Vlagen van de geur van koeienmest, lopen in de jaarlijkse carnavalsoptocht, altijd buiten spelen – journalist en programmamaker Nicole Terborg (46) groeide op in het Brabantse Cuijk, een dorp aan de westoever van de Maas. Ze had een fijne jeugd. ‘Totdat er spanningen tussen mijn ouders kwamen en mijn moeder in 1989 naar Amsterdam vertrok, zonder ons.’
Na de scheiding van haar ouders werd de 13-jarige Terborg naar haar tante Sonja in Amsterdam gestuurd, bij wie ze tot haar 19de woonde. Haar moeder, theatermaker en actrice Jetty Mathurin, verhuisde ook naar de hoofdstad, maar bij haar ‘mocht’ Terborg niet wonen.
Over de auteur
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant met bijzondere aandacht voor cultuur, literatuur en de Surinaamse en Caribische koloniale geschiedenis.
Terborg werd wat Surinamers een ‘kweekje’ noemen, het Surinaams-Nederlandse woord voor een kind dat niet opgroeit bij de eigen ouders maar bij andere familieleden of pleegouders. ‘Kweken’ betekent grootbrengen. Deze informele vorm van pleegzorg is een veelvoorkomend fenomeen in Suriname en onder Surinaamse Nederlanders, met name in de Afro-Surinaamse gemeenschap.
In de zesdelige verhalende podcast Kweekje, mi kwekipikin reconstrueert Terborg haar ‘kweekverhaal’. Ze leest oude dagboeken terug en beluistert krakerige cassettebandjes met stemmen uit het verleden; trans-Atlantisch bellen was zo duur dat mensen elkaar per post ingesproken bandjes stuurden. Ze praat met meer en minder toeschietelijke familieleden, andere kweekjes en experts. Het levert een gelaagde vertelling op over opvoeding, moeder- en ouderschap, maar ook over migratie, ontworteling en het koloniale verleden.
Het verhaal in de podcast ontvouwt zich met vaart en slimme cliffhangers, laverend tussen indringend, grappig, ontroerend en confronterend. Vooral de gesprekken tussen moeder en dochter – niet zelden gevoerd tijdens het bereiden van een maaltijd (Mathurin: ‘Ik was somber, in de war.’ Terborg: ‘Wat wil je dat ik met die tomaten doe, kleine blokjes?’) – doen de luisteraar naar het puntje van de stoel schuiven.
Ze willen beiden over de podcast vertellen, maar omdat Terborg de maker is, Kweekje, mi kwekipikin is háár verhaal, schuift Mathurin later aan (moeder en dochter wonen naast elkaar). Terborg praat snel en veel. Haar zinnen zijn informatiedicht, rijkelijk voorzien van bijzinnen en – ze is en blijft journalist – eindigen niet zelden met een wedervraag.
‘Ik weet hoe vreemd dat klinkt. Ik stel altijd vragen, vraag door, ook als het ongemakkelijk wordt. Ook bij mijn eigen familie. Ze worden af en toe gek van me, vinden me tactloos, onbehoorlijk. Ze vinden me daarin ontzettend Nederlands. Wat onzin is, want dat heeft niets met Nederlands of Surinaams zijn te maken, maar met je karakter en persoonlijkheid.
‘Ik ben erachter gekomen dat ik mijn kweektijd en mijn gevoelens daarover een beetje had weggestopt. Dat realiseerde ik me een aantal jaar geleden pas, tijdens een gesprek met een collega van de VPRO. Het ging over dingen die je graag nog eens zou maken of uitzoeken. Ineens hoorde ik mezelf zeggen: dat ik een kweekje ben. Want daar heb ik nooit vragen over gesteld aan mijn ouders en andere familieleden, terwijl ik álles aan ze vraag. Inmiddels was ik zelf moeder geworden, dat speelde ook mee. Mijn zoon is nu 11 en ik heb een tweeling van 7. Ik kan het me gewoon niet voorstellen dat ik mijn kinderen niet bij me zou houden...’
‘Dat raakte me onverwacht hard. Ik heb al meerdere keren gehad dat ik tijdens het monteren ineens begin te huilen, terwijl ik nooit huil. Ik heb mijn gevoelens over mijn kweektijd lang afgedaan als gezeur. Ik had het toch goed, mijn tante was lief voor me, ik heb een goede band met mijn ouders, wat heb ik nou helemaal te klagen?
‘Ik voelde voor het eerst dat ik mijn verdriet niet weg hoef te duwen. Mijn tweelingbroer en mijn zus mochten wel bij mijn vader in Cuijk blijven. Ik zal wel iets hebben gedaan waardoor ik het niet verdien om te mogen blijven, dacht ik.
‘Mijn tante was 29, werkte op de verloskundeafdeling, had geen kinderen. We deelden een tweepersoonsbed. Ik had geen eigen kamer. Daar schaamde ik me voor, dus nam ik geen vriendinnetjes mee naar huis. Mijn tante was een schat, er was altijd een gevulde provisiekast, ze liet me MTV kijken en ze had veel boeken die ik kon lezen, maar het was ook eenzaam.
‘Van een dorpje waar iedereen elkaar kent naar de stad is een overgang. Ik vond mensen hard, ook de kinderen. Brutaal. Iedereen vond me raar. De Surinaamse kinderen keken naar mij en dachten: die praat raar, met m’n Brabantse accent, en de witte mensen snapten ook niet waar ik nou vandaan kwam. Dat gevoel van vervreemding en ontheemding kwam tijdens het maakproces weer terug.’
Terborg was allesbehalve het enige kweekje in haar familie, ontdekt ze. Haar zus bleef als baby aanvankelijk bij oma in Suriname toen haar ouders naar Nederland kwamen, een jongere neef woonde jarenlang bij haar moeder. Ze vindt kweekjes tot wel zes generaties terug in haar stamboom. En niemand die ooit met een woord repte over het waarom. Ze verklaart het deels met de Surinaamse ‘meer autoritaire’ opvoedstijl. ‘Je moet naar een plek, je gaat naar een plek. Je bevraagt beslissingen van je ouders niet. Al denk ik dat dit voor oudere generaties in Nederland evengoed geldt.’
Gustaaf Terborg en Jetty Mathurin, Terborgs ouders, kwamen, zoals veel Surinamers, voor scholing naar Nederland. Het was een gangbare route, aangezien het hele onderwijssysteem in het overzeese koninkrijk gericht was op het moederland van de kolonie.
In de podcast reist Terborg, na er 22 jaar niet te zijn geweest, naar Suriname. Ze bezoekt er de voormalige houtplantage waar haar voorouders in slavernij leefden: Berlijn. Onder de Afro-Surinaamse plantagebevolking was een verwantschapsstructuur ontstaan die niet per se op bloedverwantschap was gebaseerd, leert ze. Niet-familieleden moesten wel voor elkaar zorgen om te overleven. Houtloggers werkten net als rubbertappers, gouddelvers en bauxietwinners vaak langdurig op grote afstand van hun thuis – ook ver na de afschaffing van de slavernij waren kerngezinnen vaak non-existent. Met op afstand werkende ouders waren het de bigisma, de ouderlingen, die de kinderen, kwekipikin, grootbrachten.
In de podcast beschouwt Terborg ook haar ‘tweedegeneratieschap’, als kind van twee Surinaamse ouders. Zelf weet ze goed wie ze is, zegt ze, terwijl ze een tosti maakt voor zoon Naeem, die zojuist met een slaperig hoofd de kamer in is gesloft (‘hij is net terug van kamp, heeft drie nachten niet geslapen’). Tegen Naeem: ‘Ga jij maar even naar oma.’
‘Ik ben én-én. En Nederlands, en Surinaams, en nog veel meer. Ook Brabants, journalist, moeder, vrouw, een liefhebber van opera. Al die dingen. Uiteindelijk is het belangrijkste hoe ik mezelf zie.’
Als een vrouw in haar vaste nagelstudio Terborg een bounty (zwart van buiten, wit van binnen) noemt , vindt ze dat pijnlijk. Haar moeder noemt haar en haar zus tata’s (Sranan voor Nederlander, eigenlijk ‘aardappel’). ‘Ik heb mijn verontwaardiging wel een beetje aangedikt hoor, voor het verhaal. Om te laten zien dat sommige mensen me ‘Nederlands’ noemen omdat ik met mijn podcast de vuile was buiten zou hangen.’
‘Het zijn ook dé experts op dit terrein. Ik heb drie studies gedaan; de zwarte docenten die ik heb gehad zijn op de vingers van een hand tellen. Om dan nu met alleen maar experts te praten die op mij lijken, was een soort droom. En het leverde ook grappige situaties op, want het is een klein wereldje. Ik was zenuwachtig om historicus Frank Dragtenstein te bellen, ik had gehoord dat hij zelden ingaat op interviewverzoeken. Dus ik bel, doe mijn verhaal, zegt hij: ‘Dag Nicole, ik heb bij je vader in de klas gezeten. Hoe is het met hem?’’
Haar vader, Gustaaf Terborg, komt in de eerste vijf afleveringen soms aan het woord. Terborg praat met hem over kwijtgeraakte cassettebandjes, over taal, maar niet over haar kweekschap. ‘Dat gesprek heb ik zo lang mogelijk uitgesteld. Ik heb hem een paar weken geleden pas gesproken. Ik was echt bang dat het niet zou lukken om hem met een recorder te spreken. Hij is niet zo’n prater, introvert, meer een observant. Hij was hier op bezoek, stond eerst twee uur in de keuken, dat doet hij altijd als hij komt, koken. Toen heb ik hem eindelijk zover gekregen. Maar ik heb als Brugman moeten praten.’
‘Je nek wordt dik’, zegt Terborg daarentegen in de eerste aflevering al tegen haar moeder Jetty Mathurin. Ze bedoelt: je wordt emotioneel. Het is het eerste gesprek tussen moeder en dochter, tijdens het bereiden van een djarpesi moksi alesi, een Surinaams gerecht met rijst en bonen. Terborg heeft haar moeder net aan de luisteraar geïntroduceerd als ‘die sterke zwarte vrouw die theaterdeuren heeft opengetrapt’. ‘In de kranten noemden ze haar de diva van het geëngageerde cabaret. Decennialang succesvolle solovoorstellingen, te zien op film en tv. Zo sterk als ze op het podium was, zo onzichtbaar was ze voor mij toen ze eind jaren tachtig haar gezin, ons, mij, achterliet.’
‘Ik wilde jullie niet achterlaten’, zegt Mathurin in de podcast. Terborg, scherp: ‘Waarom deed je het dan toch?’
‘Zij heeft jarenlang in interviews geroepen dat ze ons ‘telefonisch kon begeleiden’ en nu komt mijn kant van het verhaal naar buiten. Dat is ook confronterend.
‘Maar dat is het mooie van mijn moeder: ze vindt het pijnlijk, maar ze steunt en stimuleert me ook. Ze vindt dat je dingen juist moet openbreken en dat je verhalen moet vertellen. Dat heeft zij zelf ook altijd gedaan op het podium.’
‘We zijn heel close, wonen al jaren naast elkaar. We delen veel met elkaar, spreken elkaar elke dag. Maar er zit ook een soort spanning tussen ons, we kunnen ook echt vitten op elkaar. Vroeger verweet ik haar vooral dat ze me een kamer in haar nieuwe huis beloofde en dan kreeg ik toch weer geen kamer. Ik ben lang boos op haar geweest. Ik zei wel dingen als: ik kan me echt niet voorstellen wat jij hebt gedaan. Maar dat is geen gesprek. Ik stelde haar nooit echt vragen. Zal ik haar bellen, trouwens?’
Belt: ‘Ha Jetty, kun je komen? Ja, het duurde lang, haha. Doei.’
‘Ze praat veel, hè’, zegt Mathurin, als ze nog geen minuut later met haar eigen sleutel de voordeur opent. Terborg: ‘Moet je horen wie het zegt.’ Harde lach uit twee kelen.
Terborg: ‘Ja, die dubbele moraal. Inmiddels kan ik ook naar mijn moeder kijken en het bewonderenswaardig vinden dat ze voor zichzelf durfde te kiezen, dat ze haar goedlopende logopediepraktijk opzegde en voor het theater koos, ver voor de emancipatie uit. Het is in onze maatschappij nog altijd not done dat een moeder niet bij haar kinderen woont, dat ze haar moederschap anders invult, dat ze zegt: door weg te gaan kan ik een betere moeder zijn.’
Mathurin: ‘Dan ben je meteen de ontaarde moeder. Ze is met een man meegegaan, zo dacht men. Want een vrouw alleen doet dat niet.’
Terborg: ‘Dat was de roddel die rondging in het dorp.’
Mathurin: ‘Het heeft allemaal met de functie ‘moeder’ te maken. Zo word je als vrouw opgevoed. Je krijgt kinderen en voor hen ga je zorgen, dat is een keurslijf waarin sommige vrouwen zich opgesloten kunnen voelen.’
Terborg: ‘Ik ben er nu achter dat ze niet anders kon. Ze was echt ongelukkig.’
Mathurin: ‘Ik was het vergeten. Tot we naar die bandjes luisterden die Gustaaf, mijn ex-genoot, weer had gevonden.’
‘Ze heeft me vaak laten huilen, hoor. Maar ik vind het heel goed dat ze de podcast is gaan maken, dat vooral. We hebben een proces doorgemaakt. Ik ben beter naar haar gaan luisteren. Ik ben ook wel boos geworden, af en toe. Nicole zegt dat ik haar heb opgeofferd, daar ben ik het niet mee eens. Maar we zijn nooit lang boos, we praten het direct uit.
‘Te veel zaken blijven in families onbesproken. Ik herinner me nog hoeveel verdriet mijn eigen moeder had toen haar moeder overleed. Niet alleen vanwege haar dood, maar ook omdat ze zoveel dingen nooit had durven vragen. Zij was ook een kweekkind. Mijn oma ging naar Curaçao en liet mijn moeder achter bij haar moeder, mijn overgrootmoeder, en haar zus, in Suriname.’
‘Ik vond dat destijds intuïtief een logische stap, ik had Nicole gewoon ondergebracht bij een van haar vier moeders, dat zijn mijn drie zussen en ik. Eigenlijk heeft Nicole tijdens het maken van deze podcast het antwoord voor mij gevonden. Ze was de meest gevoelige, ze was altijd voor mij aan het zorgen. Glynis en Luc waren met andere dingen bezig, Nicole hield zich met ons bezig, met haar ouders. Ze ging dingen doen om mij te pleasen, opruimen, koken. Dat je je als kind verantwoordelijk voelt voor je ouders, dat heeft niet elk kind. Ik wilde niet dat zij dat had. Ik maakte me zorgen om Nicole, wilde haar dichterbij hebben.’
Terborg: ‘Dichterbij, maar niet bij jou.’
Mathurin: ‘Ja, ja.’
Terborg: ‘Ik begrijp mijn moeder nu beter hoor. Ik weet hoe ingewikkeld het is om én dingen zelf te willen én kinderen te hebben.’
‘Als tiener schaamde ik me dat ik geen deel uitmaakte van een kerngezin. Dat ik bij een tante woonde. Ik denk dat ik een westerse blik heb gehad op wat familie en gezin betekenen. Terwijl ik wel gebruikmaak van die extended family. Ik heb mijn kinderen nooit naar de opvang hoeven brengen, heb altijd tantes gehad die oppasten. Nu ook: ik ga zo weer monteren en Jetty gaat de meisjes uit school halen. Ik heb geleerd dat ouderschap niet alleen iets biologisch is en dat het ook iets moois is als verschillende generaties elkaar kunnen helpen met opvoeden.
‘Maar je moet dan wel over alles eerlijk kunnen spreken. Niet dat mijn ouders tegen me hebben gelogen, maar we hebben nooit over mijn kweektijd gepraat. Ik had dat nodig gehad.’
Kweekje, mi kwekipikin, zesdelige podcast, vanaf 4/11 te beluisteren (en vanaf 5/11 wekelijks in het programma OVT op NPO Radio 1).
Nicole Terborg (Nijmegen, 1976) studeerde journalistiek en religiewetenschappen. Als journalist werkt ze onder meer voor NTR en VPRO. Eerder maakte ze onder meer de radiodocumentaire Dichtbij wit, over colorisme, de hiërarchie in huidskleuren die voortkomt uit de koloniale, racistische inprenting: hoe lichter je huid, hoe beter.
‘Ik ben ontzettend rationeel en analytisch. Als ik bijvoorbeeld vastloop tijdens het creatieve proces in mijn werk, dan denkt de journalist in mij: ik bel nog een expert of ik lees nog een stuk. Maar mijn moeder zegt: pak die djembe. Gebruik je intuïtie, bedoelt ze. Het is eigenlijk een manier van zeggen dat je even uit je hoofd moet gaan, je kunt niet altijd alles uitdenken.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden