Een belangrijke bezwaarzaak deze week bepaalt mede hoe de toekomst van de huisartsenzorg eruitziet. Kan het door de beugel als een praktijk niet bereikbaar is voor zijn patiënten? ‘Zo krijg je een tweedeling tussen huisartsen en commerciële praktijken. Want huisartsgeneeskunde kan ik het niet noemen.’
Het is 7.58 uur op maandagochtend. Huisarts Jens van der Weert heeft sterke thee gezet in zijn Amsterdam-mok (een ironisch grapje, hij is ras-Hagenees), zijn spreekkamer tot op het laatste potlood op orde gebracht, en nog snel even doorgenomen welke van zijn patiënten dit weekend op de huisartsenpost zijn geweest.
Om precies 8 uur activeert hij met een muisklik het bel/software-systeem van de praktijk en begint hij aan een twee uur durende rush van telefonische consulten. Eerste beller: ‘Goedemorgen dokter, ik heb al een week last van jeuk aan m’n oren.’ Twee minuten later liggen er druppels klaar bij de apotheek, en staat er een afspraak bij de assistenten om de oren te laten uitspuiten.
Over de auteur
Michiel van der Geest is de zorgverslaggever van de Volkskrant en verdiept zich in alle vormen van zorg: van ziekenhuizen tot huisartsen, van gehandicaptenzorg tot Big Pharma, van gezondheidsverschillen tot valgevaar.
Verder gaat het met een beroerde oudere, een gillende peuter met nachtangst, een bobbeltje in een nek, een puber met een mogelijke tekenbeet, tot (8.23 uur): ‘Dokter, nou heb ik alweer last van een ontstoken schaamlip. Ik ging naar het toilet, en schrok me wezenloos, er zit me toch een bult.’ Kom om 11.45 uur maar even langs, dan kijk ik even, stelt Van der Weert gerust. ‘Zet er maar een flinke snee in, dokter.’
Sinds een paar maanden hebben Van der Weert en zijn collega’s de werkwijze in de praktijk in de Haagse wijk Rustenburg en Oostbroek radicaal omgegooid. Elke ochtend tussen 8 en 10 (spitsuur) zitten de huisartsen zelf achter de telefoon en niet langer de assistenten. Efficiënter, zegt Van der Weert. ‘Veel klachten kan ik telefonisch al afhandelen. Als ik uitleg waarom ze niet langs hoeven te komen, nemen ze dat van mij eerder aan dan van de assistent, want ik ben de dokter.’
Zo ontstaat er ruimte voor de assistenten om eigen spreekuren te draaien met bloeddrukmetingen, bloedprikken of ooruitspuitsessies, en houden de huisartsen meer tijd over voor patiënten voor wie het wel noodzakelijk is langs te komen. Maar bovenal: zo blijft de praktijk het hele jaar door constant bereikbaar voor de patiënten.
Juist die bereikbaarheid staat deze week centraal in een procedure die verregaande gevolgen kan hebben voor de toekomst van de huisartsenzorg. Op het ministerie van VWS in Den Haag dient het (besloten) bezwaar van de commerciële huisartsenketen Co-Med tegen een aanwijzing (een zware sanctie) die de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) het bedrijf wil opleggen.
Co-Med ligt al langer onder vuur. In Breda konden patiënten de praktijk vorig jaar maandenlang nauwelijks bereiken, in Reusel ging dit voorjaar van de ene op de andere dag een Co-Med-praktijk dicht, in Enschede en Den Haag waren vestigingen deze zomer wekenlang gesloten, en in Zwolle kwamen Co-Med-artsen tot vier keer toe niet opdagen voor de diensten op de huisartsenpost. Ondertussen maakte het bedrijf in 2022 1,2 miljoen euro winst op een omzet van 9,3 miljoen.
Afgelopen juni vindt de inspectie het welletjes, en grijpt keihard in. De IGJ wil een ‘aanwijzing’ opleggen: binnen een week moet Co-Med aan wettelijke normen en aan de bereikbaarheidsnormen van de Landelijke Huisartsenvereniging voldoen, anders volgen mogelijk boetes. Co-Med, zo luidt het oordeel, heeft ‘de continuïteit van de huisartsenzorg niet structureel geregeld en geborgd (...) tijdens de praktijkuren voor meerdere praktijken, hetgeen een groot veiligheidsrisico voor patiënten met zich meebrengt’.
Co-Med is woest en stapt naar de voorzieningenrechter om de aanwijzing – in elk geval voorlopig – van tafel te krijgen. Het bedrijf erkent dat het niet altijd goed genoeg bereikbaar is, maar zegt ook: dat is nogal logisch als je kijkt naar de arbeidsmarkt voor huisartsen, als je ziet hoe we worden tegengewerkt door andere huisartsen in een regio. Bovendien: zo hard zijn de bereikbaarheidsnormen voor huisartsen helemaal niet, ze zijn nota bene onlangs nog door de Landelijke Huisartsenvereniging zelf afgezwakt.
De voorzieningenrechter gaat grotendeels mee in de argumenten van Co-Med. Een huisartsenpraktijk runnen is ‘zeer complex’, vindt de rechter, met de constante personeelstekorten en de steeds veranderende regels. De bereikbaarheidsnormen zijn daarbij helemaal niet zo hard als de inspectie beweert.
Maar deze uitspraak is een voorlopige voorziening: de zaak die deze week begint zal definitief uitsluitsel moeten geven hoe bereikbaar een huisartsenpraktijk moet zijn, en daarmee of commerciële huisartsenketens als Co-Med kunnen voortbestaan.
In de koffiepauze laat Hedwig Vos, een van de oprichters van de Haagse praktijk en hoofd van de huisartsenopleiding in Leiden, een foto op haar telefoon zien. Een briefje op de deur van de Co-Med-praktijk verderop in de stad: vandaag zijn we gesloten, ga bij spoed naar de eerste hulp. ‘Als dit mag, wat zijn we hier dan aan het doen met z’n allen?’, verzucht ze.
Natuurlijk, zegt Vos, zal zij nooit een briefje op de deur hangen. ‘Dat is onze eer te na, wij willen goede patiëntenzorg leveren. Maar door dit soort gerechtelijke uitspraken voel je je wel onderuit getrapt. Alsof het helemaal niet nodig is dat wij zo ons best doen.’
En er is het risico op het precedent, zegt Van der Weert. ‘Als andere investeerders dat zien, denken ze: hé, zo kan het ook. Het is een vrijbrief om een praktijk te openen, het inschrijftarief voor de patiënten te innen en een briefje op de deur te hangen dat er vandaag helaas geen zorg kan worden geleverd.’
Juist continuïteit, zegt Vos, is een van de kernwaarden van het huisartsenvak. Blijft de voorlopige voorziening in stand, dan ‘krijg je straks een tweedeling tussen huisartsen en commerciële praktijken. Want huisartsgeneeskunde kan ik hun manier van werken niet noemen.’
Co-Med, dat voor dit artikel niet wilde reageren, ziet het radicaal anders. De huisartsenzorg in Nederland staat aan de rand van de afgrond, zeiden de oprichters Guy Schulpen en Guy Vroemen eerder in een interview met de Volkskrant. Praktijken met slechts tweeduizend patiënten zijn niet langer houdbaar, daarvoor ontbreekt het personeel. Digitalisering moet grotere praktijken mogelijk maken, de zorg zal moeten versoberen, maar huisartsen zijn ‘argwanend en afwachtend’, houden ‘conservatief vast aan een werkwijze die niet meer houdbaar is’, aldus Schulpen onlangs in NRC.
E, volgens collega Vroemen is ‘het hele bereikbaarheidsstukje wel een beetje overtrokken’. Sterker, doordat Co-Med naast gewone assistenten ook nog een belcentrum in Amsterdam heeft zitten, ‘is de bereikbaarheid beter dan gemiddeld’.
Die argumenten overtuigen huisartsen niet, zegt Vos, zij ziet onder collega’s ‘veel verontwaardiging’. ‘Wij zijn opgeleid met het idee van persoonsgerichte zorg, dichtbij, continu en bereikbaar. En nu is er een commerciële partij die de huisartsenzorg als bedrijfsmodel ziet waarmee tientallen procent winst te maken valt.’
Die verontwaardiging deelt Hilly ter Veer, huisarts en bestuurslid van de Landelijke Huisartsenvereniging. Het klopt, zegt ze, dat de bereikbaarheidsnormen voor huisartsen iets minder streng zijn geworden in mei van dit jaar, praktijken mogen ervoor kiezen een uur minder per dag de telefoon op te nemen (behalve bij spoed uiteraard). Een logisch gevolg van de toegenomen digitalisering van de huisartsenpraktijk: patiënten kunnen online afspraken inplannen, hun dossier inzien, op thuisarts.nl informatie opzoeken.
En het is ook bewust dat de eisen niet ‘superstrikt’ zijn. Ter Veer: ‘Huisartsgeneeskunde is contextgeneeskunde. Je moet kijken wat je jouw populatie moet bieden, in een dorpje op het platteland is dat anders dan in een achterstandswijk. Maar iedere huisarts weet dat laagdrempeligheid ertoe leidt dat je problemen ondervangt voordat het grote problemen worden.’
Voor spoedtelefoontjes zijn de eisen wel streng. Binnen dertig seconden moet de huisarts opnemen, binnen een kwartier moet de huisarts bij een patiënt kunnen zijn. Ook daar ging het bij Co-Med mis, nog in juli – toen de zaak al liep – deed de IGJ een belronde langs Co-Med-praktijken en constateerde dat de bereikbaarheid niet in orde was. Ter Veer: ‘Bij spoed moet je bereikbaar zijn, huisartsen nemen dat vreselijk serieus. Als een gemiddelde huisarts zo’n oordeel van de inspectie zou krijgen, dan zou-ie er vreselijke buikpijn van hebben, de vakantie opzeggen om het wel geregeld te krijgen.’
Ter Veer raakt duidelijk geëmotioneerd: ‘Een echte huisarts werkt door om te zorgen dat de kernwaarden geborgd zijn voor alle patiënten in Nederland, maar dat wordt vreselijk moeilijk gemaakt door geldwolven die denken voor hun eigen gewin de zorg te kunnen misbruiken. Geen enkele huisarts ziet de eigen praktijk als verdienmodel. De ontwikkeling die de commerciële ketens laten zien, staat daar haaks op. Zij verprutsen ons vak. Het zou helpen als de rechter nu een duidelijke uitspraak doet waar de grenzen liggen.’
Daarvan is gezondheidseconoom Xander Koolman (VU) niet overtuigd. Heus, zegt hij, er zijn ook commerciële partijen in de zorg die niet deze vorm van ophef veroorzaken. ‘Co-Med kwam met een winstdoelstelling waarvan meteen duidelijk werd dat die niet haalbaar was. Ik heb in raden van toezicht van gezondheidscentra gezeten, en geloof me, op een huisartsenpraktijk is geen 30 procent winst te behalen. Wij waren altijd bezig met de vraag of we over een half jaar nog bestonden, en dat was dan nog zonder winstuitkering. Er zijn cao’s waaraan je je moet houden, je hebt een maximumaantal patiënten dat je kunt zien per uur. Als je 30 procent winst wilt halen, betekent het vooral dat je nee gaat zeggen tegen jouw patiënten die zorg nodig hebben.’
Het is de reden, denkt Koolman, dat de inspectie en de Nederlandse Zorgautoriteit, die ook onderzoek doet naar commerciële huisartsenketens, nu zo hard proberen in te grijpen. ‘Zij hebben naar dit gedrag gekeken en geconcludeerd: dit willen we niet. En bedenk daarbij: de inspectie is onderdeel van het ministerie, en daarmee niet geheel onafhankelijk van de politieke top, zoals velen denken.’
De eisen van de IGJ in deze zaak zijn daarbij zo streng dat Co-Med waarschijnlijk failliet gaat, mocht de inspectie in het gelijk worden gesteld, zegt Koolman. ‘De overheid heeft daarmee haar intenties duidelijk gemaakt: wij willen niet dat deze manier van werken wordt beloond.’
De rechtszaak is ook daarom van zo’n groot belang, vindt Koolman. ‘Geeft de rechter Co-Med gelijk, dan heeft de overheid waarschijnlijk onvoldoende goede instrumenten om ontwikkelingen die ze onwenselijk vindt tegen te houden.’
Er tekenen zich in de Tweede Kamer inmiddels wel meerderheden af om de invloed van privaat kapitaal in de huisartsenzorg tegen te gaan, ‘maar dat wordt best een ingewikkeld geitenpaadje’, zegt Koolman. ‘Elke huisartsenpraktijk is immers in de basis een private onderneming die winst maakt.’
Van der Weert is bijna aan het eind van zijn belronde. Van de 3.700 patiënten in de praktijk kent Van der Weert inmiddels zo’n 80 procent, schat hij. ‘Dankzij de nummerherkenning van het systeem zie ik wie er belt. Soms weet ik al voor het gesprek begint wat er aan de hand is en of het ernstig is.’ Zoals bij de volgende beller. ‘Deze mevrouw belt elke week. Behalve als de zon schijnt, dan ligt ze op het strand.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden