Wat blijft er nou precies over van de klachten over het gedrag van Khadija Arib? En verdient zij niet ook wat nazorg?
Een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van de Tweede Kamer kan nu hopelijk snel worden omgeslagen: eindelijk is het onderzoek klaar naar de anonieme klachten over het gedrag van voormalig voorzitter Khadija Arib. Omdat de onderzoekers van bureau Hoffmann, in hun streven om de anonimiteit van de klagers te garanderen, het wat omfloerst hebben opgeschreven, komt het van pas om hun bevindingen af te pellen tot de kale feiten uit de dinsdag gepubliceerde samenvatting van het onderzoek.
Alles begon vorig jaar met twee anonieme brieven aan het huidige presidium waarin zeventien situaties werden beschreven waarbij 24 mensen betrokken zouden zijn geweest. Daarover hebben de onderzoekers negentien gesprekspartners gehoord. Vijftien van hen verklaarden dat zij Arib als ‘een zeer bekwame voorzitter hebben ervaren die op momenten attent en betrokken was’.
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Zeventien van hen verklaarden dat Arib zich structureel mengde in beslissingen die eigenlijk de ambtelijke organisatie aangingen. Tien van hen verklaarden dat Arib functionarissen ‘rechtstreeks, in sommige gevallen met stemverheffing, heeft aangesproken’. Negen van hen verklaarden dat zij ‘nadien emotioneel hieronder hebben geleden’, ook omdat Arib weigerde haar excuses aan te bieden.
Drie van de zwaarste verwijten zijn ongegrond gebleken, schrijft Hoffmann. Er zijn geen mensen vertrokken alleen vanwege gedragingen van Arib. Er is ook niemand ontslagen omdat Arib een valse aantijging zou hebben gedaan. Sowieso is niemand op last van Arib ontslagen. Wel zijn er mensen ‘op uitdrukkelijk verzoek van Arib’ uit hun functie geplaatst, waarna zij een andere functie hebben gekregen.
Dat het niet altijd gezellig is geweest in en rond de voorzitterskamer, staat buiten kijf. Dat is ook niet vreemd, gezien de eerdere berichtgeving, ook in deze krant, over een al jaren durende strijd tussen de politieke en de ambtelijke leiding van de Kamer over wie het voor het zeggen heeft. Dat Arib in die jaren de uitdrukkelijke opdracht van de Kamer had gekregen om toe te zien op ‘meer verzakelijking en verdere professionalisering’ van het ambtenarenapparaat, speelde daarin ongetwijfeld een grote rol.
De vraag van vorig jaar of er sprake was van een veeleisende baas – zoals Arib het zelf ziet – of een intimiderende baas, is op basis van dit onderzoek nog steeds niet goed vast te stellen door mensen die er niet bij waren.
Dat het huidige presidium op basis van de aanvankelijke klachten reden zag om een onderzoek in te stellen, valt nog wel te begrijpen. De beschuldigingen waren ernstig, een organisatie kan zoiets niet zomaar negeren, al was het nog veel beter geweest als het presidium dit eerst intern had proberen op te lossen. Dat had veel schade kunnen voorkomen.
Maar zeker nu er na een jaar zo weinig van overblijft, is niet alleen nazorg geboden aan de betrokken ambtenaren, zoals het presidium dinsdag beloofde, maar zeker ook aan Arib, die het op basis van deze feiten niet heeft verdiend dat haar glansrijke politieke carrière op deze oneervolle manier is geëindigd.
Source: Volkskrant