Ruim een op de zeven volwassen Nederlanders voldoet aan de criteria voor een angststoornis. Wat betekent het om dagelijks last van angst te hebben? En wat valt er aan te doen? ‘Ik kan vreselijk opzien tegen tanken. Straks veroorzaak ik iets verschrikkelijks.’
Als Dieuwke Tazelaar (59) aan een kennis of collega vertelt dat ze van kinds af aan worstelt met angst, is de reactie vaak hetzelfde. Eerst is er ongeloof. ‘Jij? Angstig? Maar je ziet er altijd zo stralend uit. Je komt zo zelfverzekerd over!’
Dan komen de vragen. Hoe kan het, willen mensen vaak weten, dat Tazelaar twee keer per week in het theater staat terwijl ze een angststoornis heeft? Waarom durft ze dat dan wel?
Tot slot zijn er de goedbedoelde adviezen. ‘Je hoeft toch helemaal niet bang te zijn? Komt goed, joh.’ Of: ‘Laat je toch niet leiden door angst.’
Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.
Angst is een doodnormale emotie. Iedereen is weleens bang. Misschien is het daarom, zegt Tazelaar, ‘dat veel mensen het lastig vinden te begrijpen wat doorgeslagen angst met je doet.’
Zelf is Dieuwke Tazelaar in veel opzichten ook doodgewoon. Ze woont in een rijtjeshuis in Breda, ze is getrouwd, heeft een dochter en een zoon. Ze werkte, voor ze het theater in ging, lange tijd in de zorg en het onderwijs. En hoewel de reacties anders doen vermoeden, is het feit dat ze een angststoornis heeft ook nauwelijks bijzonder te noemen.
Een angststoornis is de meestvoorkomende psychische aandoening in Nederland. Meer dan een op de zeven volwassen Nederlanders (15 procent) voldeed in de afgelopen twaalf maanden aan de criteria voor een angststoornis, bleek vorig jaar uit een grootschalig onderzoek van het Trimbos-instituut. Dat betekent overigens niet dat al die mensen onmiddellijk hulp nodig hebben. Het Trimbos maakt onderscheid tussen een lichte, een matige en een ernstige variant van psychische stoornissen. Voor alle drie geldt wel dat het gaat om psychische problemen die invloed hebben op het dagelijks leven.
In absolute aantallen voldeden 1,9 miljoen Nederlanders tussen de 18 en 75 jaar de afgelopen twaalf maanden aan de criteria voor een angststoornis, berekende het Trimbos. Ter vergelijking: ongeveer een op de tien volwassenen voldoet jaarlijks aan de criteria van een ‘stemmingsstoornis’: een depressie of bipolaire stoornis. Oftewel: 1,2 miljoen Nederlanders, volgens het Trimbos.
Toch lijken angststoornissen voor velen een onbekend fenomeen. Maatschappelijk gezien is er vergeleken met bijvoorbeeld een aandoening als depressie weinig aandacht voor, merkt Tazelaar. Met onbegrip als gevolg. ‘Angst wordt vaak onderschat. Mensen denken toch: verman jezelf. Dat krijgen mensen met een depressie trouwens ook te horen.’
Het venijnige aan angststoornissen is dat ze veelal op jonge leeftijd ontstaan en een kwetsbaarheid voor het leven vormen, zegt de Amsterdamse hoogleraar stress en veerkracht Christiaan Vinkers. ‘Een depressie ontstaat vaak in de adolescentie, angst begint al heel vroeg, in de kindertijd.’
Een angststoornis komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Jongvolwassenen (tot 35 jaar) hebben er vaker last van dan gepensioneerden (65 jaar en ouder). Het is bovendien een hardnekkige aandoening. Meer dan de helft (54 procent) van de patiënten die zijn hersteld van een angststoornis heeft vier jaar later weer psychische problemen, blijkt uit onderzoek waaraan Neeltje Batelaan meewerkte. ‘Ze zijn teruggevallen in hun angststoornis, of ze hebben een depressie.’
Batelaan is psychiater gespecialiseerd in angst en universitair hoofddocent aan het Amsterdam UMC. Ze wijst op de ranglijsten van het RIVM. Het instituut becijferde een paar jaar geleden hoeveel problemen bepaalde ziekten geven binnen Nederland als geheel. Hoeveel levensjaren gaan erdoor verloren? Hoeveel jaren leeft een patiënt met gezondheidsproblemen en hoe ernstig zijn die?
Bovenaan de lijst met aandoeningen die de meeste ‘ziektelast’ veroorzaken voor de leeftijdsgroep 15 tot 65 jaar staan angststoornissen. De aandoening scoort slechter dan bijvoorbeeld stemmingsstoornissen, diabetes, longkanker en hartziekten.
Batelaan: ‘Angststoornissen komen veel voor binnen de beroepsbevolking. Dat betekent dat het voor de samenleving als geheel ook de meeste ellende geeft: het komt vaak voor, het beperkt mensen in hun functioneren en het beloop is vrij ongunstig.’
Als de impact van angst zo groot is, waarom lijkt het er dan zo weinig over te gaan? Wat is een angststoornis precies? En hoe kom je ervan af?
Toen Ton van Balkom in de jaren tachtig psychiater in opleiding was, had ‘bijna niemand’ nog van angststoornissen gehoord, vertelt de emeritus hoogleraar evidence-based psychiatrie. ‘Mijn opleider zei: wees blij dat het zo zeldzaam is, want het is heel moeilijk te behandelen.’ In de jaren daarna bleek dat allebei onjuist. ‘Angststoornissen komen veel voor, maar er is ook iets aan te doen.’
Het woord angststoornis is een paraplubegrip voor een waaier aan angsten. Een paniekstoornis, bijvoorbeeld. Wie daaraan lijdt, heeft geregeld paniekaanvallen: het gevoel geen lucht te krijgen, gek te worden of zelfs dood te gaan.
De meestvoorkomende angststoornis is een sociale fobie of sociale angststoornis. Wie daaraan lijdt, heeft een buitenproportionele angst voor feestjes, het geven van een presentatie, een praatje maken of bijvoorbeeld koffie drinken in gezelschap.
Een angststoornis kan ook een specifieke fobie zijn: een fobie om over te geven, een fobie voor honden of voor injectienaalden, bijvoorbeeld. ‘Over dit soort angsten wordt vaak lacherig gedaan, maar ze kunnen iemands leven overhoop gooien’, zegt hoogleraar klinische psychologie Merel Kindt, die haar eigen kliniek oprichtte voor mensen met een fobie.
Een fobie is nadrukkelijk iets anders dan een milde angst of afkeer. Kindt: ‘Er zijn mensen met claustrofobie die nooit in een auto durven te stappen, of in een lift. Mensen met een angst voor spinnen die ’s zomers geen tuin in durven uit angst er een tegen te komen.’
Dieuwke Tazelaar bleek te lijden aan een gegeneraliseerde angststoornis, oftewel een piekerstoornis. Het betekent dat ze overmatig gevoelig is voor allerlei angsten.
In haar geval is dat de angst om ernstig ziek te worden (hypochondrie), de angst voor onbekende mannen, maar bijvoorbeeld ook de angst om te tanken. ‘Daar kan ik vreselijk tegen opzien. Straks krijg ik de tankdop er niet af en sta ik ontzettend voor lul. Of ik doe iets verkeerd en veroorzaak iets verschrikkelijks.’
En ja, zegt Tazelaar, ze weet hoe gek dat klinkt, hoe irrationeel die angst is.
Dat is typisch voor een angststoornis, zegt psychiater Batelaan. ‘Iemand die daaraan lijdt, denkt in rampgedachten. Als ik in mijn mond opentrek in een vergadering, zeg ik vast iets doms, verlies ik mijn baan en beland ik in de goot. Zo iemand weet best dat die gedachtengang niet klopt, maar laat zich er toch door leiden. Dat levert veel schaamte op.’
Het maakt angststoornissen voor huisartsen moeilijk te herkennen. ‘De meeste mensen komen niet bij de dokter met de vraag: ik ben hartstikke angstig, kunnen we daar iets aan doen?’, zegt Batelaan, die huisartsen in opleiding traint om een angststoornis te herkennen.
‘Mensen met angst komen vaak met spanningsklachten bij de huisarts: rugpijn, hoofdpijn – allemaal gevolgen van een langdurig verhoogd spanningsniveau. Een arts moet actief doorvragen om bij onderliggende angstklachten uit te komen.’
Er zijn heel wat mensen, vermoedt hoogleraar Vinkers, die te horen krijgen dat ze kampen met een burn-out, maar die in feite een angststoornis hebben. Cijfers om zijn stelling mee te onderbouwen heeft hij niet. ‘Dat is nooit onderzocht. Het probleem is: voor angststoornissen bestaan er bewezen behandelingen, voor een burn-out niet.’
Ook wetenschappers hebben minder aandacht voor angststoornissen dan voor bijvoorbeeld depressies, zegt Batelaan. Het viel haar onlangs nog op bij het opzetten van een onderzoek over de manieren waarop terugval bij angststoornissen kan worden voorkomen. ‘Voor depressie bleken er een stuk of dertig studies te zijn over dit onderwerp. Voor angst waren het er twee.’
Inhoudelijk kan ze dat grote verschil niet goed verklaren. ‘Bij een angststoornis is de kans op terugval groot, net als bij depressie, dan verwacht je dat daar evenveel onderzoek naar wordt gedaan.’
Mogelijk heeft het te maken met het feit dat angststoornissen zo van elkaar kunnen verschillen, zegt Batelaan. ‘Terwijl somberheid leidt tot één diagnose: depressie.’
‘Wacht, ik zal het voordoen.’ In haar zonovergoten huiskamer staat Dieuwke Tazelaar op van de eettafel. Ze heeft zojuist beschreven hoe ze als meisje van een jaar of 7 voor het eerst last van angsten kreeg. In die tijd moest ze wekelijks uit gymles alleen naar huis lopen. Het was een klein stukje en er gebeurde nooit iets bedreigends, maar ze vond het doodeng. ‘Ik dacht: er komt vast een enge man en die gaat me ontvoeren of vermoorden.’
Om dat te voorkomen, deed Tazelaar alsof ze zwaar gehandicapt was. Ze speelt na hoe ze met gekromde rug en een vertrokken gezicht over straat liep. ‘Het is eigenlijk heel komisch.’
Waarom het ene kind een angststoornis ontwikkelt en het andere niet, valt moeilijk met zekerheid te zeggen. ‘Het gaat om een combinatie van risicofactoren’, zegt Anita Harrewijn, universitair docent aan de Erasmus Universiteit.
Eén risicofactor is temperament. Hoe reageert een kind op nieuwe situaties? Harrewijn doet onderzoek bij peuters. Stel dat je een 2-jarige in een ruimte zet met een nieuw stuk speelgoed met geluidseffecten en lichtflitsen. ‘Gaat het kind erop af? Of trekt het zich juist terug? En hoe reageert het als er een onbekende binnenkomt?’
Kinderen die geneigd zijn zich terug te trekken, lopen een groter risico een angststoornis te ontwikkelen. Nog een risicofactor: overbeschermende ouders. Andersom is een onveilige ouder-kindrelatie ook een risico, net als een trauma in de kindertijd.
Een angststoornis heeft ook een erfelijke component. Het ene kind wordt geboren met meer aanleg voor angst dan het andere. De vader van Tazelaar, inmiddels overleden, had ook last van angsten, vertelt ze. ‘Mijn moeder heeft dat ook.’ Ze ziet het eveneens terug bij haar zoon.
Angst zit vermoedelijk in haar genen, zegt Tazelaar. Zelf denkt ze dat de adhd die twee jaar geleden bij haar werd vastgesteld een hoofdrol speelde. ‘Ik heb grote moeite met georganiseerd werken. Daardoor overvroeg ik mezelf van jongs af aan, om mee te kunnen komen.’
Hoewel ze al vanaf haar 7de worstelt met angstklachten, liep ze pas voor het eerst vast toen ze 24 was. ‘Ik werkte in een woonvoorziening voor mensen met een lichte verstandelijke beperking. Leuk werk, maar ook spannend. Ik kwam overspannen thuis te zitten.’ De angsten die eerder op de achtergrond sluimerden, namen haar volledig in beslag. ‘Ik piekerde veel, vond alles eng. Ik hyperventileerde, had veel hoofdpijn en had constant een brok in mijn keel.’
Na een paar maanden trokken de ergste angsten weg. Ze kon weer aan het werk. Maar een paar jaar later stortte ze opnieuw in. Tien jaar later gebeurde het weer. Daarna gebeurde het nog eens, en nog eens. Elke keer als ze instort, heeft ze meer klachten en duurt het herstel langer, zegt Tazelaar. De laatste keer zat ze ruim een jaar thuis.
‘De angsten worden groter, ik krijg ook steeds meer fysieke klachten. Ik heb de laatste jaren bijvoorbeeld een piep in mijn oor als ik te veel spanning heb.’ Het is ‘restschade’ van al die eerdere keren dat ze ‘omkukelde’, denkt ze. ‘Ik merk ook dat ik ouder word, vroeger was ik veerkrachtiger.’
Na allerlei vormen van therapie geprobeerd te hebben (‘soms werkt het goed, soms deed het niets’) begon Tazelaar rond haar 40ste met antidepressiva. ‘Dat werkt misschien nog wel het best. Zolang ik er niet mee stop.’
Het is in grote lijnen hoe het leven er vaker uitziet voor mensen met een angststoornis, blijkt uit gesprekken met onderzoekers en behandelaren. Terugval komt veel voor. Omdat de wachtlijsten voor therapie lang zijn, krijgen patiënten vaak antidepressiva voorgeschreven.
‘Dat is niet ideaal’, zegt Batelaan, die als psychiater ook veel patiënten met angst behandelt. ‘Want als je ermee stopt, is de kans op terugval zo’n 35 procent.’
Mensen met een angststoornis zijn volgens haar vooral geholpen met goede cognitieve gedragstherapie ‘met veel exposure’. Bij deze therapievorm gaan patiënten stukje bij beetje de confrontatie met hun angsten aan.
Probleem daarmee is volgens haar dat patiënten nadat ze zijn opgeknapt vaak te snel worden losgelaten. Dat is bij een stoornis die vaak terugkeert niet handig, zegt Batelaan. ‘Suikerziektepatiënten komen eens in de zoveel tijd terug ter controle, dat zou bij angst ook moeten.’
De zorg voor patiënten met een angststoornis staat ondertussen niet stil. Zo begint Batelaan volgend jaar aan een project om cognitieve gedragstherapie voor angst te verbeteren. Dat doet ze op haar werkplek in Amsterdam: de psychiatrische kliniek GGZ inGeest.
‘Nu krijgt iemand twintig wekelijkse sessies in een half jaar tijd, wij gaan daar twee weken intensieve behandeling van maken. Met meer aaneengesloten tijd kunnen we angstpatronen beter doorbreken, is het idee.’
Onder leiding van slaaponderzoeker Eus van Someren loopt er sinds kort een onderzoek naar slaap en angst. Wie structureel slecht slaapt, heeft een vergroot risico op het ontwikkelen van een angststoornis of depressie. De hoop is dat hulp om beter te slapen patiënten op de wachtlijst voor een behandeling helpt.
Tazelaar is tevreden met de zorg die ze nu krijgt. Ze heeft sinds de laatste keer dat ze instortte, vijf jaar geleden, een ‘onderhoudsabonnement’ bij haar psychiater. ‘Ik kan eens in de drie maanden bij haar terecht en kan alles met haar bespreken. Ze denkt goed mee.’
Tijdens die laatste slechte periode, de heftigste tot nu toe, verloor ze haar baan. Samen met een vriendin met een depressie die ook was ontslagen, zette ze haar ervaringen op papier. ‘We hadden eerder samen toneel gespeeld en besloten een theatervoorstelling te maken over hoe het is om te leven met een psychische kwetsbaarheid. Geen idee of er iemand op zat te wachten.’
Inmiddels treedt het duo Dames die raken twee keer per week op. Dat doen ze bijvoorbeeld bij zorginstellingen, hogescholen en gemeenten. Doel: meer bewustwording over het feit dat ‘niet alle breinen hetzelfde werken’. Ook geeft Tazelaar over hetzelfde thema trainingen, als ervaringsdeskundige bij patiëntenorganisatie Mind.
En nee, zegt ze, ze vindt het dus niet eng om een podium te beklimmen. Gezond spannend, dat wel. ‘Ik mag praten over datgene waar ik altijd zo bang voor ben geweest. Dat is bevrijdend.’
Kinderen en jongeren lijken de laatste jaren kwetsbaarder voor angst, zegt Patricia Muis, directeur van patiëntenvereniging ADF (Angst Dwang en Fobie). Dat wil zeggen: sinds de coronacrisis komen bij de stichting veel meer bezorgde telefoontjes van ouders binnen over kinderen.
‘Zo’n 10 procent van de ongeveer zeshonderd telefoontjes die we maandelijks krijgen, is afkomstig van ouders van kinderen tussen de 12 en 18’, zegt Muis. ‘Eerder kwam dat bijna niet voor. Ook van twintigers krijgen we veel meer telefoontjes dan voorheen. Vooral meisjes trekken aan de bel.’
Helemaal onverwacht is dat niet. De Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut concludeerden onlangs in een grootschalig onderzoek dat de mentale gezondheid van scholieren de afgelopen jaren is verslechterd. Zo zei bijna de helft (47 procent) van de ondervraagde meisjes zich snel angstig te voelen en vaak te piekeren. In 2017 gold dat nog voor minder dan een op de drie (29 procent) meisjes.
Muis: ‘Jongeren ervaren veel druk om te presteren en hun sociale contacten te onderhouden. De drempel naar hulp ligt hoog.’ De patiëntenvereniging, die oorspronkelijk bedoeld is voor volwassenen, wil zich meer gaan richten op tieners en twintigers met angstklachten. Zo is er speciaal voor (ouders van) kinderen tussen de 12 en 18 een telefonische hulpdienst opgezet.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden