Een van de verrassingen bij de komende verkiezingen: de hospita keert terug. Niet als folklore uit de jaren vijftig, maar als wanhoopspoging om mensen onderdak te bieden op de vastgelopen woningmarkt. Op zolder bij iemand inwonen, ook dat kan bestaanszekerheid zijn in het Nederland van 2023.
De partij van Pieter Omtzigt wil ‘betere mogelijkheden voor hospitaverhuur’. Ook de ChristenUnie bepleit ‘het stimuleren van hospitaverhuur’.
Dan is er een trits partijen (GroenLinks-PvdA, CDA, de partij van Wybren van Haga) die het iets neutraler formuleert: ze willen ‘woningdelen’ mogelijk maken. De BBB maakt zich eveneens sterk voor ‘verhuren van kamers in bestaande woningen’.
Afgelopen zomer, vlak voor de val van het kabinet, hield minister Hugo de Jonge al eens een lofzang op de hospita. Niet alleen het woningtekort wordt aangepakt, maar ook ‘eenzaamheid’ en ‘hoge vaste lasten’. Win-win dus.
Grote steden zijn dol op de hospita. De Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting, afgelopen zomer gepubliceerd, is duidelijk. Kamer over? Die verpats je niet via Airbnb aan een toerist. Nee, daar gaat een permanente huurder in. Ook Rotterdam stimuleert hospitaverhuur. De kamerzoekende krijgt zo onderdak ‘in een gezellige woonsituatie’.
Ik ben in Utrecht, waar de gemeente tijdens een bijeenkomst in de miezerende regen voor het stadhuis een website lanceert – ‘Kamer vrij? Maak iemand blij’ – die hospita’s en kamerzoekenden aan elkaar koppelt.
‘De nood is zo hoog: elke kamer is er weer één’, zegt de PvdA-wethouder van dienst, Dennis de Vries. Zelf heeft hij thuis trouwens geen kamer over. ‘Ja, het schuurtje misschien.’
Harde cijfers ontbreken. Maar hoe knus het ook klinkt, in de praktijk zijn er waarschijnlijk niet veel hospita’s in Nederland: enkele duizenden, hooguit.
Het is politiek Den Haag nog niet gelukt om de grootste bureaucratische obstakels aan te pakken. Uitkeringen kunnen worden gekort als je iemand in huis neemt. Woningcorporaties liggen dwars, hypotheekbanken ook.
Het vergt bovendien een moreel hoogstaander mensensoort, je zou hen ook als helden kunnen omschrijven, die niet denkt: deze lege kamer, dat is handig voor mijn wasrekje of het fitnesstoestel. Maar: hier mag tegen een bescheiden vergoeding iemand anders wonen. De keuken en de douche delen, dat komt wel goed.
Mensen zoals Henny van den Nagel, kleurig gebreide sjaal, dito sokken, die haar ‘kamer boven die ik niet gebruik’ al zo’n dertig jaar verhuurt. ‘Zou het niet goed zijn om hier meer achteraan te gaan, zodat meer mensen dit gaat doen?’ vraagt ze de wethouder.
Alleen al voor je netwerk zou je hospita moeten worden, vindt Henny. Haar eerste huurders uit de jaren negentig, Oekraïense studenten, nee, toen kwamen die niet omdat het daar oorlog was, maar omdat de Sovjet-Unie net was gevallen, die werken ‘nu in Washington bij de Wereldbank, zulke banen’.
Ze zoekt haar huurders via een online platform, Hospi Housing. De selectie is eenvoudig. Henny laat potentiële bewoners een essay over duurzaamheid schrijven. ‘Nou ja, een essay – ze moeten iets voor duurzaamheid voelen. Anders levert dat ergernis op.’
Want het afval scheiden gebeurt bij Henny thuis ‘tamelijk gedetailleerd’. Tuinafval. Papier. Glas. Blik. ‘De wc wordt doorgespoeld met water uit de regenton. In de winter, tja, je moet met de gieter naar buiten om dat ding te vullen.’
Haar huidige huurder, een studente uit Portugal, schikt zich goed in dit regime. ‘Maar eentje uit Zuid-Amerika begreep het niet. Zo van: Nederland is een rijk land, waarom gaat dit zo?’ Met het delen van de badkamer heeft Henny weinig problemen. ‘Al zeg ik soms: opschieten.’
Ook bij Gerritjan Westerveld thuis is een kamer over. Huur vraagt hij niet. ‘Maar we hebben eigenlijk altijd iemand in die kamer wonen.’ Ja, hoeveel nu al? Hij telt af op zijn handen. Hoessein, Arash, Mohammed, Ali… ‘Een stuk of zeven, acht.’
Allemaal statushouders. Bij Gerritjan thuis wordt alleen maar Nederlands gesproken. Pikken ze gauw genoeg op. Wie wil, draait volledig mee in het huiselijke leven. Ontbijt. Lunch. Avondeten. Acht uur: het NOS Journaal. Tien uur: een glaasje wijn.
Arash kwam tijdens corona. Werden ze allebei ziek. Het asielzoekerscentrum wilde hem niet terug. ‘Met zo’n jongen word je dan familie hoor.’
Source: Volkskrant