes voor het raam naar buiten zitten kijken en negeert het bezoek volkomen.
‘Terwijl ik daar met Jaap Meijer zat te praten (…) schreeuwde dat jongetje, Ischa, een of andere Duitse kreet. Een Duitse kreet, echt zoals hij dat in de kampen moet hebben gehoord. Dat is zeker vier, vijf keer gebeurd. Afschuwelijk, ik wist niet hoe ik daarop moest reageren. En Jaap Meijer reageerde ook helemaal niet.’
‘Nou, ik handel het niet in een alinea af. En ik denk dat de meeste mensen die dit boek lezen oudere mensen zijn, mensen die hem nog hebben meegemaakt. Ik denk dat zij heel goed weten wat er in de kampen gebeurde.
‘En de oorlog speelde bij Ischa thuis een grote rol, maar ook weer niet de enige, denk ik. Jaap was ook voor de oorlog al een ongelooflijk veeleisend portret. Iemand die alle aandacht voor zichzelf wilde. Ischa was wat dat betreft zijn grootste bedreiging.’
Na de bevrijding kregen Jaap en Lies Meijer nog twee kinderen, Mirjam en Job. Het gezin bleek door de oorlog onherstelbaar beschadigd. De in een soort symbiose overlevende Jaap en Lies Meijer zouden Ischa, Mirjam en Job alle drie verstoten.
Jaap vernederde Ischa vrijwel dagelijks, een vriend was getuige van een ‘brullende’ stortvloed van scheldwoorden. Ischa’s moeder Lies verdedigde haar zoon niet, maar maakte Ischa als kind al zware verwijten (‘Jou heb ik door de kampen gesleept’, ‘Jij, jij bent een verrader’).
Ischa Meijer schreef in 1974 over zijn rol als zondebok zijn literaire debuut Brief aan mijn moeder. Het boek was een groot succes. Ischa presenteerde zich nadrukkelijk als slachtoffer van oorlogsslachtoffers. En er bleken er veel meer te zijn.
‘Wat ik altijd heel moeilijk vind bij het schrijven van een boek is gelijktijdigheid’, zegt Annet Mooij. ‘Zeker bij Ischa. Never a dull moment, een fenomeen, die man deed en was alles tegelijk. Een man van als het ware tien verdiepingen. Maar hoe moet je dat in een tekst duidelijk maken?’
Mooij is desondanks goed in gelijktijdigheid. Naast onder meer boeken over de Februaristaking, over de feministe Mina Kruseman en over de Volkskrant, schreef ze ook het geprezen De eeuw van Gisèle over de kunstmecenas Gisèle van Waterschoot van der Gracht, die een vermogen naliet aan de kunststichting en sekte Castrum Peregrini. Dit boek onthulde hoe daar aan de lopende band kwetsbare jongens seksueel werden misbruikt. Mooij beschreef het ‘zonder met een opgeheven vinger te zwaaien’, zoals een recensent het formuleerde.
Ze laat mooie en lelijke feiten liever voor zichzelf spreken. Dat doet ze bij Ischa ook.
Mooij citeert journalist en schrijver Anil Ramdas, die schreef dat Ischa Meijer als geen ander toonde ‘hoe grondig de menselijke verhoudingen door de oorlog zijn ontregeld. Niet alleen tussen joden en niet-joden, maar ook tussen joden onderling en tussen joodse ouders en hun kinderen.’
Ischa Meijer heeft dit lange tijd in zijn eentje moeten verwoorden en openbreken. Oorlog en verstoting maakten van hem een ‘naar achter levend mens’, zoals zijn biograaf het noemt.
Met veel kabaal en een immense werkdrift liet Ischa dat verleden voor het heden uit marcheren. Hij was jarenlang in psychoanalyse bij psychiater Louis Tas, die ook in Bergen-Belsen en de dodentrein had gezeten. Nu lezen we bijna dagelijks over jeugdtrauma’s van bekende mensen, maar Ischa zette naast Vrij Nederlands interviewer Bibeb de toon (‘Hoe was het vroeger thuis? Pappie? Mammie?’).
Sommige mensen waren ronduit bang voor Ischa Meijer. Hij was iemand die alles en iedereen ontregelde.
‘Voor mij was het niet zo ingewikkeld, ik dacht het eigenlijk al heel snel. Maar ik ben daar met de nabestaanden van Evelien een beetje te onvoorzichtig in geweest. Ik heb daar vrij snel laten blijken dat ik wel mijn eigen boek ging schrijven. Ik had daar niet gelijk over hoeven beginnen.’
‘Wat ik gelijk nodig had was duidelijk maken: ik ben een ander iemand dan Evelien en ik doe het op mijn manier.’
‘Ik ben geordender. En zij was helemaal ondergedompeld in de Joodse geschiedenis en de geschiedenis van antisemitisme. Dat is bij mij minder. Ik ben, laat ik zeggen, een verwaterde Jood. Mijn moeder is een vader-Jood.’
‘De grootouders van mijn moeder zijn allebei vermoord.’
‘Dat er meer aan de hand was, dat schreef Mensje van Keulen al in haar dagboek.’
Dat staat in het onlangs gepubliceerde Moeder en pen: ‘Els T. was er vanavond. Ischa heeft haar zulke trappen verkocht dat haar pink is gebroken en ze misschien ook iets heeft aan haar nieren of een wervel.’
In Alles gaat op vroeger terug is voor het eerst nauwgezet opgeschreven hoe Ischa Meijer ook buiten beeld grenzen overschreed.
‘Deels komt dat doordat het in haar tijd relatief goed met Ischa ging. Bovendien schreef Palmen fictie en was het dus haar goed recht te doen wat ze wilde.’
‘Er wordt zoveel gedachtenloos veroordeeld. Daar heb je eigenlijk geen greep op, vind ik. Daar maken verzachtende omstandigheden niet echt uit. Wie geïnteresseerd is en dit boek leest, kan het in een kader plaatsen. En dan hoef je het nog steeds niet goed te keuren, wat mij betreft.’
In Alles gaat op vroeger terug komt een stoet vriendinnen uit de jaren zestig, zeventig en tachtig langs. Mooij wijdt een apart hoofdstuk (‘De Dames’) aan de duiding van het patroon dat zich daar aftekent: inpalmen, vernederen en afstoten. En aan het bizarre feit dat hun naam vaker wel dan niet begon met twee letters: ‘Ma’.
‘Ischa was niet iemand die zijn vriendinnen systematisch mishandelde, maar er zijn zeker in zijn jonge jaren wel geweldsuitbarstingen geweest.’
De eerste vriendin, zwanger van zoon Jeroen, laat hij ’s nachts als ze slaapt nogal grof aan een meegetroonde vriend zien. Een volgende duwt hij van de trap. Een derde gebruikte hij voor de grap als servet in een restaurant – haar haren, om precies te zijn. Iemand krijgt twee trappen in haar rug als ze niet met hem wil slapen. Als weer een volgende vriendin het uitmaakt, loopt hij met hondenpoep door haar huis.
Zo herhaalt Ischa Meijer lange tijd na een periode van hevige verliefdheid steeds weer de vernedering. ‘Zijn fysieke agressie kreeg hij beter onder controle’, schrijft Mooij, ‘maar in psychologisch opzicht kon hij zijn partners totaal uitwonen.’
‘Zij zeggen óók dat je dat in die tijd moet zien. Dat ze dat nu ook niet meer zouden accepteren, maar dat toen… Nee, het was niet normaal. Maar het was ook niet dermate erg dat ze er consequenties aan verbonden.
‘Ik ben 62 jaar. Zelfs voor mij is het soms wel moeilijk om terug te zien hoe de omgang tussen de seksen in de jaren zeventig en tachtig was. Mensje van Keulen beschrijft dat in haar dagboek ook heel goed over haar eigen huwelijk. ‘Ga weg!’, denk je steeds, ‘wat doe je bij zo’n hufter?’ En bij Ischa is het nog complexer. Daar stond er voor die vrouwen bovendien ook veel tegenover.’
‘In de zin van humor, in de zin van vertier, in de zin van enorme aandacht. Dat je ook ongelooflijke lol met hem kon hebben. Het vitale dat hij inbracht. En zijn achtergrond. Dat probeer ik ook duidelijk te maken. Dat dat een rol speelde. Al die vrouwen wisten dat. Het is heel moeilijk om iemand die zo zichtbaar lijdt onder het feit dat hij ooit is afgewezen, opnieuw te zeggen: jij moet hier weg.’
‘Er werd van hem gedrag geaccepteerd en weggelachen dat bij niemand anders zou worden geaccepteerd. En dat wist hij, ja.’
‘Nou, ik heb dus dat boek over de Volkskrant geschreven. Daar was de redactiecultuur in de jaren zeventig ook veel harder dan nu. Met de dominantie van bepaalde, bijna volledig door mannen bevolkte deelredacties, die een bepaald soort humor hadden. Die anderen te kakken zetten. En dat was dan leuk.
‘Of zoals Ischa zelf in die tijd ook Lieve Joris pestte, toen de enige vrouw op de redactie van de Haagse Post, door haar artikelen luidkeels te gaan zingen. En dan lachten al die mannen mee. Vreselijk.’
‘Omdat te onduidelijk was wie het waren, of ze leven niet meer. De namen van de acteur Cas Enklaar en van Ramses Shaffy heb ik een paar keer gehoord, maar dat kan ik niet meer navragen. Ik heb één iemand opgespoord, omdat een vriendin uit die tijd zijn naam nog wist. En die zei: het was maar kort en Ischa was niet echt een homo.’
‘Ja, hoe merk je dat? Ischa begon gaandeweg te schreeuwen: je bent een wijf, je bent een wijf.’
Ook sommige kinderen hadden het zwaar. Zonen van vriendinnen werden eerst geprezen en later door hem vernederd. Vooral Ischa’s zoon Jeroen, die dagboekfragmenten verstrekte en het eerste exemplaar van de biografie met dochter Jessica in ontvangst nam, heeft veel te verduren gehad.
‘Voor Jeroen werd Ischa zelf een soort Jaap. Persoonlijk reken ik hem dat zwaarder aan dan zijn behandeling van die vrouwen. Die hebben ook erg veel van hem gehouden en dat waren toch volwassenen. Die konden zeggen: flikker op. Maar zo’n kind is een ander verhaal.’
‘Omdat hij zo bewonderd werd, denk ik. Het bijzondere van hem is natuurlijk wel dat hij ook in zijn interviews vaak grensoverschrijdend was. Dus het was bij hem wel een totaalplaatje.’
‘Eentje die ook in het individuele contact voortdurend grensoverschrijdend was, door jou dingen te vragen, en je te dwingen. Zo kwam hij ook wel ergens. Zo doorbrak hij zaken.’
‘Precies, je gedeisd houden, daarvan was Ischa het tegenovergestelde. En dat wekte bij sommige mensen dan weer angst voor antisemitisme op. En bij anderen juist een enorm gevoel van bevrijding. Hier was eindelijk iemand die hardhandig afrekende met de heiligheid van het lijden van die eerste generatie oorlogsslachtoffers. Maar het kwelde Ischa ook dat hij, zoals hij dat toch ervoer, zijn ouders in de steek had gelaten.’
‘Dat was in I.S.C.H.A, zijn talkshow. Ik was een groentje. Ik was nog nooit op tv geweest. En hij was heel aardig voor mij. Het was een leuk gesprek. Maar na mij kwam een actrice, ik weet nog steeds haar naam, Antoinette Jelgersma. En die werd door hem tot aan haar enkels afgezaagd.’
‘Veel mensen zijn dat later ook gaan doen. GeenStijl bijvoorbeeld. Maar die combinatie met Ischa’s wezenlijke interesse, zijn charme en zijn humor, die zie je daar niet meer. Er is niemand meer geweest zoals hij.’
‘Zijn moed in de hele naoorlogse problematiek. Om die plaats voor zichzelf op te eisen. Om altijd het ongemak weer bloot te leggen. Daarvoor moet je veel schaamte overwinnen en ontzettend moedig zijn.’
Mooij lacht. ‘En hij wás ook heel gezellig. Dat zeggen veel van zijn vrouwen. Het kon ongelooflijk gezellig met hem zijn. Lekker eten. Lekkere dingen in huis halen. Hij was een gezellige man, maar je moest het wel precies doen zoals hij. Een gezellige man met een regime.’
Annet Mooij: Alles gaat op vroeger terug – Ischa Meijer (1943-1995). Prometheus; 544 pagina’s; € 39,99.
Annet Mooij is historisch onderzoeker en schrijver. Ze studeerde psychologie, promoveerde in de sociale wetenschappen en was hoofdredacteur van het culturele tijdschrift De Gids. Haar eerste biografie Branie (2014), over feministe, concertzangeres en actrice Mina Kruseman, stond op de shortlist van de Biografieprijs 2014. Haar biografie De eeuw van Gisèle (2018) stond onder meer op de shortlist van de Opzij Literatuurprijs, de Geschiedenisprijs en de Biografieprijs. Mooij schreef in opdracht van de Volkskrant het boek Dag in dag uit – Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant vanaf 1980 (2011).
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden