Home

Wat zijn politieke partijen van plan met de wetenschap? Alle aandacht voor innovatie en postcovid

Meer en stabielere inkomsten. Het zijn twee van de belangrijkste wensen van universiteiten voor de komende Tweede Kamerverkiezingen, verklaarde koepelvereniging UNL eind juli. Universiteitsbestuurders kunnen tevreden zijn als ze de wetenschapsplannen in de verkiezingsprogramma’s bekijken. Veel gevestigde, maar ook nieuwe partijen zetten hierop in.

Zo moet de manier waarop de overheid geld verdeelt over universiteiten op de schop, vinden veel partijen. De vaste basisinkomsten moeten omhoog, studentenaantallen worden minder bepalend. Het achterliggende idee is dat universiteiten elkaar dan minder gaan beconcurreren om de gunst van de (al dan niet buitenlandse) student. Dat maakt het systeem rechtvaardiger (ChristenUnie), verbetert de kwaliteit en onafhankelijkheid van onderzoek en onderwijs (respectievelijk CDA en Partij voor de Dieren) en leidt tegelijkertijd tot meer vaste contracten (GroenLinks-PvdA). Nieuw Sociaal Contract (NSC) oppert een eigen financieringsvariant: capaciteitsbekostiging. Hierbij maken universiteiten afspraken met de overheid over hoeveel studenten ze toelaten en tegen welk bedrag.

Partijen lijken elkaar eveneens te vinden in de wens om onderzoeksgelden te verhogen. GroenLinks-PvdA, D66, Volt en de ChristenUnie schrijven met zoveel woorden dat Nederland ernaar moet streven om 3 procent van het bruto binnenlands product (de Oeso-norm) te investeren in onderzoek en ontwikkeling. De afgelopen tien jaar lag dit percentage rond de 2,2 (voor overheid en bedrijfsleven gezamenlijk), eind vorig jaar schroefde het kabinet de ambitie zelf al op naar 3 procent.

Hoe realistisch die doelstelling is, is een tweede. Zo vindt de VVD dat vooral de private sector meer mag bijdragen. Bovendien nam de Tweede Kamer begin oktober een motie aan om gelden uit het innovatiebudget van het Nationaal Groeifonds te gebruiken om de brandstofaccijns laag te houden – dat geld kan dus niet meer naar innovatie.

Innovatie is sowieso het toverwoord in de wetenschapsparagrafen van de verkiezingsprogramma’s. Veel partijen, van de VVD en NSC tot GroenLinks-PvdA, willen meer strategische samenwerking met het bedrijfsleven en andere organisaties om oplossingen te vinden voor technische en maatschappelijke problemen. Dat leidt wel tot een spanningsveld. De samenwerking zet allereerst de ruimte voor fundamentele wetenschap onder druk, waaraan veel onderzoekers en algemene universiteiten hechten, ook al benadrukken partijen als D66, Volt en GroenLinks-PvdA het belang van niet-toepassingsgericht onderzoek.

Daarnaast waken partijen paradoxaal genoeg voor oneigenlijke beïnvloeding van wetenschappers. Die ligt juist sterk op de loer als universiteiten in zee gaan met externe partijen. Om de academische onafhankelijkheid toch te waarborgen, willen GroenLinks-PvdA en de SP daarom een apart onderzoeksfonds waarin bedrijven die een studie willen laten uitvoeren geld kunnen storten. De VVD gaat niet zover, maar benadrukt wel het belang van ‘transparantie’ wanneer bedrijven een universitair onderzoek betalen.

Diezelfde transparantie, vinden NSC en de Partij voor de Dieren, moet er zijn voor hoogleraarsposities die gefinancierd worden door bedrijven. De dierenpartij wil dat universitaire ethische commissies hierop gaan toezien. Buitenlandse samenwerkingen en onderzoekers moeten bovendien ‘waar nodig’ gescreend worden, vindt zowel de VVD als NSC.

Een mogelijke partijpolitieke splijtzwam is de uitbreiding van de Embryowet, al jarenlang een grote wens van wetenschappers. Waar de ChristenUnie faliekant tegen het gebruik van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek is (‘embryo’ komt vijftien keer voor in hun programma), willen D66 en de VVD de mogelijkheden juist uitbreiden. BBB is voorstander van de status quo. NSC stelt dat medisch onderzoek binnen de ‘ethische grenzen’ moet blijven, zonder te benoemen wat deze grenzen precies zijn; de partij van Omtzigt is alleen expliciet tegen aanpassingen van erfelijk materiaal als deze doorgegeven kunnen worden aan het nageslacht (kiembaanselectie).

Verrassend is ten slotte dat partijen van links tot rechts pleiten voor meer onderzoek naar het postcovidsyndroom (ook wel long covid genoemd). De VVD wil zelfs dat Nederland hierbij ‘internationaal een leidende rol inneemt’. Die wens komt relatief laat. Pas onlangs maakte het kabinet voor het eerst geld vrij (32 miljoen euro) voor onderzoek hiernaar, ruim drie jaar na het begin van de pandemie. ‘Ik ben blij dat er eindelijk actie in de taxi is’, reageert Ernst Jurgens van bedrijfsartsenvereniging NVAB. ‘Elke week komen er mensen met het postcovidsyndroom bij.’ De VVD maakt met dit standpunt wel een bijzondere U-bocht, valt hem op. ‘Afgelopen maart vond de partij nog dat we voor die kennis maar moesten meeliften op onderzoek uit het buitenland.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next