In mijn straat woont een jongen met een saxofoon. Een paar keer per week, zo tegen een uur of vijf, zes ’s middags, neemt hij zijn instrument naar buiten en dan zit hij op het bankje voor het huis, en dan speelt hij. Soms is er een meisje bij. Ze luistert met grote, bewonderende ogen naar hem. De klanken dragen ver over het water van de gracht, weerkaatsen tegen de huizen aan de overkant. Het is een drukke plek in de Amsterdamse binnenstad, veel mensen stoppen even en luisteren. Niet zelden glimlachen ze. Ik weet inmiddels dat het repertoire van de buurjongen beperkt is, maar het geeft niet. Er gaat iets vrolijks, iets van levenslust uit van zijn aanwezigheid. Iets dat je eraan herinnert dat je geluk hebt, dat je het werkelijk getroffen hebt, om hier te wonen, in dit land, op dit moment, in deze stad.
Schoonheid is de moeite van het beschrijven waard, dat weet ik. Een stiefvader zei eens tegen mij dat ik alleen de lelijke dingen in de wereld zag. Dat is nogal kras verwoord, maar ik heb ontegenzeggelijk meer oog voor tragedie dan voor het fortuin. Misschien heeft het vooral met een gevoel van verplichting te maken. Ik herkende wat de Pools-Belgische filosoof Alicja Gescinska schreef in haar pamflet voor een nieuw perspectief op het humanisme. Gescinska vraagt zich af; „Hoe kan ik genoegen vinden in mijn kleine bestaan, terwijl ik weet dat buiten mijn blikveld de vlammen van het lijden nog lang niet zijn gedoofd?”
Het is een tijdloos dilemma. Wat doe je met al dat geluk, als gezegend mens? Vergeet je de ellende van anderen? Of offer je je zielenrust op door je op te winden over het onrecht dat elders plaatsvindt, ook al is dat een vruchteloze oefening?
Onlangs legde ik het dilemma voor aan een taxichauffeur tijdens een lange rit van Hilversum naar Amsterdam. Hoe om te gaan met al dat geluk, terwijl de wereld in de fik staat, vroeg ik hem.
„De wereld? Wat dacht je van Nederland”, antwoordde hij, en binnen een mum van tijd was het gesprek van richting veranderd. Het was onzinnig om je op te winden over buitenlandse onderwerpen, en over buitenlanders zelf – die twee dingen kwamen voor hem een beetje op hetzelfde neer, merkte ik – want er was genoeg om je zorgen over te maken in het eigen land, in de eigen achtertuin, zogezegd. Kijk naar onze ouden van dagen, die niet de zorg krijgen die ze na een leven hard werken hebben verdiend. Kijk naar hoeveel mensen er inmiddels in armoede leven: een miljoen bijna!
Zo hartstochtelijk was zijn betoog, zo welgemeend zijn bezorgdheid over de staat van Nederland, dat ik me bijna had laten overtuigen. Misschien is het inderdaad beter om je zorg te beperken tot wat er in eigen land gebeurt. Efficiënter, ook. Maar de oorlog tussen Israël en Hamas is verhevigd, die in Soedan duurt inmiddels al bijna 7 maanden, en bij de strijd in Oekraïne wordt ten onrechte steeds minder stilgestaan. Het lukt me niet om dat te ontkennen, hoe graag ik het soms ook wil.
Intussen regent het in de stad waar ik woon. De buurjongen komt niet naar buiten met zijn saxofoon, maar ondanks dat de muziek aan de dag ontbreekt, is mijn wereld nog steeds mooi en vredig. En ik besef dat wie zelf veilig is, zich de anderen moet aantrekken die dat niet zijn. Zowel dichtbij als ver weg. Een keuze in leed hoeft niet gemaakt te worden, wrang genoeg. Laten we het ons allemaal aantrekken, opraken zal het niet.
Source: NRC