Zie hem zitten in zijn fluwelen jasje, een witte veer in de baret, champagneglas in de hand, zijn charmante Saskia op schoot. We tekenen het jaar 1635 en de 29-jarige Rembrandt van Rijn – we mogen Rembrandt zeggen – portretteert zichzelf als succesvolle schilder, gelukkige echtgenoot en bon vivant; zeker niet als de molenaarszoon van armlastige komaf die zich omhoog had getrouwd, zoals later wel werd beweerd.
Zijn achtergrond is genoegzaam bekend. Geboren in 1606. Gestorven in 1669. Kind uit de gegoede burgerij (vader was niet armlastig, maar ondernemer en mede-eigenaar van een molen in Leiden), vier jaar Latijnse school, twee jaar universiteit en een gedegen vakopleiding bij Pieter Lastman en Jacob van Swanenburg. Groot psycholoog die zijn modellen als met een röntgenstraal kon doorzien, niet bang om de kleuren met een paletmes op het linnen te smeren; familieman die de slapende Saskia of zijn peinzende zoon Titus zo treffend wist te vereeuwigen. En bovenal: maker van Neerlands befaamdste schilderij, de Nachtwacht.
Over de auteur
Rutger Pontzen is sinds 2002 kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant en schrijft over zowel oude en moderne als hedendaagse kunst.
Er zijn boekenkasten over deze penselende molenaarszoon volgeschreven, een half dozijn biopics op celluloid vastgelegd, talloze bustes en beelden van hem gemodelleerd, honderden tentoonstellingen van zijn schilderijen, etsen en tekeningen in binnen- en buitenland te zien geweest, maar niemand heeft definitief de vinger op de man kunnen leggen. Elke zoveel decennia wisselt hij van gedaante of zijn er redenen en belangen om hem een ander imago aan te meten.
Wie was hij, of beter, wát was hij eigenlijk? Het rusteloze schildergenie waarvoor iedereen hem houdt of een nukkige kliederaar, brute vrouwenversierder, geldverspiller en sociale opportunist? Museum Rembrandthuis in Amsterdam wijdt vanaf dit weekeinde een tentoonstelling aan de verschillende manieren waarop Rembrandt door de tijd is ‘geframed’, en prikt ondertussen enkele mythen door die over hem de ronde doen. V onderscheidt vijf versies van Rembrandt.
Als het om marketing en framing van Rembrandt gaat, was de schilder zelf de eerste die dat ter hand nam. Hij besefte maar al te goed dat wie zich een status van succesvolle man wilde aanmeten, die ook vol overtuiging moest uitdragen. Zijn pose van zelfverzekerdheid en de rijkdom van fluwelen kledij en kanten kragen, alles weergaloos in zijn portretten uitgebeeld, waren een visitekaartje en de beste advertentie: ‘Koop mijn werk!’
Rembrandts succes was het succes van de 17de eeuw. Hij was van die ‘gouden’ eeuw niet alleen het product, maar ook een representant – misschien wel de belangrijkste. In de onderlinge concurrentie tussen de kunstenaars vocht hij zich een weg naar boven. In alles belichaamde hij de top: de beste opdrachtgevers, vrienden uit de hoogste kringen, de hoge prijzen die hij voor zijn werk kon krijgen, het grote huis aan de Jodenbreestraat (nu Het Rembrandthuis).
Dat er in de decennia na zijn overlijden zuinigjes, zo niet kritisch over hem en zijn schilderijen wordt geschreven, lag aan de nadruk op de laatste levensjaren van de schilder: failliet, onder curatele, niet altijd even productief, vervreemd geraakt van belangrijke opdrachtgevers. Bovendien hield hij zich op met lieden uit de lagere kringen, had hij een kind uit een ongetrouwde verbintenis (‘hoererij’), plus de zware verdenking dat hij zijn kindermeisje en maîtresse, Geertje Dircks, had laten opsluiten in een spinhuis in Gouda, waar Rembrandt haar zo lang mogelijk probeerde te laten houden en anderen ontraadde haar te bezoeken, daar tussen de prostituees en drankverslaafden.
18de-eeuwse schrijvers als Arnold Houbraken bouwden voort op het sombere sentiment dat Rembrandt een parvenu was, een golddigger die zich had ingetrouwd in een rijke familie: Saskia’s vader Rombertus Uylenburgh was burgemeester van Leeuwarden geweest; oom Hendrick Rembrandts kunsthandelaar en buurman. En een van de hardnekkigste krassen op Rembrandts blazoen was het ‘feit’ dat de Nachtwacht (geschilderd in 1642) destijds een mislukking was geweest, want bekritiseerd en beschimpt door de geportretteerden, en dat hij daarna een tijd weinig tot niets presteerde of verkocht.
De Nachtwacht-affaire bleek een bevestiging van dat andere ‘feit’: dat Rembrandt niet kon omgaan met zijn opdrachtgevers. Dat hij te eigengereid was, een te driftig, volks karakter bezat en daarom geen opdrachten meer kreeg. En dat paste weer in het beeld dat hij, naast allerlei beroemdheden, ook pissende mannen en vrouwen afbeeldde, bedelaars in lompen en wasvrouwen met ‘slappe borsten, verwrongen handen en striemen van het keurslijf op de buik en de kousenband om het been’, zoals de dichter Andries Pels twaalf jaar na Rembrandts verscheiden schreef. Schande! Kwam bij dat de pasteuze manier van schilderen in de classicistische 18de eeuw voor klodderig en on-academisch werd gehouden.
(Overigens zijn bovenstaande mythes al een tijdje geleden ontzenuwd. Er waren andere redenen voor de windstilte rond Rembrandt na zijn Nachtwacht, zoals de dood van Saskia, op 29-jarige leeftijd, en de verslechterde economie, mede dankzij de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog. )
In 1852 werd Rembrandts standbeeld in Amsterdam in aanwezigheid van koning Willem III onthuld, weliswaar tien jaar nadat in Antwerpen Peter Paul Rubens dezelfde eer had gekregen, maar toch. Nationalisme en patriottisme waren sleutelbegrippen in de 19de eeuw. Denk aan de eenwording van Duitsland en Italië en de onafhankelijkheid van België. Denk ook aan Nederland, dat eerder van losse provincies aan elkaar hing en nu op zoek was naar nationale symbolen van die eenheid.
Dat de keuze op Rembrandt viel en niet op Johannes Vermeer (te onbekend), Frans Hals (te Haarlems) of Jan Steen (te platvloers) was begrijpelijk. Rembrandt was een alleskunner: schilder, tekenaar en graficus met onderwerpen als landschappen, (groeps)portretten, stillevens en genre- en historiestukken; bovendien grootverdiener en in de 17de eeuw de ‘vaandeldrager’ van de artistieke elite.
De herontdekking van Rembrandt lag ’m ook in de schilderstijl die in de 19de eeuw en vogue was: het impressionisme. De losse toets en dito verfaanbreng van de Nederlander, en het alledaagse realisme, waren een voorbeeld voor schilders als Manet, Pissarro en Degas. Vincent van Gogh schreef bij het zien van Rembrandts Het Joodse bruidje aan zijn broer Theo: ‘Wat een intiem, wat een oneindig sympathiek schilderij.’
Magistraal hoogtepunt in de heldenverering was de opening, in 1885, van het Rijksmuseum, waarin Rembrandts Nachtwacht als het stralend middelpunt werd gepresenteerd, alsof het gebouw, als een kerk met hoogaltaar, speciaal om het schilderij heen was ontworpen. 21 jaar later volgde deel twee van de heiligverklaring met een herdenkingstentoonstelling, een vijf dagen durend ‘verheffend volksfeest’ plus een heuse Rembrandtsymfonie en Rembrandtbijbel, bij het 300ste geboortejaar van ‘onzen Rembrandt’.
Wat voorheen tegen de schilder pleitte, werd nu in een ander, gunstig daglicht geplaatst. ‘Het is mogelijk, dat Rembrandt met eenvoudige en geringe burgers in aanraking is gekomen, ja zelfs dat hij deze gezocht heeft, zonder dat hem dit tot oneer strekte’, schreef de Amsterdamse stadsarchivaris Pieter Scheltema al drie jaar na de onthulling van Rembrandts standbeeld. Een kliederaar? Nee, eigenzinnig! Volks? Menselijk! Ongepast subjectief? Nee, mondig en geniaal! Grappig overigens, dat het Rijksmuseum pas in 1900 zijn eerste schilderij van Rembrandt aankocht.
Had je hem een baret op gezet en penseel en palet in de hand gegeven, Ernst van de Wetering (1938-2021) was bij leven de beste Madame Tussauds-imitatie van Rembrandt geweest. De eerbiedwaardige kunsthistoricus wist zo veel van de kunstenaar en probeerde zozeer in diens hoofd te kruipen dat hij zich haast met Rembrandt moet hebben vereenzelvigd. Zo’n vijftig jaar was hij betrokken bij het roemruchte Rembrandt Research Project (RRP) dat in de wildgroei van ‘Rembrandts’ echt van onecht probeerde te onderscheiden. Van de vermeende 611 Rembrandts bleven er 340 over.
Van de Wetering en de zijnen telden draden in het linnen en nerven in een houten paneel, vergeleken onderschilderingen en signaturen, namen verfmonsters, maakten röntgenfoto’s en bestudeerden oude teksten. Rembrandt werd teruggebracht tot het ambacht en het artistieke vernuft waarmee hij groot was geworden. Want man, man, man, wat kon die Rembrandt schilderen, zal Van de Wetering regelmatig hebben gejubeld.
Plots verdween Rembrandt als mislukt personage naar de achtergrond. Dat hij maar kort getrouwd was geweest, twee maîtresses erop na had gehouden, kinderen had verloren (ook Titus), ruzie had gemaakt met opdrachtgever en vriend Jan Six, zijn inboedel had moeten verkopen, Van de Wetering hoorde je er niet over.
De uitkomsten van het RRP moeten voor menig museum (met Rembrandt-neppers aan de muur) een ontnuchtering zijn geweest, maar voor veel kunstliefhebbers een feest. Eindelijk werd hij weer als schilder gewaardeerd. De man die zocht én vond, zoals Van de Wetering hem presenteerde. De kunstenaar die als een schilderende Paganini improviseerde en steeds een nieuwe, revolutionaire weg insloeg. Een duivelse verfacrobaat.
Van de Weterings ontnuchterende zoektocht nam niet weg dat de tragische kant van schilder een onuitroeibaar leven in de beeldvorming van de schilder bleef leiden. Met name in de 20ste (en de 21ste) eeuw, dankzij het nieuwe medium dat die beeldvorming massaal wist uit te dragen: film. In de eeuw van de cinema richtte menig regisseur graag de lens op de schilder (tot nu toe zes keer), juist dankzij dat veronderstelde drama in het kunstenaarsleven, plus natuurlijk dat beroemde, filmische licht-donker in zijn schilderijen.
Drama dat op verschillende manieren op het filmdoek werd verbeeld. Natuurlijk door de hardnekkige Nachtwacht-mislukking, de verminderde aandacht voor zijn werk en de armoede waarin zijn leven eindigde. Het grote publiek moet van de kunstenaar een beeld hebben gekregen van een eeuwige drinker – romantische keerzijden van zijn heldendom die met veel gevoel voor clair-obscur en inzoomen werden uitgelicht.
Dat Rembrandts drama ook met een minder romantische verhaallijn verfilmd kon worden, bewezen twee Duitse films, Die Tragödie eines Grossen (1920) en Ewiger Rembrandt, uit 1942. De nazi-regisseur Hans Steinhoff en zijn antisemitische collega Arthur Günsberg legden de nadruk op een vermeende Joodse samenzwering om de schilder failliet te laten verklaren – en daarmee zijn grote naam te ondermijnen.
Inmiddels is Rembrandt gedemocratiseerd, passend in onze tijd, waarin helden vooral ook worden gewaardeerd om hun menselijke trekjes. Want Rembrandts leven mag dan lang niet altijd een succesverhaal zijn geweest, ‘met woelige liefdesrelaties, geldzorgen, teleurstelling op professioneel gebied en het verlies van dierbaren’, zoals Rijksmuseum-directeur Taco Dibbits schrijft in het voorwoord van Jonathan Bikkers Rembrandt. Biografie van een rebel, ‘(...) veel van wat hij meemaakte, zou ons ook kunnen overkomen’. Geen rebel without a cause, maar with a cause.
De schilder straalt tegenwoordig niet meer de heroïsche deugdzaamheid uit, zoals een eeuw geleden, maar past beter tussen eigentijdse celebritykunstenaars als Woody Allen en Michel Houellebecq – niet bepaald sympathiek als mens, to say the least, wel groots in hun werk. Jonathan Bikker ging zelf zo ver door Rembrandts bruutheid tegenover Geertje Dircks te relativeren, omdat ze als ‘manipulatieve vrouw die het slechtste in Rembrandt naar boven bracht’ toch medeverantwoordelijk was voor haar opsluiting in Gouda, niet?
Rembrandt mag dan wel een genie én een hork zijn, hij is wel onze geniale hork. Liet het Rijksmuseum de laatste aanwinst van de schilder, De vaandeldrager, niet langs musea in alle provincies reizen? Hetzelfde museum dat samen met de NTR in het tv-programma Project Rembrandt op zoek is naar de nieuwe Rembrandt – onder amateurschilders. Terwijl in het Avrotros-programma Het geheim van de meester de Nachtwacht twee jaar geleden werd nageschilderd, op ware grootte, recht tegenover het echte nationale meesterwerk in de eregalerij.
Geen heiligschennis, eerder een ontnuchterende toe-eigening. Zoals in Museum Rembrandthuis zelfs een reconstructie van zijn stem te beluisteren is: raspend, een beetje hees, drammerig. Een mens zoals u en ik - maar dan net iets anders.
Framing Rembrandt, Museum Rembrandthuis, Amsterdam. 4 november t/m 5 februari.
‘Een krachtig eerherstel voor Rembrandts verguisde minnares.’ Dat schreef Theaterkrant over de voorstelling In de schaduw van Rembrandt die nu door Nederland toert, van theatermaker Julika Marijn. Onderwerp: rehabilitatie van Geertje Dirks. De tweede vrouw in het leven van Rembrandt werd ‘door hem gecanceld’, maar wordt in deze voorstelling door Marijn uit de vergetelheid gehaald. ‘Marijn walst op eloquente wijze tussen spel en historische lezing’, oordeelde de Volkskrant. Te zien t/m 21/12.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden