‘Over een aantal jaar wordt het een issue dat de industrie uit Nederland is verdwenen’, voorspelde energie-onderzoeker Remco de Boer onlangs in zijn podcast Studio Energie. ‘En dan zegt iedereen: hoe kon dat nou? Waarom heeft niemand dat in 2023 zien aankomen?’
Maar wie oplet ziet het dus wel, verzucht De Boer. Gevraagd naar de signalen heeft hij zijn lijstje direct paraat. Nieuws dat tot De Boers verbazing in kranten vaak niet meer wordt dan ‘een kortje’.
‘Hier: kunstmestproducent OCI schrapt vijftig banen bij een geplande groene methanol-fabriek, kort nadat OCI had besloten wel zo’n fabriek te bouwen in de VS.’
Nog één: ‘In Duitsland gaat chemieconcern BASF 500 miljoen bezuinigen, terwijl het miljarden investeert in China.’
Vorige week kondigde de Nederlandse directeur van zinksmelterij Nyrstar bovendien aan dat het bedrijf een nieuwe fabriek waarschijnlijk in België of Duitsland gaat bouwen. En diezelfde week besloot het Saoedische bedrijf Sabic definitief dat het op industriepark Chemelot bij Geleen volgend jaar een van de twee naftakrakers gaat afsluiten.
En dan zijn er nog de cijfers over de productie van de Nederlandse industrie, die al sinds begin dit jaar maandelijks met procenten achteruit kachelt. In januari was het -2,5 procent ten opzichte van 2022, april: -11,9 procent, augustus: -8 procent.
Over de auteur
Tjerk Gualthérie van Weezel schrijft voor de Volkskrant over energie en de impact van de energietransitie op het dagelijks leven.
‘Ik maak me daar dus zorgen over’, zegt De Boer, die vreest dat de economische impact groot zal zijn. ‘Vooral omdat we zo sluipenderwijs ook steeds afhankelijker dreigen te worden van andere landen. En iedereen lijkt te denken: ach ja, paar banen minder. Het zal wel.’
Is de positie van de Nederlandse industrie echt zo precair? Hoe erg is het als een deel van die oude bedrijvigheid verdwijnt uit een land waar nu al een tekort is aan technisch opgeleid personeel en we midden in een energietransitie zitten? En is de Nederlandse overheid wel alert genoeg nu industrie steeds meer speelbal lijkt te zijn in een groot geopolitiek spel?
De Nederlandse industrie is bij lange na niet wat die ooit was. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd nog zo’n 40 procent van al het geld in Nederland verdiend in fabrieken waar spullen werden gemaakt. Daarna verdween de productie van textiel en elektronica naar lagelonenlanden, stopte de autofabriek van DAF en ging vliegtuigbouwer Fokker failliet.
‘Maar eigenlijk is de sector deze eeuw behoorlijk stabiel, goed voor zo’n 12 procent van de economie en bijna 10 procent van de banen’, zegt hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen van het Centraal Bureau voor Statistiek. Daarmee is de industrie dus nog altijd een relevant onderdeel van de Nederlandse economie. Zeker wanneer je de bedrijvigheid erbij optelt die de industrie voor accountants, advocaten en andere dienstverleners oplevert. Dan gaat het om zo’n 20 procent van de economie.
Nederland is groot in de machinebouw, met ASML natuurlijk als belangrijkste voorbeeld. Maar ook in de voedselverwerkende industrie. Dat soort hoogwaardige en kennis-intensieve bedrijvigheid verplaats je niet zomaar, zegt Van Mulligen. Dat de industriële productie de afgelopen maanden krimpt, vindt hij ook niet direct zorgelijk. ‘Vorig jaar april bereikte de productie nog het hoogste niveau ooit. En op dit moment is de hele Europese economie wat aan het kwakkelen.’
Maar voor de ‘basisindustrie’, de zeer energie-intensieve bedrijven die Remco de Boer noemt, ligt de situatie wel ingewikkelder, ziet Van Mulligen Dan gaat het om de staalindustrie, kunstmestproductie, olieraffinage en grote chemische bedrijven. ‘Zij hebben jarenlang goedkoop gas gehad in Nederland. Dat is nu voorbij, terwijl er bijvoorbeeld in de VS nog goedkoop schaliegas beschikbaar is. Dat veroorzaakt wereldwijd een verschuiving van productie.’
Dat niemand dit zou willen zien, is wel wat overdreven. Afgelopen jaar voerde de Tweede Kamer diverse debatten over ‘groene industriepolitiek’. En vorige week organiseerden acht belangenorganisaties nog Het Grote Industriegesprek. In het bijzijn van demissionair minister Micky Adriaansens (VVD, Economie), een stoet aan Kamerleden en een handvol journalisten.
Daar maakten de industriëlen van hun hart geen moordkuil. Zij ervaren een kille wind. Die wordt aangewakkerd door een potpourri van factoren. Hoge energieprijzen, gebrek aan personeel en een overbelast energienet, bijvoorbeeld. En dan is er nog ‘het maatschappelijk klimaat’ dat steeds feller anti-industrie lijkt. Met rechtszaken tegen Tata Steel en Chemours en het felle protest tegen ‘fossiele subsidies’. Meest recent kwam daar nog het besluit bij van de Tweede Kamer om het belastingvoordeel voor expats te schrappen.
Het gesomber van de sector is begrijpelijk maar uiteindelijk niet heel productief, zegt Focco Vijselaar. Hij was jarenlang directeur bedrijfsleven bij het ministerie van Economische Zaken en sinds dit jaar directeur bij werkgeverskoepel VNO-NCW. ‘Zeker in de basisindustrie weet iedereen dat we vol aan de bak moeten om te vergroenen. Die bedrijven moeten vooral heel duidelijk maken wat zij nodig hebben van de overheid om die stap te zetten. En de overheid moet ook duidelijk zijn of het die zekerheden kan geven.’
Bijna alle grote bedrijven hebben volgens Vijselaar hun plannen om te vergroenen inmiddels wel klaar liggen. Dat moet ook wel, want de Europese klimaatwetgeving draait hen de komende jaren snel de duimschroeven aan. Al in 2040 moet hun CO2-uitstoot netto tot nul zijn teruggebracht. Toch wachten veel grote energieconsumerende bedrijven in Europa nu met de definitieve investeringsbeslissing, ziet Vijselaar. ‘Vanwege het onzekere speelveld met steeds weer nieuwe politieke wensen. En dat is echt zorgelijk. Want het gaat om honderden miljoenen euro’s voor het vernieuwen van dure installaties. Als zij dat doen, garandeert het voor decennia aan groene bedrijvigheid.’
Relevant daarbij is ook dat bijna alle grote bedrijven in de Nederlandse basisindustrie niet meer Nederlands zijn. Shell en Unilever vertrokken met hun hoofdkantoor naar Engeland. Hoogovens werd jaren geleden al ingelijfd door het Indiase Tata. Kunstmestproducent Yara is Noors. Dow Chemicals in Terneuzen is onderdeel van een groot Amerikaans chemieconcern.
DSM is formeel nog wel Nederlands, maar de zeggenschap over het bedrijf ligt sinds de fusie dit jaar met Firmenich feitelijk in Zwitserland. Het concern heeft de afgelopen jaren bovendien een groot deel van de oude energie-intensieve industriële onderdelen verkocht. Daardoor is Chemelot, het grote voormalige DSM-terrein in Limburg, al in stukken verkocht. Het hart van het industriële cluster is nu in handen van twee Arabische multinationals: de Egyptische kunstmestproducent OCI en het Saoedische staatschemiebedrijf Sabic.
‘Als jij als mondiaal opererend bedrijf een pot met geld hebt om te investeren in het vergroenen van je industrie, en je kunt kiezen waar je dat investeert dan kies je voor de plek waar je de meeste zekerheid hebt’, zegt Nienke Homan van VNCI, de brancheorganisatie van chemische bedrijven. ‘Je wilt er dan zeker van zijn dat die dikke pijpleiding met groene stroom of waterstof er op een bepaald moment echt ligt. Maar je wilt ook zo veel mogelijk zekerheid dat er een afzetmarkt is voor jouw product. Zodat de groene producten hier worden gemaakt en gekocht. En dat niet straks alsnog de grijze producten van elders geïmporteerd worden.’
Homan, die lang namens GroenLinks actief was in de Groningse politiek, vindt het opvallend dat veel Nederlanders een circulaire economie willen, maar niet beseffen welke industrie daarvoor nodig is. ‘Als je plastic hoogwaardig wilt recyclen dan heb je ook zogeheten krakers nodig die van plastic verpakkingen en andere circulaire grondstoffen weer nieuwe groene bouwstenen maken. Samen met allemaal andere industriële bedrijven rondom zo’n kraker kun je daar dan duurzame alledaagse producten van maken. Blijven deze krakers niet in Nederland, dan moeten de bedrijven deze basisproducten, vaak afkomstig uit minder schone fabrieken, straks van ver laten aanvoeren. Dat is vanuit circulair oogpunt toch echt niet wenselijk.’
Het gaat vaak ook om producten waarvan het om geopolitieke redenen belangrijk is om die binnen Europa zelf te blijven maken, zegt Focco Vijselaar. ‘Kunststof en staal zijn hard nodig voor de energietransitie, kunstmest voor de de voedselvoorziening, en onze chemiebedrijven maken bijvoorbeeld medicijnen en stoffen voor waterzuivering.’
Het probleem is niet dat er in Europa te weinig geld is om die bedrijven te ondersteunen bij de energietransitie: de EU heeft er miljarden beschikbaar gesteld. Maar de procedures om dat geld te krijgen, zijn ingewikkeld. In Nederland hebben de zogenoemde ‘maatwerkafspraken verduurzaming industrie’ vooralsnog geleid tot acht getekende ‘intentieverklaringen’ met bedrijven die veel CO2 uitstoten. Met zeven bedrijven is het zelfs nog niet gelukt om tot zo’n intentieverklaring te komen.
Terwijl bedrijven in de VS dankzij de Inflation Reduction Act gewoon cash krijgen om hun investeringen te doen. Vijselaar: ‘Daar kun je veel bedenkingen bij hebben, en ik ga daar ook zeker niet voor pleiten, maar het is wel waar mondiaal opererende concerns naar kijken.’
Dat de overheid de industrie duidelijkheid moet geven, is zeker geen standpunt dat alleen in de industrie zelf klinkt. Ook Marjan Minnesma, directeur van klimaatorganisatie Urgenda, hekelt het gebrek aan visie en urgentie. ‘Vorig jaar, tijdens de gascrisis, hebben we gezien hoe het lukte om binnen honderd dagen een drijvend LNG-terminal in de Eemshaven neer te leggen. Zo moet dat met de verduurzaming van de industrie ook.’
Minnesma mist in de politiek vooral visie op hoe de duurzame economie van de toekomst eruit moet zien. ‘Dat moet je weten, dan kun je die bedrijven ook een helder aanbod doen.’ Zelf denkt Minnesma bijvoorbeeld aan ‘een halvering van Tata Steel dat volledig op duurzame energie draait, veel recyclet en halffabricaten importeert en hier verwerkt’.
Energie-onderzoeker De Boer kijkt op dat punt met enige afgunst naar Duitsland. Daar sloot minister van Economie en Klimaat Robert Habeck – ‘toch een groene politicus’ – een deal met staalconcern Thyssenkrupp. De staat financiert voor twee miljard euro de bouw van een fabriek die staal produceert met waterstof, de deelstaat Noordrijn-Westfalen springt nog een met 700 miljoen euro bij.
Over welke keuzen het kabinet moet maken, verschilt De Boer waarschijnlijk op veel punten met Minnesma. Maar, zegt hij, veel belangrijker is dat die keuzen worden gemaakt. Ook in de verkiezingsdebatten heeft hij er tot nu toe amper iets over gehoord. Dus heeft hij ‘gekscherend’ al eens gehint op een parlementaire enquête die er over tien jaar zal worden gehouden naar aanleiding van de knik in de industriële productiecijfers van 2023. ‘Maar begrijp me goed: ik hoop dat ik ongelijk krijg.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden