Het is vrijdagochtend, ik rijd door de regen naar de stad. Ik rem en geef gas, rem en geef gas. Rode remlichten gaan aan en uit, aan en weer uit. Ik probeer er iets aardigs in te zien, in die lichten. Iets van liefde. Pas op schat, ik ga afremmen.
Wat is er precies erg aan deze oorlog?, denk ik. Een vraag die al weken door mijn hoofd spookt, samen met de voor de hand liggende antwoorden. Dood is erg aan oorlog, pijn is erg, verlies en angst. Het als-ratten-in-de-valgevoel. En dat er mensen aan de knoppen zitten. Dat ze het expres doen, en dat ze er ook mee zouden kunnen ophouden, terwijl ze blijven volhouden dat dat geen optie is.
Later rijd ik langs een gracht, het regent nog. Plotseling zie ik een vriend die in maart is doodgegaan, in zijn iets te wijde witte overhemd met korte mouwen, zweet op zijn voorhoofd, in een bootje zitten. Een verzonnen herinnering, maar ik weet dat ik hier vijf zomers geleden met mijn vrienden in een bootje zat. Hij moet erbij zijn geweest.
Het is een ongeschreven regel dat je geen leed mag vergelijken, niet openlijk, ten overstaan van degene die het leed ondergaat. Jouw vriend is overleden aan kanker? Kijk eens naar Gaza! Maar mensen doen het met hun eigen leed aan de lopende band. En ook psychologen maken gradaties van rouw. Een natuurlijke dood veroorzaakt gemiddeld genomen minder diepe rouw; de hevigheid neemt toe naarmate de dood opzettelijker door een ander mens veroorzaakt is.
Gerda Blees is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Later zit ik in de trein. Misuse may attract a penalty, lees ik onder de noodrem. Een man in Gaza gaat het huis niet meer uit omdat zijn 2-jarige zoon bang is dat hij niet meer terugkomt. Ik denk aan mijn eigen zoon, die ook bang is, voor paarden die naar ons huis zullen komen. Wat ik dan zeg: dat gebeurt niet, ze staan achter een groot hek, ga maar slapen. De luxe om een peuterangst niet serieus te hoeven nemen.
Elk land zou een noodrem moeten hebben, waar iedereen die er woont aan kan trekken. Er liggen duizenden gezinnen op het spoor! Stoppen, nu! Geen boete voor oneigenlijk gebruik.
Later zit ik bij een les waarvan ik de docent ben. Een vrouw heeft opgeschreven dat ze het lelijke in de wereld niet wil zien; ze wil geloven dat de wereld vredig en sociaal is, zodat ze zich geen zorgen hoeft te maken over haar dochter die op reis is. Ze twijfelt over haar tekst. ‘Moet ik mijn kind hier wel bij halen?’, vraagt ze. ‘Voegt dat iets toe?’
Later ben ik thuis, ik reed van het station naar een oplaadpaal en liep het laatste stuk. Het regende nog steeds, of weer, harde kletterende regen. Mijn broek plakt aan mijn bovenbenen, mijn jas hangt te drogen op een stoel. Ik zoek in mijn boekenkast naar een dichtbundel. Ik vind de bundel, sla hem open en zie direct het gedicht dat ik zocht, geschreven door Yehuda Amichai, een Israëliër van Duitse afkomst die meevocht in de Tweede Wereldoorlog en verschillende Israëlische oorlogen.
Het gedicht gaat over toeristen in Jeruzalem, die naast de dichter een Romeinse boog proberen te ontwaren. De regels waar het me om ging, zijn anders dan ik me herinnerde. Waar ik vrede had onthouden, staat verlossing: ‘de verlossing zal pas komen als men zegt: ziet u dat gewelf uit de Romeinse tijd? Doet er niet toe, maar daarnaast, iets naar links en omlaag, zit een man die fruit en groente heeft gekocht voor zijn gezin.’
Source: Volkskrant