Home

Geertje Dalebout is 100 jaar: ‘De mensen hoeven niet alles van mij te weten’

Geertje Dalebout-Timmer is 100 jaar. Hoe kijkt de Groningse terug op de eeuw die achter haar ligt? En voelt zij zich nog thuis in deze tijd?

Geertje Dalebout staat niet zo te springen om geïnterviewd te worden. Zij is niet de enige vrouw van 100 jaar met aarzelingen, terwijl mannen met hun bekende bravoure en zelfvertrouwen volmondig akkoord gaan met een podium in de krant. ‘Zo bijzonder ben ik toch niet?’, klinkt het uit menige bescheiden vrouwenmond, of: ‘Zoveel heb ik niet te vertellen.’ Geertje Dalebout ontvangt haar bezoek hartelijk, maar in het begin van het gesprek komt de twijfel een paar keer naar boven – ‘Ik hoef niet in de krant’ –, maar ze wijst de interviewer niet de deur, telkens opnieuw besluitend verder te vertellen. Om bij het afscheid te zeggen: ‘Het is mij honderd procent meegevallen.’ Tijdens een telefoontje een paar dagen later, om te checken hoe de vlag er dan bij hangt, klinkt alsnog een overtuigend ‘ja’ op dit avontuur en: ‘Ik heb iedereen in mijn omgeving verteld dat ik in de krant kom, dus nu kan ik niet meer terug, haha.’

‘Nou ja, zo bijzonder is het allemaal toch niet wat ik heb meegemaakt? En de mensen hoeven niet alles van mij te weten.’

‘Nou, toe dan maar.’

‘Het leven gaat zijn gangetje. Ik kan mij goed redden. Het verschil met voor corona is wel dat ik veel thuis ben. In de coronatijd kwamen clubjes waar ik heen ging tot stilstand en sommige zijn niet teruggekeerd. Het clubje waar we zelf kaarten maakten bestaat nog wel, maar door artrose in mijn handen kan ik niet meer knippen. Er zijn wel dames die willen helpen, maar dat ligt mij niet.

‘Ik woon hier goed, met het mooie uitzicht op de Oosterhaven met al die boten die voorbij varen, en de Martini-toren op de achtergrond. Ik heb hier nog gewoond met mijn man Harm Geert. Op een gegeven moment ging hij dementeren en liep weleens weg, dan kon ik hem niet vinden. Het ging niet meer, hij moest naar een tehuis. Een halfjaar later is hij overleden. Als ik dat had geweten, had ik hem thuis gehouden. Hij was een erg lieve, zachtaardige man. We konden goed samen.’

‘Een jaar nadat mijn vader was verongelukt, verhuisde ik met mijn moeder naar een klein huisje in Oudeschans. De oorlog was net voorbij. Op een avond liet ik alleen de hond uit en zag een stel jongens staan. Eén hoorde ik zeggen: ‘Dat meisje kan toch niet ’s avonds alleen de hond uitlaten?’ Dat was Harm Geert Dalebout, hij was net terug uit Duitsland waar hij was tewerkgesteld. Hij liep met mij mee en bleef dat doen als ik de hond in de avond uitliet. We konden het goed met elkaar vinden. En zo is het gekomen.’

‘Dat herinner ik mij nog wel. Er waren veel communisten in onze streek, die de arbeiders opriepen te staken. Mijn vader deed er niet aan mee. Hij vond dat als je een contract tekent bij een boer, je je daaraan moest houden.’

‘Hij begon als boerenknecht bij boeren, waardoor we een paar keer moesten verhuizen, van Ganzedijk naar de Reiderwolderpolder en later naar Drieborg, allemaal in Oost-Groningen. Hij klom op tot bedrijfsleider op een grote boerderij in Oudeschans. Die boerderij was zo groot, dat wij als gezin er ook konden wonen. Mijn vader had arbeiders opdracht gegeven een vochtige plek op de zolder van de schuur te vernieuwen. Via een trap klom hij de zolder op om te kijken of ze dat goed hadden gedaan. Hij viel en kwam met zijn hoofd op een betonblok terecht. Er was dus iets niet goed gegaan bij die verbouwing.

‘In die tijd werkte ik op kantoor bij de gemeente Bellingwolde. Toen ik die avond kwam aanrijden op de fiets, viel mij op dat het donker was in huis. Ik ging op zoek naar mijn ouders, en vond mijn moeder geknield naast mijn vader in de schuur. Hij had een grote hoofdwond. Ik ben meteen op de fiets gestapt, een half uur later was ik in het dorp om bij het postkantoor een dokter te bellen. In die tijd had je nog geen huistelefoon. De dokter moest uit Finsterwolde komen, gelukkig had hij een auto. Nadat hij mijn vader had onderzocht, zei hij zachtjes tegen mij: ‘Ik denk niet dat je nog een woord van je vader zult horen.’ We hebben hem op bed gelegd, de volgende dag stierf hij, op 17 januari 1944.

‘De boer regelde een man die mijn vader kon vervangen. Hij kwam bij ons in huis wonen, maar dat vond mijn moeder helemaal niet fijn. Daarom besloot ze weg te gaan van de boerderij en met mij in een klein huisje te gaan wonen. Mijn oudere broer woonde en werkte de hele oorlogstijd in de gevangenis van Veenhuizen. Moeder had een klein pensioentje van mijn vader, we verbouwden onze eigen groenten en hadden een varken voor de slacht. Ik bleef bij de gemeente werken, maar mijn moeder stond erop dat ik geen kostgeld betaalde. Mijn taak was bonnen voor tweedehands schoenen, kleding en fietsbanden uit te reiken aan mensen die ze het hardst nodig hadden, zoals zieken. Ook na de oorlog ging dat door, want de mensen hadden niks. Ik heb met heel wat boze mensen te maken gehad. Dan stonden ze mij aan het loket de huid vol te schelden: waarom ze geen fietsbanden kregen, ‘je hebt ze zelf wel!’, schreeuwden ze.’

‘In het begin trok ik het mij aan, maar al gauw wende ik aan die woedeaanvallen. Ik antwoordde meestal dat ik de regels niet had bedacht. En dat het hun keuze was zo boos te worden.’

‘Niks bijzonders. We hadden bijna niets in die tijd, het was twee jaar na de oorlog. Ik droeg een donkerblauw mantelpakje met een hoedje, met het idee dat ik daar na de trouwdag ook nog iets aan zou hebben. We hadden een receptie die een uur duurde en dat was het dan, geen feest ofzo. Het idee om te trouwen kwam van mijn moeder. Harm Geert werkte in Groningen als boekhouder bij een sigarenfabriek en was daar in de kost. Daar had hij het slecht, hij raakte ondervoed, want kreeg er weinig te eten. Mijn moeder zei: ‘Trouw met hem, dan kun jij voor hem zorgen.’ Zodra we getrouwd waren, werd ik ontslagen bij de gemeente. Dat vond ik heel erg, ik hield van mijn werk en van de omgang met collega’s. Zat ik ineens thuis niks te doen.

‘We konden een kamer krijgen bij een invalide vrouw, met de afspraak dat ik haar zou verzorgen. Een verschrikkelijke vrouw; alles wat ik deed was verkeerd. Ik zei tegen Harm dat ik daar weg wilde, maar we kwamen van de regen in de drup. We konden inwonen bij zijn opa, die net zijn vrouw had verloren. De bedoeling was dat ik voor het huishouden zou zorgen, omdat opa zich niet kon redden alleen. Koken vond ik prima, maar ik hield helemaal niet van al dat gepoets. Mijn schoonvader deed naar tegen mij, van alles wat hij kwijt was, beschuldigde hij mij het weggemaakt te hebben. Op een dag zei ik tegen mijn man: ‘Als je bij mij wilt blijven, gaan we hier weg. Hij ging meteen naar zijn baas en die hielp ons aan een ander adres, in huis bij een invalide vrouw die wel aardig was. Ik deed alles voor haar.’

‘Zorgen voor een huiseigenaar was dé manier om aan een dak boven je hoofd te komen. Nadat mijn twee dochters uit huis waren gegaan, ben ik meteen werk gaan zoeken. Ik was 57 jaar en schreef op een advertentie in de krant: een lampenzaak in Groningen zocht een verkoopster. Ik werd afgewezen, ze vonden mij te oud. De volgende dag ben ik naar de winkel gegaan. Een jong echtpaar bleek de eigenaren. Ik vertelde dat ik had gesolliciteerd en was afgewezen. ‘Pak maar een gloeilamp’, zei zij. Zo moeilijk was dat niet. Ik kon de volgende dag beginnen en heb tot mijn 82ste in de winkel gewerkt. Alles wat je met plezier doet, kun je lang volhouden.’

‘De uitstapjes met mijn vriendinnen. We waren met een clubje van zes. We leerden elkaar kennen in onze jonge jaren op damesgymclub Brunhilde en zijn altijd bevriend gebleven.’ (Ze begint te zingen:) ‘Jonge vrouwen, vrij en fier, kom bij ons, uw plaats is hier. Dat was de laatste regel van het clublied. Met zijn zessen hebben we heel wat gelachen en leuke uitstapjes gemaakt. Ik ben de enige die over is van de zes.’

‘Je beweegt mee. Doordat ik de krant lees, ben ik goed op de hoogte. Pas werd ik gebeld door iemand die vroeg om het nummer van mijn bankpasje. Ik antwoordde dat ik geen pasje heb. Die persoon zei dat dat niet kan. ‘Wie weet dat beter dan ik?!’, reageerde ik – en hing meteen op. Later bedacht ik mij dat ik had moeten zeggen: ‘Zoek werk in plaats van anderen op te lichten.’

‘Wat deze tijd betreft moet ik zeggen dat ik mij erover verbaas dat bijna iedereen de hele tijd op zijn telefoon zit te kijken. Waar je ook komt, kun je geen spontaan gesprekje meer voeren, want ze zijn aldoor bezig met die telefoon. Mensen kijken elkaar nog nauwelijks aan. Dat mis ik wel.’

geboren: 2 december 1922 in Ganzedijk (gemeente Oldambt)

woont: zelfstandig, in Groningen

beroep: ambtenaar en verkoper

familie: twee dochters, drie kleinkinderen, vier achterkleinkinderen

weduwe: sinds 2005

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next