Amir is thuis in zijn flat als de deurbel gaat. De dertiger – altijd in jeans en met z’n donkerblonde haar in een knotje – is in april 2021 net begonnen aan zijn tweede baan in Nederland, bij een internationaal bedrijf voor online werkruimtes. Twee jaar eerder kwam hij als kennismigrant uit Iran, waar hij moeite had de eindjes aan elkaar te knopen en zuchtte onder het repressieve regime. Nu verdient hij een topsalaris en is hij gelukkig in Amsterdam, samen met zijn vrouw en zijn zoontje van een ruim 1 jaar oud.
‘Politie, doe open!’, hoort Amir roepen. ‘Misschien is er iets bij de buren’, schiet door zijn hoofd als hij naar de voordeur loopt. Maar als hij opendoet, blijken de twee agenten voor hem te komen. Ze geven hem een brief van immigratiedienst IND. De situatie is onoverzichtelijk en chaotisch. Amir hoort dat hij ‘twee weken’ de tijd krijgt om Nederland te verlaten. In de brief staat dat hij een gevaar is voor Nederland, dat zijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken en dat hij twintig jaar uit de Europese Unie wordt verbannen.
Huib Modderkolk is onderzoeksjournalist bij de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cybersecurity en inlichtingendiensten. Hij won meerdere journalistieke prijzen en is onder meer auteur van het boek Het is oorlog maar niemand die het ziet. Eerder werkte hij bij NRC.
Verbouwereerd vraagt hij wat er aan de hand is. Dan merkt hij in de verte zijn vrouw en zoontje op, die enthousiast terugkomen van een wandeling in het park – totdat ze de politie zien staan. De blik van zijn vrouw verstart. Amir staat aan de grond genageld. Emmers ijskoud water blijven voor zijn gevoel over hem heen stromen. Met ieder woord van de agenten voelt hij zijn toekomst in Nederland wegglippen. Zijn vrouw huilt, schreeuwt. De agenten vertrekken en Amir blijft achter met de brief in zijn hand.
Volgens inlichtingendienst AIVD is Amir, vanwege zijn veiligheid een alias, betrokken geweest bij een Iraanse statelijke hackgroep en vormt hij daarom een gevaar voor de nationale veiligheid. De dienst heeft die informatie via een ambtsbericht gedeeld met de IND. Elk jaar worden enkele personen gedwongen Nederland uitgezet na zo’n AIVD-ambtsbericht. Vrijwel altijd gaat het daarbij om terrorismezaken. De zaak van Amir wijkt daarvan af en markeert een nieuw aandachtsgebied van de AIVD: de bescherming van kennis en technologie.
Inlichtingendiensten signaleren al enkele jaren ‘op grote schaal’ activiteiten om in Nederland hoogwaardige technologie te bemachtigen. Technici uit landen als Rusland, China en Iran die in de it-sector komen werken, worden daarom kritischer bekeken. De IND en AIVD bevestigen dat dit zorgt voor meer uitzettingen, maar verstrekken geen concrete cijfers. ‘Meer aandacht is meer zien’, wil een woordvoerder van de AIVD enkel kwijt.
Maar de zaak van Amir toont ook aan wat de keerzijde kan zijn van de intensievere strijd tegen spionage door vreemde mogendheden. Het risico is dat goedwillende technici, die Nederland zo hard nodig heeft om de internationale concurrentie het hoofd te bieden, te maken krijgen met institutioneel wantrouwen. Hoe zorgvuldig gaat de AIVD daarbij te werk? Kan iemand die de schijn tegen heeft, zich eerlijk verdedigen? De Volkskrant kreeg inzage in het dossier van Amir, sprak de Iraniër meermaals en raadpleegde experts in binnen- en buitenland om zijn zaak te reconstrueren.
Dolblij is Amir als hij in het voorjaar van 2019 via een recruiter een online test mag doen bij een Amsterdams softwarebedrijf. Daar zijn ze naarstig op zoek naar technische talenten. ‘We moesten in één klap zeven nieuwe programmeurs hebben’, vertelt zijn werkgever van destijds, die vanwege de gevoeligheid rond spionage liever anoniem blijft. Specialisten die in Nederland lastig te vinden zijn. Daarom kijkt het bedrijf over de grens. Eerder hebben ze een Iraanse vrouw aangenomen. De manager: ‘Naar tevredenheid.’
Amir slaagt met vlag en wimpel voor de test. ‘Hij kwam er heel goed uit.’ Dat beaamt ook zijn latere teamleider Robin. ‘Een waanzinnig slimme jongen.’
De Iraniër komt voor een proefperiode naar Nederland. In Iran heeft hij nauwelijks een toekomst: de economische vooruitzichten zijn er slecht. Hij werkt als zelfstandig programmeur voor verschillende klanten. Banken, verzekeraars, een autobedrijf. Het zijn klussen die veelal via-via verstrekt worden, waarbij tussenpersonen een deel van de winst opstrijken. Zijn vrouw is op dat moment zwanger, het stel heeft het niet breed. Amir maakt zich zorgen. Door de stijgende prijzen vervallen miljoenen Iraniërs in armoede. De jonge programmeur werkt zich een slag in de rondte.
In Amsterdam onderkennen ze direct zijn talent. Amir beschikt over kwaliteiten die de andere programmeurs niet hebben, ontdekt zijn teamleider. ‘De meesten knopen bestaande code aan elkaar. Amir was in staat om zelf iets te bedenken en vervolgens zelf de code te bouwen.’ Hij vraagt de Iraniër voor een van de belangrijke projecten: het bouwen van een mobiele applicatie voor een grote Nederlandse vervoerder. Amir verhuist ondertussen van een tijdelijk appartement bij de Sloterplas naar een flat in Amsterdam-Zuidoost. Zijn vrouw en pasgeboren zoontje komen over. Het gezin voelt zich snel thuis in Nederland.
Wanneer het stel in december 2020 op familiebezoek is in Iran, krijgt de leidinggevende van Amir een merkwaardig telefoontje. ‘Ik wil iets bespreken’, zegt een onbekende stem. De man kan niet zeggen waar het over gaat. De werkgever denkt dat hij te maken heeft met een potentiële klant en stemt in met een afspraak in een hotel. Daar ontmoet hij twee mannen die zich identificeren als AIVD’ers. De oudste, een man van rond de 50, neemt het woord en legt uit dat de AIVD net een spionagenetwerk heeft opgerold.
Een inlichtingenofficier van de Russische buitenlandse dienst SVR had meerdere bronnen in Nederland gerekruteerd: mensen die hij betaalde voor toegang tot kennis over kunstmatige intelligentie, nanotechnologie en microchips. De Rus wordt, samen met een eveneens spionerende collega op de Russische ambassade in Den Haag, op het vliegtuig naar Moskou gezet.
‘Deze spionagezaak heeft zeer waarschijnlijk schade toegebracht aan de Nederlandse economie en de nationale veiligheid’, stelt AIVD-hoofd Erik Akerboom in het begeleidende persbericht. De AIVD signaleert ‘steeds vaker’ dreigingen tegen de economische veiligheid. Vooral digitaal, middels omvangrijke cyberaanvallen, soms ook fysiek. Landen die zich hieraan schuldig maken: China, Rusland en, in mindere mate, Iran.
China vormt daarbij de ‘grootste bedreiging’, en heeft interesse in communicatie-, ruimte- en maritieme technologie. Het land probeert via studenten en wetenschappers bij Nederlandse universiteiten aan kennis te komen. Rusland heeft tevens interesse in de energiesector en kunstmatige intelligentie. Terwijl Iran zich van oudsher focust op technologie voor het nucleaire programma. Af en toe loopt iemand tegen de lamp, zoals de 28-jarige Rus Ivan Agafonov, die bij de TU Eindhoven onderzoek deed naar kwantumfysica. Of een Iraanse wetenschapper, die informatie probeerde te stelen bij een technische universiteit.
Gealarmeerd door het netwerk van de Russische inlichtingenofficier, doet de AIVD ‘een rondje langs de velden’, zegt de oudere AIVD’er in het hotel tegen de werkgever van Amir. Het Amsterdamse softwarebedrijf waarvoor Amir werkt heeft met betaaldienst Adyen, databedrijf Graydon en telecompartij T-Mobile interessante klanten. De AIVD’er: ‘We zijn beducht voor mensen uit China, Rusland en Iran. Speelt dat bij jullie?’
De manager vertelt over de, inmiddels drie, Iraanse programmeurs. ‘Is er iets afwijkends voorgevallen?’ Nee, antwoordt hij. De AIVD’er vraagt door. Dan herinnert de manager dat Amir een keer problemen had in Iran met zijn paspoort. ‘Dat is precies het soort informatie dat we zoeken’, zegt de oudere AIVD’er. ‘Er was niks verdachts’, zegt de manager nog. Maar de AIVD-medewerkers zijn, zo vertelt hij later, zichtbaar gealarmeerd door zijn opmerking.
Als Amir een kleine twee weken later na het familiebezoek langs de douane op Schiphol gaat, neemt de marechaussee hem naar een kamer. Daar arriveert vijf minuten later een man die zegt dat hij Tim heet en bij de beveiliging hoort. Hij stelt een paar vragen. Waar woon je? Waar werk je? Hij noteert ook zijn contactgegevens. Enkele weken later belt deze Tim en zegt dat hij de hulp van de Iraniër nodig heeft. Amir weet niet wat hij kan verwachten en vraagt zijn echtgenote en teamleider om advies. Die denken, net als hij, dat de man bij Schiphol hoort en zien geen kwaad in een afspraak. Tim stuurt kort van tevoren de locatie: het Mövenpick Hotel in Amsterdam.
Daar vertelt Tim – vermoedelijk een schuilnaam – dat hij bij de AIVD werkt. Een opmerking waar de Iraniër van schrikt. Hij weet dat het gevaarlijk is om met de Nederlandse inlichtingendienst te praten. Als Iran erachter komt dat hij een ontmoeting had met een AIVD-agent, kan dat zijn doodvonnis betekenen. Amir keert regelmatig terug naar Iran voor zijn moeder en heeft al eerder problemen gehad met het regime.
Hij was gearresteerd bij een demonstratie tegen de verkiezing van de toenmalige president Mahmoud Ahmadinejad. Bij een later bezoek aan het land was zijn paspoort om onduidelijke redenen afgepakt. Hij kreeg het pas terug na een gesprek bij het ministerie van Inlichtingen. Ze wilden onder meer weten waarom hij in Moskou was geweest. Hij legde uit dat het een tussenstop betrof op weg naar Schiphol. Het was de goedkoopste vlucht die hij kon vinden.
Amir had in 2017 tevens ruzie gehad met een man genaamd Farzin Karimi. Deze Karimi was een begaafde docent bij een bekend Iraans kennisinstituut, NooraNet. Amir had daar zeven cursussen gedaan op het gebied van hacken en digitaal forensisch onderzoek. Een kans die hij kreeg dankzij een nieuwe klant – een man waarvan Amir toen dacht dat hij weliswaar bij de Iraanse overheid hoorde, maar het kwam niet bij hem op dat het ging om iemand van een Iraanse geheime dienst. Amir vermoedde dat hij werd ingezet als ethisch hacker. De klant gaf hem speciale opdrachten: kon de jonge programmeur de digitale beveiliging van een Iraans ministerie kraken? En lukte hem dat ook bij de website van een hotel?
Hij leerde snel. Daarop vroeg de klant of hij ook de mailsystemen van terreurorganisatie IS kon hacken. Amir twijfelde, hij begreep dat dit verder ging dan ethisch hacken – het binnendringen van een netwerk om de kwetsbaarheid ervan aan te tonen. Hij stemde desondanks toe, omdat hij IS verachtelijk vond en dacht terreurdaden te kunnen voorkomen.
Zijn oude docent Karimi was ook bij het IS-project betrokken, maar de twee Iraniërs lagen elkaar totaal niet. Karimi trok de leiding naar zich toe. Na enkele maanden vertrok Amir. De code waaraan hij werkte om in het mailsysteem van IS te komen, was toen nog niet af en ook niet gebruikt.
In het Amsterdamse Mövenpick wil de AIVD-medewerker alles van deze periode weten. Als Amir twijfelt uit angst voor zijn veiligheid, biedt ‘Tim’ aan hem te betalen. ‘Ik hoef dat geld niet. Ik hou van een eerlijk verdiend inkomen’, antwoordt de Iraniër.
De AIVD’er probeert Amir gerust te stellen. ‘Ik maak aantekeningen op papier, niets komt in een digitaal systeem’, zegt de medewerker volgens Amir. Dan begint Amir te vertellen.
De Iraniër ziet geen kwaad in wat hij deed. Hij vertelt daarom open over het contact met de overheidsklant en de ruzie met Karimi. Hij legt uit hoe hij een code moest aanpassen, maar voortijdig stopte met het project. Hij zegt ook dat hij veel later, in Nederland, op een website las dat Karimi het verkeerde pad op was gegaan en was ontmaskerd als een hacker van het Iraanse regime. Hij had tevens gelezen dat er een groep genaamd MuddyWater was die digitale aanvallen uitvoerde in het Midden-Oosten. Acties die Amir, zegt hij tegen Tim, veroordeelt. De code die zij gebruikten, leek op de software waaraan hij ooit had gewerkt. ‘Maar die heb ik zelf nooit ergens voor ingezet’, benadrukt hij.
‘Was je ook lid van MuddyWater?’, vraagt de AIVD’er.
‘Nee’, antwoordt Amir. ‘Ik ken de hele groep niet.’
De AIVD’er toont een foto van Karimi en Amir, genomen bij kennisinstituut NooraNet. ‘Na elke cursus namen we een foto met de docent’, verklaart de Iraniër. De directeur van het instituut bevestigt dat later in een brief aan de IND. Hij schrijft dat alle foto’s van Karimi zijn weggehaald vanwege diens ‘onprofessionele gedrag’.
De AIVD’er dankt de Iraniër telkens voor zijn hulp. Ze hebben in totaal drie uitgebreide afspraken, waarin de spontane en open Amir uren vertelt en alles deelt wat hij weet. De AIVD’er zegt dat Amir Nederland goed helpt. Niemand mag van de gesprekken weten, drukt hij hem op het hart. Amir besluit zelfs zijn echtgenote niet in te lichten. De laatste keer, op 5 april 2021, vraagt de Iraniër wat hij moet doen als de Iraanse inlichtingendienst naar zijn ontmoetingen met de AIVD vraagt. Tim geeft hem desgevraagd tips.
Vijftien dagen later staan de agenten bij Amir voor de deur, en hoort hij dat hij Nederland moet verlaten. Volgens de AIVD was hij ‘betrokken’ bij hackgroep MuddyWater en heeft hij ‘spionagemalware’ ontwikkeld, vermeldt het ambtsbericht. Omdat hij werkzaam is in de IT-sector is hij een gevaar voor Nederland. Verbijsterd hoort Amir het aan. ‘Vraag Tim’, zegt hij tegen de politieagenten. ‘Die weet hoe het zit.’ Hij pakt het nummer van de AIVD’er erbij, belt hem maar krijgt een voicemail en zal nooit meer iets horen van Tim. Hij gaat direct in beroep maar de IND handhaaft zes weken later het besluit.
Amir lijkt de schijn tegen te hebben – op basis van zijn verhaal zou je denken dat hij zich gemakkelijk voor het karretje heeft laten spannen van de Iraanse inlichtingendienst. Toch valt er ook veel aan te merken op de stelligheid van de AIVD. Hoe weet de dienst bijvoorbeeld zeker dat hij ‘betrokken’ was bij MuddyWater? Amir zegt de hackgroep niet te kennen.
In Iran is het niet ongebruikelijk dat de overheid slimme programmeurs klussen laat doen zonder dat zij bekend zijn met de werkelijke opdrachtgevers. Dat beaamt Alex Hinchliffe, technisch analist bij het Amerikaanse Palo Alto dat in 2017 als een van de eersten over MuddyWater publiceerde. Hij zegt dat ‘heel moeilijk te bewijzen valt’ of iemand deel uitmaakt van zo’n hackgroep. ‘Sommige programmeurs weten dat zelf niet eens.’ Geen enkel geraadpleegd beveiligingsbedrijf dat onderzoek deed naar MuddyWater was de naam van Amir eerder tegengekomen.
Daarnaast stelt de AIVD dat Amir ‘spionagemalware’ ontwikkelde. Krijn de Mik, hackexpert bij digitaal beveiligingsbedrijf Hunt & Hackett, heeft die code bekeken. ‘Dit kun je niet kwalificeren als spionagemalware’, zegt hij. Hij legt uit dat die specifieke code gebruikt wordt om toegang te krijgen en te houden tot een computersysteem. ‘Maar het doel van toegang forceren blijkt niet uit de code. Het is dus voorbarig om te zeggen dat het spionagemalware betreft.’ Amir zelf zegt daarover: ‘Ik ben er niet verantwoordelijk voor als anderen onethische dingen doen met die code.’
Een belangrijke afweging voor de AIVD, die geen vragen over de zaak wil beantwoorden, lijkt het feit dat Amir werkzaam was in de Nederlandse IT-sector.
In feite komt dat neer op een risico-afweging, want uit niets blijkt dat de AIVD iets heeft ontdekt dat wijst op mogelijke spionage in de twee jaar dat Amir voor het Amsterdamse softwarebedrijf werkte. Het lijkt erop dat de dienst iemand die de schijn tegen heeft, het nadeel van de twijfel geeft, waar in bijvoorbeeld strafzaken het omgekeerde geldt: iemand is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Dat dit een grijs gebied is, merkte ook wetenschapsjournalist Saar Slegers, die een podcast maakte over het Nederlandse kennisveiligheidsbeleid. ‘Discriminatie ligt op de loer’, zegt zij tegen het Twentse universiteitsblad U-Today. ‘Afdelingen weren Chinezen en Iraniërs nu al liever om gedoe te voorkomen.’
Eenderde van de onderzoekers bij de TU Delft komt bijvoorbeeld van buiten de EU. Vanaf 2025 worden die door het ministerie van Justitie en Veiligheid gescreend als ze werken op gevoelige vakgebieden, zoals kunstmatige intelligentie. Ze moeten dan een lijst opstellen van wie ze kennen bij hun thuisuniversiteit. Wat gebeurt er met die informatie en hoe wordt die geïnterpreteerd? Wetenschappelijk genootschap KNAW, tegenstander van zo’n landelijke screening, waarschuwt in een paper voor het risico van uitsluiting en discriminatie.
Liesbeth Holterman van brancheorganisatie Cyberveilig Nederland herkent het dilemma. ‘Als je in een bepaald land geboren bent, kun je hier lastiger werken.’ Zij krijgt regelmatig vragen van bedrijven hoe om te gaan met technisch talent uit China, Iran en Rusland. Haar advies: ‘Als je te maken hebt met staatsgeheime informatie of klanten hebt in de vitale infrastructuur, moet je voorzichtig zijn.’ Zij ziet ook dat bedrijven risico’s mijden. ‘Sommige nationaliteiten worden sneller geweigerd.’
Daarbij is ook sprake van selectief beleid. Er komt bijvoorbeeld de laatste jaren veel technisch talent uit Oekraïne. Omdat dat land niet als risicovol wordt gezien door de AIVD, worden die personen met open armen ontvangen. Terwijl er in theorie mensen tussen kunnen zitten met verkeerde intenties.
‘Een goede programmeur is per definitie een goede hacker. Dat wil niet zeggen dat hij een gevaar vormt’, zegt Robin, de voormalig teamleider van Amir. Hij is onthutst over de uitzetting en richtte zich in een brief tot de IND. ‘Ik hoop dat het uitgangspunt ‘onschuldig tenzij anders bewezen’, wordt gehanteerd’, schreef hij.
Advocaat Florimond Wassenaar, niet betrokken bij deze zaak, heeft veel ervaring met uitzettingen na een AIVD-ambtsbericht. Instanties als de IND nemen een ambtsbericht voor waar aan, zegt hij. Dat hoeft niet te betekenen dat het onderliggende bewijs keihard is. ‘Ik heb meegemaakt dat een ambtsbericht deels was gebaseerd op een melding bij Meld Misdaad Anoniem.’
Het bijzondere bij deze zaak vindt hij dat het erop lijkt dat Amir zichzelf belastte in de gesprekken met de AIVD. Dat hij weigerde geld aan te nemen en daarmee zijn status als informant niet heeft bestendigd, heeft zijn zaak niet makkelijker gemaakt, denkt Wassenaar. ‘Als hij dat wel had gedaan, was de AIVD misschien terughoudender geweest met het opstellen van een ambtsbericht.’
De vrijwel onmogelijke opgave voor personen zoals Amir is de omgekeerde bewijslast: zij moeten aantonen dat de AIVD-informatie onjuist is. Kennisinstituut WODC concludeerde in 2019 in een rapport dat burgers bij AIVD-ambtsberichten ‘minder rechtsbescherming’ toekomt. Ze hebben geen recht op inzage in hun dossier en er vindt slechts een marginale rechterlijke toetsing – want achteraf – plaats.
De voormalig leidinggevende van Amir, die de AIVD in een hotel op het spoor van Amir zette, heeft een vervelend gevoel overgehouden aan het contact met de dienst. ‘Ik voel me schuldig.’ Hij zag hoe kapot en verdrietig de Iraniër was toen hij hoorde dat hij Nederland uit moest. Dat hij een gevaar is, gaat er bij de werkgever niet in. ‘Hij kon niet bij gevoelige systemen. Dat heb ik de AIVD ook uitgelegd.’ Hij omschrijft de programmeur daarnaast als ‘goudeerlijk’.
Tweeënhalf jaar na zijn uitzetting buigt een rechter zich op 12 december voor het eerst over zijn zaak. De Iraniër, met vrouw en kind woonachtig buiten Europa en niet welkom bij zijn rechtszaak, is ontgoocheld over de Nederlandse handelswijze. ‘Hoe kan ik zijn uitgezet zonder bewijs? Ik wil mezelf kunnen verdedigen.’ Hij werkt nog steeds, digitaal, voor een Nederlands bedrijf. Het derde inmiddels.
In 2022 won hij bij zijn werkgever de interne competitie voor ‘beste programmeur’. De glazen trofee kon hij echter niet in ontvangst nemen. Zijn nieuwe werkgever nodigde hem onlangs uit om naar het jaarlijkse personeelsfeest te komen. Amir: ‘Het is zo verdrietig. Ik kan niet komen en moet telkens een excuus bedenken.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden