Ooit gold Transsylvanië in Roemenië als een achtergebleven regio zonder moderne landbouw, tegenwoordig is het een ‘biodiversiteitshotspot’. De Britse koning Charles III, verre nazaat van vorst Dracula, was niet de eerste die hier een aards paradijs ontdekte. Hij was wel de eerste die daarin serieus werd genomen. ‘Veel wat hier per ongeluk bewaard bleef, is nu een model voor de toekomst.’
Zijn eerste glimp van het aardse paradijs ving koning Charles op dankzij Caroline Fernolend. Dat is nu een kwarteeuw geleden. De toenmalige Brits kroonprins bezocht dat jaar voor het eerst Roemenië. Tijdens een vrij moment in zijn programma stapte Fernolend zomaar op hem af, met in haar hand een foto van een magnifiek oud dorp in een magnifiek oud landschap: haar dorp Viscri, dat enkele jaren eerder dramatisch was leeggestroomd.
Fernolend (60) kan nog altijd geëmotioneerd raken als ze erover vertelt. ‘Hij bleef maar naar die foto kijken. Hij zei: ik kom naar jouw dorp. En toen kwam hij echt. En hij bleef maar terugkomen. De eerste keer dat hij in Viscri overnachtte, zijn we ’s avonds met het dorpskoor bij zijn raam gaan zingen. En toen kwam hij in zijn pyjama naar buiten met de fles pruimenjenever die hij van ons had gekregen, en met glaasjes voor ons allemaal. Hij zei: ‘Dit is voor mij een teken dat ik in deze prachtige gemeenschap ben opgenomen.’’
Op weg naar het prachtige dorp van de foto wordt mijn auto ingesloten door zelfstandig flanerende runderen. In het tempo van de kudde vervolg ik een eenzame rit over snel verslechterend asfalt in een spectaculair openbrekend heuvellandschap in vele tinten lichtgroen. Na 8 stille kilometers is daar ineens de politie. Ik mag gaan parkeren in een door onkruid overwoekerd weiland. Daar staan al een stuk of veertig auto’s. Noem het naïviteit: ik dacht dat ik een geheime tip had gekregen dat de man die tegenwoordig koning Charles III van Groot-Brittannië heet, vandaag zijn aardse paradijs aandoet.
Als er geen menigte achter hekken had gestaan, had ik het Charleshuis in Viscri in Transsylvanië in Roemenië er niet uitgepikt. Het kent diezelfde eenvoudige doch robuuste bouw als andere Saksische huizen die hier de eeuwen hebben getrotseerd. Vlak bij de pastelblauwe poort staat een vertegenwoordiger van een Roemeens tv-kanaal dat ‘de geheime tip’ ook kreeg. Charles III arriveert bijna onopgemerkt. Hij houdt niet van colonnes met sirenes waar hoogwaardigheidsbekleders in dit stuk van Europa dol op zijn. In het kwartier dat de Britse koning in de menigte doorbrengt, etaleert hij een getraind oog voor de inwoners van Zijn Dorp: die worden allemaal omhelsd als oude vrienden.
Bij helder weer zie je achter de heuvels van Transsylvanië de besneeuwde toppen van de Karpaten. Dat deze streek zo vaak als een lust voor het oog wordt ervaren, heeft ook te maken met de afwezigheid van grote percelen landbouwgrond. Vroeger noemden ze Transsylvanië een regio zonder monocultuur, duurzaamheidsactivisten muntten de term ‘biodiversiteitshotspot’: wat soortenrijkdom betreft kent het gebied in Europa zijn gelijke niet.
Tot ver in de 20ste eeuw was zowel het landschap als de etnische compositie van de bevolking een middeleeuws mozaïek. Hier woonden Duitstalige Saksen, Hongaren, Roemenen en Roma. Ze beoefenden allen de kleinschalige landbouw. Bijna niemand had hier ooit meer dan twee koeien. In het derde decennium van de 21ste eeuw wandelen de dieren nog steeds tweemaal daags langs ramen van dorpsbewoners, ’s ochtends omhoog de heuvels in, ’s avonds terug naar huis.
Architect Eugen Vaida – voorzitter van de stichting die Charles al als kroonprins in Roemenië was begonnen voor het behoud van het unieke ecosysteem, oude ambachten en architectuur – vat het als volgt samen: ‘Veel wat hier in de vorige eeuw per ongeluk bewaard is gebleven, is nu een model voor de toekomst.’ Charles was niet de eerste die dat zag, wel de eerste die daarin volledig serieus werd genomen.
William Blacker (59) is zo’n Engelsman voor wie je het woord excentriek gebruikt. Een afspraak vroeg op de avond wordt een afspraak tegen middernacht. Er staan dan wel in een mum van tijd spijzen en flessen op tafel op een terras in Sighişoara. Saksen noemden dit stadje Schässburg, Hongaren spraken van Segesvár. Blacker, auteur van Along the Enchanted Way: A Story of Love and Life in Romania (2009), sleutelfiguur in het aanwakkeren van de liefde voor Roemenië in het algemeen en Transsylvanië in het bijzonder, gaat driedelig gekleed en draagt een hoedje.
Luttele maanden na de val van het communisme eind 1989 ontdekte de toen 26-jarige schrijver in Roemenië ‘een wereld die ik alleen uit fictie kende, een wereld waarvan ik niet had durven hopen dat die nog ergens bestond’. De eerste jaren woonde hij in Maramureş in noordwest-Roemenië, daarna trok hij naar het dorpje Roadeş (Radeln) in Transsylvanië, 13 kilometer van Viscri (Weisskirch).
‘Ik snapte destijds niet waarom ik daar de enige was. Ik dacht: waarom ziet niemand wat ik zie?’ Blacker leerde werken met de zeis en dienstbaar te zijn aan een landschap en aan een kleine gemeenschap. De moderne wereld, zegt hij, ‘kent een grote leegte die is achtergelaten door het verdwijnen van de kleine gemeenschap: het contact met het verleden, het gevoel ergens thuis te horen, de harmonie met het ecosysteem, de kunst om niet meer van de natuur te nemen dan je kunt teruggeven. In kleine gemeenschappen lijden mensen nooit aan vervreemding, stress en eenzaamheid.’
Ze vonden hem er wel een beetje vreemd. West-Europeanen waren in Roemenië destijds zo zeldzaam dat ze bijna automatisch de verdenking op zich laadden dat er steekjes bij hen los zaten.
De Leuvense dichter en letterkundige Eugène Van Itterbeek (1934-2012) werd in mijn bijzijn wel ‘de gekke professor’ genoemd. Van Itterbeek ontdekte Transsylvanië eveneens kort na 1989. Hij ging er niet meer weg. In het leeggestroomde dorp Cisnădioara – Saksische naam: Michielsberg – begon hij een nieuw leven in een 200 jaar oud Saksisch huis met muren zo dik als die van burchten. In de jaren van mijn Roemeense correspondentschap voor de Volkskrant (1999-2008) heb ik veel van deze ‘gekke professor’ geleerd, en via hem: Van Itterbeek werd in Transsylvanië al snel een lokale beroemdheid die iedereen kende. Hij was, onder anderen, bevriend met de toenmalige etnisch Saksische burgemeester van Sibiu (Hermannstadt), Klaus Iohannis, tegenwoordig de president van Roemenië.
Van Itterbeek zei tegen mij: ‘Ik vind hier nog verse bronnen van onze beschaving. Bronnen die bij ons zijn overspoeld. Zonder die verbinding met waar je vandaan komt, ben je nergens: je bladert in een boek waarvan je de lettertekens niet meer kunt ontcijferen. Ik ben hier niet om iets te vinden, maar om iets terug te vinden.’
Interessant was dat in Roemenië destijds net een communistische dictatuur was ingestort waarin te pas en te onpas was gerept over ‘vooruitgang’. Noem het een paradox: een regime dat op brute wijze poogde de samenleving te moderniseren, wist deze op unieke wijze juist te conserveren. Alle ‘vooruitgang’ die het bracht, was opgelegde vooruitgang. In regio’s die aan de tekentafel werden overgeslagen, overleefde veel wat had moeten verdwijnen. Waar de vooruitgang wel kwam vaak ook: kleinschalige landbouw bleef belangrijk omdat de communistische voedselvoorziening beroerd was.
Buitenlandse auteurs die na 1989 schreven over dit ‘Roemenië dat per ongeluk bewaard was gebleven’, stuitten vaak op weerstand van leden van de oude communistische bestuursklasse, gevormd door dogma’s over moderniteit. In Nederland trad in 2001 een Roemeense ambassadeur aan die een campagne begon tegen mijn correspondentschap omdat ik daarin ‘primitief Roemenië’ zou etaleren, in plaats van fraaie industrieterreinen, hoogbouw en overdekte winkelcentra. (Toen ik dat vertelde aan een Roemeense correspondent in India, vertelde die dat hij door de Indiase ambassade was berispt vanwege aandacht voor ascetische wijsgeren in plaats van India’s ruimtevaartprogramma.)
Over de Britse kroonprins Charles wist ik destijds weinig meer dan dat zijn huwelijk met Diana geen succes was geworden vanwege zijn band met Camilla. Dat hij ook een band had met Roemenië, leerde ik in het derde jaar van mijn correspondentschap. Eind 2001 lanceerde de oude bestuursklasse een adembenemend slecht plan om van Transsylvanië een internationale toeristische trekpleister te maken met een pretpark in de maat XXL gewijd aan Dracula, genaamd Draculand. Roemeense milieuactivisten spraken van een ramp voor het ecosysteem. Cultuurhistorici betoogden dat zo’n park tot mislukken was gedoemd, omdat Dracula in Roemenië wordt gezien als een heldhaftige vorst die tegen de Turken streed, maar in het buitenland als een bloedzuigende vampier, ook al zoog de Ierse schrijver Bram Stoker dat volledig uit zijn duim. De initiatiefnemers van Draculand namen hun Roemeense tegenstanders geen moment serieus, tót prins Charles het verzet tegen Draculand ging leiden.
Er zijn mensen die zeggen dat Charles ten tijde van zijn eerste bezoek aan Roemenië in 1998 toe was aan het vinden van geluk in een aards paradijs. In eigen land kon zijn leven in die tijd lijken op een aardse hel. Het was vlak na het verongelukken van ex-echtgenote Diana, de people’s princess, op 31 augustus 1997. Tranen om haar gingen bij flink wat Britten gepaard met woede op hem. Zijn populariteit kelderde naar een historisch dieptepunt. Dat deze man de heuvels van Transsylvanië als paradijselijk ervoer omdat hij er ver weg was van tabloids, paparazzi en menigten die huilden om Diana, laat zich begrijpen.
Maar een les uit deze verhalenserie is dat aardse paradijzen zelden ‘zomaar’ worden gevonden. Een paradijs moet een ontdekker passen als een maatkostuum. Uit profielen van de Britse koning doemt een man op die zowel nostalgisch als vooruitstrevend is, een melancholicus maar ook een vernieuwer, adept van traditionele kleine gemeenschappen en van middeleeuwse architectuur, adept van vergroening en van multiculturalisme. Als oude samenlevingsvormen ineens de weg wijzen naar een duurzame toekomst, dan kan in zo’n gedachtegoed alles op zijn plek vallen. Charles was, kun je betogen, gemáákt voor Transsylvanië.
William Blacker herinnert zich de uitnodiging van Charles in een koninklijke envelop, eind vorige eeuw: ‘Kunt u mij over Transsylvanië komen vertellen?’ Dat uitgerekend deze landgenoot in Transsylvanië hetzelfde zag als hij, was, zegt Blacker, ‘een geschenk’. ‘Het maakte mijn leven zo veel makkelijker. Als je jarenlang voor een gek en een zonderling bent versleten, dan is het fijn als je ineens een inspirator en een trendsetter wordt genoemd, als er interesse komt voor projecten die je eerder nauwelijks van de grond kreeg.’
Waar het communisme in Roemenië oude samenlevingsvormen per ongeluk had geconserveerd, veranderden dorpsgemeenschappen in het eerste decennium na 1989 dramatisch. Dorpsjongeren trokken als gastarbeiders naar Italië en bouwden bij terugkomst glansvilla’s in de maat XL. Die snapten weinig van een Brit die ijverde voor het behoud van traditionele architectuur en ageerde tegen grote elektrische grasmaaiers die tegelijk met het geld uit Italië hun intrede deden, een Brit die zei: ‘Een zeis is beter voor het ecosysteem.’
In eigen land oogstte Blacker evenmin veel begrip. Daar werd hij gezien als een upper-middle-class-romanticus die zandwegen verheerlijkt. Nostalgie de la boue, ‘heimwee naar de modder’ bij welgestelde mensen, is de Franse term voor de aandoening. Blacker herinnert zich boekrecensies met zinnen als: ‘Deze auteur romantiseert het leven van boeren die eeuwenlang een ellendig primitief bestaan leidden.’ Op het terras in Sighişoara zegt hij: ‘Ik vind dat minachting voor het verleden. Het is het degraderen van premoderne mensen tot pechvogels – alsof we op onze reis door de tijd nooit iets kostbaars kunnen kwijtraken.’
Along the Enchanted Way werd een bestseller toen Charles het bij zijn zes favoriete boeken aller tijden zette. ‘Hij heeft nog een handgeschreven recensie naar mijn Britse postadres gestuurd, maar die is daar helaas nooit aangekomen.’ De Britse koning is tegenwoordig ook de onofficiële peetvader van de zoon die Blacker heeft met een Roma-vrouw uit Roadeş. In zijn boek laat Blacker haar Britse literaire klassiekers lezen. De exemplaren worden steeds dunner omdat zij met de pagina’s die ze heeft gelezen het vuur in huis brandende houdt.
Eugen Vaida (41), voorzitter van de Charles-stichting in Roemenië, groeide op in Transsylvanië in een tijd dat bijna iedereen die jong was daar weg wilde, naar Boekarest, en daarna naar Parijs, Londen of New York. Met zijn fascinatie voor de geschiedenis van zijn omgeving was hij in zijn jeugd atypisch. Al op zijn 14de begon Vaida met fietstochten op zoek naar waardevolle voorwerpen die waren afgedankt: traditioneel servies, traditionele kleding, traditionele schilderijen. ‘De mooiste spullen stonden gewoon langs de kant van de weg. Mijn collectie is nu groot genoeg voor een museum.’
Een van Vaida’s tochten voerde door Roadeş, het dorp van Blacker. Een paar minuten na hun eerste ontmoeting waren Vaida en Blacker zich al van hun zielsverwantschap bewust. ‘Ons eerste project samen was het fotograferen van verlaten Saksische huizen. We legden in een paar maanden bijna 20 duizend huizen vast in 110 verschillende dorpen.’
Dat er zo veel huizen leeg stonden en zo veel waardevolle spullen langs de kant van de weg waren beland, had alles te maken met het eerste jaar na de val van het communisme, 1990, toen in luttele maanden bijna een eind kwam aan ruim 800 jaar Saksische aanwezigheid in deze regio.
Er waren eeuwen dat Transsylvanië op landkaarten Siebenbürgen heette en Viscri werd aangegeven als Deutsch-Weisskirch. In de 12de en 13de eeuw trok een grote populatie van Duitse oorsprong oostwaarts. Nog in 1923 had Roemenië bijna een miljoen etnische Duitsers binnen de grenzen. Ten tijde van de instorting van het communisme in 1989 waren er nog 100 duizend over. Meteen na 1989 zei de toenmalige Duitse buitenlandminister Genscher: ‘Wie naar de Bondsrepubliek wil, moet nu komen’. Een exodus volgde. Meubels belandden bij het grofvuil, evenals serviezen, schilderijen en bergen kleding. Viscri, het dorp van Charles, had begin 1990 nog meer dan tweehonderd Duitstalige inwoners. Eind 1990 waren alleen de familie Fernolend en een handjevol bejaarden over.
Nederlander Steven van Groningen, inwoner van Viscri, opent de deur van de stal bij zijn huis in het hoogste stuk van het dorp. Daar staan nog een arrenslee en een ploeg die de Saksische bewoners bij hun vertrek 33 jaar geleden hebben achtergelaten. Daarna betreden we een huis waarvan zowel het formaat als de dikte van de muren de term ‘burcht’ rechtvaardigt. Ook op de heetste dagen van het jaar blijft het hier koel, ook in tijden van klimaatverandering: Viscri is een dorp zonder airconditioners.
In Nederland kennen mensen Steven van Groningen soms nog als de olympisch roeier die hij was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In Roemenië was hij jarenlang het gezicht van de Raiffeisen Bank. In Viscri is hij een van de nieuwe inwoners die overweg kunnen met de zeis en die hechten aan architectonische tradities. Een groot deel van zijn huis restaureerde hij zelf in de oorspronkelijke stijl.
‘Als er iets is wat ik hier heb geleerd’, zegt Van Groningen, ‘dan is het wel hoe goed de leden van de oorspronkelijke gemeenschap overal over nadachten. Alles is logisch: van de dikte van de muren tot het luik in de stal en de ingang van het huis. Die is niet laag omdat mensen vroeger klein waren, maar om te voorkomen dat paarden het huis binnenliepen.’
Dit huis was half ingestort toen hij het kocht, maar, zegt Van Groningen ‘het had vanaf het begin af aan iets heel vertrouwds. Als je uit protestants cultuurgebied komt, dan herken je meteen veel. Kijk naar al de spreuken die de huizen hier sieren, die ken ik uit de wereld van mijn grootouders.’ Op de gevels van gerestaureerde huizen in Viscri zijn veel van die spreuken weer zichtbaar. ‘Lasset uns am Alten so es gut ist halten.’ Tussen oude spullen uit Nederland vond Van Groningen voorwerpen terug die prima bij het oorspronkelijke interieur pasten. Neem een tinnen bord met het tijdloze inzicht Trink und iss, Gott nie vergiss.
De oud-roeier kwam naar Viscri voor deze sfeer, maar ook ‘omdat de kans me klein leek dat iemand er een casino zou beginnen’. De laatste jaren merkt hij dat een dorp dat nog goeddeels verlaten was toen hij het ontdekte, door toedoen van een zeer bekende Brit status heeft gekregen. ‘Dan is het risico dat iedereen daarop gaat spelen, dat een dorp zijn authenticiteit gaat faken. Belangrijk is het evenwicht: niet te veel pensionnetjes.’
Huis nummer 32 aan Viscri’s onverharde hoofdstraat begon een nieuw leven als restaurant en ontmoetingsplek voor nieuwe inwoners. In de fraaie lange tuin wijst Caroline Fernolend, de vrouw die in 1998 met een foto van Viscri op de kroonprins van Groot-Brittannië afstapte, nieuwe bewoners aan. Daar je hebt Cathy uit Engeland, die kan prachtig zingen. Daar heb je Stefan, die was advocaat in Frankfurt. Daar heb je Sorina, die studeerde filosofie maar die maakt nu in Viscri borden en sieraden. Het gelukkigst was Caroline Fernolend toen haar eigen dochter Ursula besloot naar Viscri terug te keren. Jarenlang woonde ze in Berlijn. Ursula’s Roemeense man Cristian woonde in Parijs, die is nu ook een nieuw leven begonnen in Viscri. Ze wonen hogerop in het dorp, in het huis van Carolines vader, naast het huis van Steven van Groningen. De baby die tijdens het interview bij Caroline Fernolend op schoot zit, is haar tweede kleinzoon. ‘Dat had ik in 1990 niet durven dromen, dat hier weer kinderen zouden rondlopen.’
Dat jaar 1990 was zwaar. Caroline Fernolend was destijds een jonge leerkracht. ‘Wij wilden hier niet weg, en wij wilden zeker niet weggaan om de reden dat iedereen wegging. Maar die aanblik van al die huizen die ineens leeg kwamen te staan, was beangstigend. Toch had ik toen al het gevoel: iemand moet blijven, iemand moet deze gemeenschap voortzetten.’
Het opbouwen van een nieuwe gemeenschap uit mensen met heel verschillende achtergronden is, zegt Fernolend, ‘een hels karwei, maar ook het mooiste wat er is’. ‘Wat we van nieuwe inwoners verwachten, is liefde voor Viscri en voor de manier waarop we hier eeuwen hebben geleefd.’ Oude en nieuwe inwoners van Viscri ontmoeten elkaar op initiatief van Fernolend in ‘een informeel parlement’. Exclusief aan iemand die niet in het Roemeens publiceert, wil Fernolend graag vertellen hoe dat informele parlement zorg draagt voor de gemeenschap: door soms creatief met de wetten van de vrije markt om te gaan.
Dat deden ze bijvoorbeeld toen de directeur van een Roemeense oliemaatschappij in een grote zwarte jeep een bod deed op een leegstaand Saksisch burchtje ‘omdat het zijn vrouw zo leuk leek ook een huis te hebben in ‘dat dorp van Charles’’. Fernolend: ‘Dan weet je: foute boel. Zulke mensen zetten een hek met camera’s om hun huis, die gaan met dure importmaterialen aan de gang, die laten niets van de oorspronkelijke stijl over en die gaan niet aan het gemeenschapsleven deelnemen. En dus hebben we er met zijn allen voor gezorgd dat het huis werd verkocht aan een jong Roemeens stel uit de stad dat er eigenlijk niet genoeg geld voor had.’
Er is een kentering gaande, zegt Eugen Vaida, voorzitter van de Charlesstichting. ‘Je hebt nu tientallen dorpen die nieuwe bewoners hebben gekregen, uit West-Europa en uit Roemeense steden. Maar er is nog een lange weg te gaan voor we hier gemeenschappen terug hebben die zelf voor het erfgoed kunnen zorgen.’
Een van de belangrijkste activiteiten van de Charlesstichting is de ‘eerste hulp’ voor huizen en kerken die met instorten worden bedreigd: de monumentenambulance. De vraag overstijgt vooralsnog de capaciteit. ‘We worden zeven dagen per week 24 uur per dag gebeld’, zegt Vaida. ‘Maar het blijft architectonische noodhulp die we verstrekken. Als een gemeenschap het daarna niet oppakt, gaat het verval door.’ Terwijl Vaida mijn vragen beantwoordt, geeft hij ook instructies aan vrijwilligers op een steiger bij een 17de-eeuwse oosters-orthodoxe kerk waarvan het dak het heeft begeven.
Maar liefst vijftig Roemeense studenten werken als vrijwilligers voor de monumentenambulance. Dé grote verandering van de laatste jaren, zegt Vaida, ‘is een nieuwe Roemeense generatie voor wie het eigen culturele erfgoed niet alleen waardevol is, maar ook hip’. Behalve koning Charles speelt nog een andere Britse Charles daarin een rol: tv-presentator en documentairemaker Charlie Ottley. Na het lezen van Blackers boek besloot hij zelf naar Roemenië te verhuizen. Daar maakte hij succesvolle tv-series als Flavours of Romania en Wild Caparthia, met speciale aanbevelingen van de Britse koning. Vaida: ‘Behalve West-Europeanen zagen veel jonge stads-Roemenen in die series voor het eerst de schoonheid van hun eigen land.’
In de tentoonstellingsruimte van het pastelblauwe Charleshuis in Viscri zien we hoeveel de Charlesstichting tegenwoordig doet: van eerste hulp voor monumenten tot het aanleggen van ecologisch verantwoorde afwateringssystemen en zomerscholen voor jongeren die zich willen bekwamen in ambachten als houtbewerken, tegelzetten, pottenbakken, traditioneel metselen en kleren maken. Daar zien we ook een blouse tentoongesteld van de hand van Manuela Mujdei (48).
In haar dagelijks leven is zij hotelreceptionist, tien jaar geleden pakte ze de traditionele borduurkunst op. Tot haar grote verrassing stapte op haar eerste zomerschool een zeer bekende Brit op haar af die haar met vragen overspoelde. ‘Wat Charles fascineert, is de relatie tussen traditionele ambachten en duurzaamheid. Het soort blouses dat wij maken, droegen onze groot- en overgrootouders een heel leven lang. Er bestonden geen winkels met confectie uit Bangladesh.’
Manuela Mujdei is Charles sindsdien blijven zien. ‘Als hij naar Viscri komt, wil hij altijd de mensen van de zomerscholen ontmoeten. We horen altijd pas heel kort van tevoren dat hij komt. Ik pak dan om 6 uur ’s ochtends de bus. Mijn werkgever weet dan niet waar ik naartoe ga. Zelfs mijn familie mag het niet weten.’
Bij de ingang van de tuin van het Charleshuis staan borden met stambomen. Daaruit leren bezoekers dat de Britse koning voor hij naar Roemenië kwam al ‘Roemenië’ in zijn bloed had. Zijn vader, prins Philip, zoon van Andreas van Griekenland, was een neef van de door communisten afgezette Roemeense koning Mihai, zoon van Helena van Griekenland. En Mihais grootmoeder, Maria van Roemenië, heette eerder Marie van Edinburgh en was de oudtante van Charles’ moeder Elizabeth II. In deze kringen was veel inteelt. Er is ook nog een stamboom waarin Charles III – via de Hongaarse gravin Claudine Rhédey von Kis-Rhéde – heel in de verte blijkt af te stammen van de 15de-eeuwse vorst Vlad Tepeş, beter bekend als Dracula.
Het is al geschreven: Charles heeft Transsylvanië voor het attractiepark Draculand behoed, maar inmiddels is zijn eigen huis er een soort attractiepark aan het worden. Viscri is nog geen Venetië, maar je hebt er al dagen met vijfhonderd bezoekers. Steven van Groningen, Nederlander in Viscri, zegt: ‘Wie zich zorgen maakt over de aandacht en de toeristen, moet altijd bedenken hoe het was gegaan als die aandacht was uitgebleven: dan was dit dorp ten dode opgeschreven geweest.’ Eugen Vaida zegt: ‘Het duurt nog minstens een eeuw voor het moois van Transsylvanië even bekend is als dat van Toscane.’ Of de straten dan nog twee keer per dag worden bevolkt door flanerende runderen, valt te bezien. Als ik Viscri verlaat, wordt mijn auto weer ingesloten door de dorpskoeien, zelf op weg naar huis.
Transsylvanië is de 18de aflevering in de onregelmatig verschijnende serie over aardse paradijzen. Die plekken zijn even verschillend als de mensen die er paradijzen in herkennen: van spectaculair en extravagant tot afgelegen en sereen. Alle afleveringen zijn hier terug te lezen.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden