‘Spoken en geesten hebben de mens gedurende de hele geschiedenis beziggehouden, want hun bestaan is rechtstreeks gekoppeld aan de harde grens tussen leven en dood. Ikzelf ben opgegroeid in een religieus gezin en daarin was het bovennatuurlijke een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven. Wij leefden in de overtuiging dat het leven na de dood doorging, zij het op een andere manier.
‘Inmiddels ben ik allang niet meer gelovig, maar als schrijfster geloof ik dat mensen een zekere mythische connectie nodig hebben, dat we niet goed kunnen leven met de gedachte dat ons aardse leven alles is. Of er inderdaad zoiets bestaat als een leven na de dood, is daarbij niet relevant. Waar het om gaat, is dat wij mensen dat kennelijk nodig hebben als een soort psychologisch veiligheidsventiel. Ik vind het interessant om mij in dat fenomeen te verdiepen en dat is wat ik met de verhalen in Nachtzijde van de rivier (Night Side of the River) heb gedaan.’
Spookverhalen. Het is geen genre waar veel literaire auteurs (en uitgeverijen) zich toe geroepen voelen. Toen Jeanette Winterson (1959) zich op een dag bij haar uitgeverij meldde met het manuscript van haar bundel, werd daarop aanvankelijk een beetje sceptisch gereageerd. Maar de schrijfster wist haar redacteur te overtuigen. Ze was op het idee gekomen toen het digitale platform Substack haar enkele jaren geleden vroeg om in de maand november writer in residence te zijn. Dat betekende dat ze elke week een verhaal moest plaatsen, plus twee posts.
Over de auteur
Hans Bouman schrijft voor de Volkskrant over boeken en richt zich met name op literatuur en auteurs uit het Engelse taalgebied.
‘Ik vond dat een interessante uitdaging: net als Dickens elke week een verhaal – of in zijn geval een deel van een roman – te publiceren. Ik besloot dat het vier spookverhalen zouden worden en dat het eerste op Halloween zou verschijnen. Het bleek een uitputtende ervaring, omdat mensen voortdurend op mijn teksten reageerden en ik daar weer op moest ingaan. Toen mijn werk voor Substack erop zat en ik die vier verhalen had geschreven, besloot ik ermee door te gaan tot ik een complete bundel had. De oorspronkelijke vier heb ik uitgebreid en soms herschreven tot ze bijna onherkenbaar waren.’
‘Een aantal daarvan heb ik als post op Substack geplaatst. Andere waren daarvoor te lang of te complex. Wie een bovennatuurlijke ervaring heeft gehad, vergeet die nooit meer. Ik noem in mijn boek ook de ervaringen van mijn goede vriendin, de acht jaar geleden overleden schrijfster Ruth Rendell, die in het geheel niet in het bovennatuurlijke geloofde. Vervolgens had ze in een hotel in Cuba een vreselijke ervaring, waarbij ze ervan overtuigd raakte dat er iets bovennatuurlijks in haar kamer aanwezig was. Die ervaring was dermate angstaanjagend dat ze totaal van mening veranderde.
‘Er zijn altijd mensen die voor zulke zaken een rationele verklaring hebben, maar daar schiet je in de praktijk weinig mee op. Het leven heeft nu eenmaal mysterieuze kanten en we kunnen niet alles verklaren. Natuurlijk kunnen bovennatuurlijke ervaringen worden gezien als projecties van het brein. Neem al die bijna-doodervaringen waarover mensen vertellen en die sterk op elkaar lijken, met een tunnel van licht en iemand die je komt verwelkomen. Is het zo dat ons brein het fenomeen dood niet wenst te accepteren en dat we daarom die ervaring hebben? Of is het meer dan dat?’
‘Ik wil mensen geen verklaring opdringen, maar ik ben sterk geïnteresseerd in het onverklaarbare. In de inleiding van mijn bundel haal ik Stephen King aan met een uitspraak over de verfilming van zijn boek The Shining. Hij was het zeer oneens met regisseur Stanley Kubrick, die op het standpunt stond dat alle bovennatuurlijke gebeurtenissen zich afspeelden in het hoofd van hoofdpersoon Jack Torrance. De demonen bevonden zich in zijn hoofd en werden versterkt door zijn drankgebruik, zijn gevoel van mislukking.
‘Kubrick ging voor een freudiaanse verklaring. King wilde echter nadrukkelijk de mogelijkheid openlaten dat er ook iets buiten Jack aanwezig was. Iets in het Overlook Hotel dat hij waarnam, waarvoor hij gevoelig was, door de situatie waarin hij verkeerde.’
‘Precies. En dat betekent niet per se dat het slecht met je afloopt. De roman The Shining heeft in feite een bemoedigend einde, niet voor Jack, maar wel voor zijn zoontje. In mijn verhaal is sprake van iets vergelijkbaars. Spookverhalen hoeven geen horrorverhalen te zijn. Het zijn verhalen over het bovennatuurlijke, over wat we niet begrijpen. Dat is veel interessanter.’
‘Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in andere manieren om tegen de werkelijkheid aan te kijken, maar het genre spookverhalen is een relatief recente belangstelling van me. Toen ik die kerstbundel wilde schrijven, kwam ik voor het eerst op het idee. Kerstmis is bij uitstek een periode om spookverhalen te vertellen. Het op een na beroemdste kerstverhaal ter wereld, A Christmas Carol van Charles Dickens, is een spookverhaal.
‘Toen ik de drie verhalen voor Kerstdagen had geschreven, smaakte dat naar meer. Dus schreef ik er twaalf voor deze gelegenheid. Maar ik wilde een bundel met dertien verhalen publiceren. Een coven, een heksenverband, wordt geacht uit dertien heksen te bestaan en daarnaast verwijst het getal naar de dertien manen in een jaar. De maan hoort, net als spookverhalen, bij de nacht. Vandaar ook de titel van mijn bundel.’
‘Ja, in dat verhaal speelt George Mallory een hoofdrol. Hij is de man die in 1924 misschien als eerste de top van de Mount Everest bereikte. Maar hij heeft de tocht niet overleefd en zijn lichaam is nooit gevonden. Hij had een fototoestel bij zich en als hij de top inderdaad heeft bereikt, heeft hij dat natuurlijk vastgelegd. Bij Kodak denken ze dat ze het rolletje waarschijnlijk kunnen ontwikkelen, als het wordt gevonden. Ik ben ervan overtuigd dat het op een dag gaat gebeuren. Dit verhaal intrigeert me al jaren, dus ik wilde het opnieuw onder de aandacht brengen.’
‘AI biedt op een dag wellicht de mogelijkheid jezelf te uploaden, zodat je niet sterft wanneer je lichaam sterft. Bovendien zijn niet-biologische entiteiten niet gebonden aan menselijke beperkingen. Leven met die entiteiten biedt geheel nieuwe mogelijkheden, ook voor een schrijver. De mens heeft altijd met bovennatuurlijke entiteiten geleefd, via de diverse religies. Maar nu krijgen ook niet-religieuze mensen ermee te maken. Je hebt nu al apps die het mogelijk maken met je overleden geliefden te communiceren.
‘Wat ik in mijn verhaal ‘App-aritie’ beschrijf is geen fantasie, maar werkelijkheid. In het verhaal ‘Geest in de machine’ ga ik nog een stap verder. Daarin heeft een vrouw een relatie met een geïdealiseerde versie van haar overleden man, die nu een computerprogramma is. Dat soort dingen gaat gebeuren en het is de vraag wat dat met ons mensen zal doen. Eigenlijk betekent het dat religies altijd gelijk hebben gehad: de dood is niet het einde. Dat fascineert me zeer.’
‘Anders dan sommige mensen ben ik gek op het onbekende. Ik sta voor alles open. En je hoeft niet overal een antwoord op te hebben, je mag best zeggen dat je het niet weet. De wetenschap ontdekt immers telkens hoe vreemd de werkelijkheid in elkaar zit. De kwantummechanica ontdekte dat de wereld niet bestaat uit atomen die zich ordelijk gedragen. En hoe weet ik of er niet heel veel meer is dan ik waarneem? Wij mensen kunnen minder dan 1 procent van het elektromagnetische spectrum waarnemen: dat wat we zichtbaar licht noemen. Radiogolven, gammastralen, röntgenstralen en ultraviolet licht zien we niet.’
‘Er staan twee dubbelverhalen in die me goed bevallen. En dan vooral het tweeluik over Simon en William, waarin William is overleden en Simon naar een teken van hem verlangt. Dat zijn twee milde, bespiegelende verhalen, zonder de schrikeffecten die elders in de bundel een rol spelen.
‘De tweede helft van dat tweeluik, ‘Het onontdekte land’, wordt verteld door William en gaat uit van de gedachte dat sterven een proces van het ‘ontleren’ van het leven is. Leven is leren, sterven is ontleren. William neemt in het verhaal stapje voor stapje afscheid van wat hij was, wat hij wist, wat hij wilde. Dat vind ik een interessante en ontroerende manier om tegen de dood aan te kijken.’
‘Wij leven in de lineaire tijd, maar de waarheid van de klok is maar een gedeeltelijke waarheid. Mythische structuren onttrekken zich eraan. Die zijn gericht op herhaling. Een ritueel is iets dat je steeds herhaalt, dat steeds terugkeert. Ook de menselijke geest onttrekt zich aan de lineaire tijd. Die houdt zich bezig met wat ik ‘betekenisvolle tijd’ noem.
‘Als je ouder wordt, liggen je herinneringen niet langer op chronologische volgorde, maar op volgorde van emotionele betekenis. Bij elke nieuwe gebeurtenis verandert die volgorde een beetje. Dat besef heb ik in de verhalen tot uiting willen laten komen. Met name wanneer je te maken hebt met overledenen, voor wie tijd geen rol meer speelt, openbaart zich die betekenisvolle tijd.’
‘Het is als pianospelen. Ik ga zitten en probeer wat. Na een tijdje wordt me duidelijk of ik werkelijk ergens naartoe ga, of dat het alleen maar wat gepingel is. Maar als het goed gaat, verschijnt er een beeld, een refrein, een interessante zin. Ik zal een voorbeeld geven.
‘Voorafgaand aan dit interview wandelde ik een stukje door Amsterdam. Toen ik een brug overstak, vroeg ik me af: hoe zou het zijn om hier te wonen? Vervolgens kwam het idee van levens die we niet kunnen leiden. En daarna: levens die we niet kunnen verliezen. Dat leidde weer tot de gedachte over hoe we gevangen kunnen zitten in ons eigen leven en hoe we ons verbeelden dat ergens anders leven de oplossing is. Meestal begint het idee voor een roman of een verhaal met een discussie met mijzelf, die al dan niet tot een plot leidt.’
‘Wanneer wij in een acute staat verkeren, bijvoorbeeld als er sprake is van hevige emoties, leven we altijd in de tegenwoordige tijd. Iemand die een trauma heeft, beleeft een bepaalde gebeurtenis uit het verleden alsof die nu plaatsvindt. Je zweet, beeft, terwijl de gebeurtenis zelf allang verleden tijd is. Maar je fysiologische staat vertelt je: nee, dit is het heden. Door in een aantal verhalen op beslissende momenten van de verleden naar de tegenwoordige tijd over te gaan, wil ik dat gevoel, die acute staat, op de lezer overbrengen.’
‘In deze fase van mijn loopbaan niet zo veel meer. Als een criticus die ik respecteer iets interessants schrijft, ben ik daar natuurlijk blij mee. Een routineuzere recensie, positief of negatief, doet me niet zo veel. Ik krijg zelf ook van tijd tot tijd het verzoek een boek te recenseren. Als ik het niet goed vind, stuur ik het terug. Dan ben ik niet de juiste lezer voor dat boek. Ik hoef niet de slimme, kritische recensent te zijn over de rug van iemand anders.
‘Toen ik jonger was, kon ik best depressief worden van afkraakstukken. Vooral als ik voelde dat ze niet zozeer over mijn boek gingen, als wel over mijzelf.’
‘Beslist. Ik voel mij uitstekend, hoor, maar ik ben mij ervan bewust dat ik meer jaren achter mij heb liggen dan voor mij. Ik heb alles goed geregeld, mocht mij iets overkomen. Dat is iets waar ik tien jaar geleden niet over had gepeinsd. Nee, ik ben niet bang voor de dood, maar ik ben er wel nieuwsgierig naar. En die belangstelling om spookverhalen te schrijven is daar een uiting van. Er komen er nog wel meer.’
Jeanette Winterson: Nachtzijde van de rivier. Uit het Engels vertaald door Arthur Wevers. Pluim; 344 pagina’s; € 24,99.
Bij uitgeverij Orlando verscheen onlangs de herziene vertaling van Wintersons uit 2005 stammende korte roman Zwaarte (Weight), vertaald door Maarten Polman. In dit boek biedt de schrijfster een persoonlijke variatie op de mythe van Atlas en Herakles (€ 22,99).
Jeanette Winterson (Manchester, 27 augustus 1959) was 28 dagen oud toen ze door haar moeder ter adoptie werd aangeboden. Ze groeide op in een gezin dat actief was in de Pinksterbeweging. In haar met de Whitbread Prize bekroonde debuutroman, Oranges Are Not the Only Fruit (1985) deed de schrijfster, die op haar 16de nog actief was als bevlogen evangeliste, verslag van haar opvoeding, waarvan ze inmiddels afstand had genomen.
Ze studeerde aan Oxford en brak in 1987 door met de roman The Passion (1987). Wintersons werk is lyrisch, uitbundig en dikwijls experimenteel van aard. Buiten haar fictieboeken (en soms ook erbinnen) is ze een gretig polemist. Ze is een productief schrijver met inmiddels meer dan dertig boeken op haar naam, waaronder Sexing the Cherry (1989),The Stone Gods (2007), het autobiografische Why Be Happy When You Could Be Normal? (2011) en Christmas Days (2016).
In 2018 stelde ze de bundel Eight Ghosts – The English Heritage Book of New Ghost Stories samen, waarin spookverhalen zijn opgenomen van onder anderen Mark Haddon, Andrew Michael Hurley, Max Porter en Winterson zelf. In haar meest recente boeken, Frankusstein (2019, longlist Booker Prize) en 12 Bytes (2021) legt Winterson een nadrukkelijke belangstelling voor kunstmatige intelligentie aan de dag.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden