Je hebt mensen zich grondig voorbereiden op een tentoonstelling: ze lezen er eerst van alles over en gaan daarna pas kijken. Zelf ben ik daar helaas te lui voor. ‘Hee, het Rijksmuseum heeft spullen uit het Boijmans van Beuningen te leen’, dacht ik, en daar stond ik al binnen.
Het bleek een prettig, geanimeerd allegaartje. Kijk, daar had je De schiettent van Pyke Koch. Ik heb een hekel aan magisch realisme, en Koch was fout in de oorlog, maar dit hakte er toch wel in, zo duister als die imposante vrouw ons aankijkt, met dat grove ‘wat mót je?’-gezicht vanachter die geweren.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Daarna belandde ik via Munch en Mondriaan bij Yayoi Kusama: een zogeheten ‘Infinity mirror room’ uit 1965. Ik zag mezelf duizenden keren weerspiegeld tussen eindeloze velden vol vrolijk roodgenopte, pluchen fallusjes. Het effect was beslist vervreemdend; ik struikelde er bijna van.
Ook de man die na mij binnen was geweest, kwam onthutst naar buiten. Hij stelde zich op voor de suppoost, en vroeg hem, snuivend van ingehouden woede: ‘Mister? Can you tell me, what is the point of this room?’
Die arme suppoost! Ik kreeg medelijden, want zo iemand zit daar toch voornamelijk om te voorkomen dat getroebleerde types de schilderijen met een kromzwaard te lijf gaan. Maar hij hield zich goed: ‘It’s art. So there ís no point’, sprak hij droog. Een uitstekend antwoord.
Ik moest denken aan de definitie van ‘kunst’ die ik ooit bedacht toen mijn kinderen nog klein waren, en bij elk onbegrepen artefact aan mij vroegen: ‘Mama? Is dat kunst?’ Ik antwoordde dan steevast ‘Als je iets tegenkomt dat door mensen is gemaakt en geen praktisch nut heeft, of heeft gehad, dan is het kunst.’ De definitie was niet eindeloos houdbaar, want kitsch valt daar ook onder, maar dat zagen we dan later wel weer.
De Italiaan beende boos de zaal uit, en ook ik liep verder. Een Picasso’tje, een Dalí’tje, het danseresje van Degas, fijn allemaal, alleen dat jongetje daar op dat bankje, met zijn streepjestruitje, vond er duidelijk niks aan. Mokkend keek hij naar de vloer.
Ik wilde hem net bemoedigend toeknikken toen mijn haren recht overeind gingen staan. Het jongetje was niet echt. Ja, wel levensecht, griezelig levensecht, met zijn losse schoenveter en de aangebeten reep chocola in zijn hand. Alleen: niet van vlees en bloed, maar van polyester. Hyperrealisme, van Duane Hanson, las ik terwijl mijn hart vervaarlijk in mijn keel bleef bonken. Nou, ik was me de hyperrealistische pestpokken geschrokken.
Als het zo moet, hoef ik dit jaar geen Museumkaart van Sinterklaas.
Source: Volkskrant