Je bent jong en je wilt wat. Fulltime aan de bak, bijvoorbeeld. Jongeren willen graag werken, zo graag dat ze het zelfs massaal onbetaald doen. Ik heb het over stagiairs. Eerder deze maand berichtte NRC dat 44 procent van de stagiairs van hogescholen en universiteiten geen stagevergoeding krijgt, onder mbo’ers is dat 16 procent. Is er wel een vergoeding, dan gaat het om bedragen waarvoor je een puber in de supermarkt nog niet aan het spiegelen krijgt (het gemiddelde voor hbo-stagiairs ligt op 342 euro per maand). Maar goed, dat zijn cijfertjes, en met cijfertjes dempen we de gracht. De praktijk is altijd erger.
Zelf heb ik twee stages gedaan. Twee? Twee ja. Want als anderen er één doen, moet jij er twee. Zo werkt dat. Inmiddels moeten twintigers, gelokt met ronkende beloftes als een zonnige kantoortuin en de allerleukste collega’s, er minstens twaalf doen om een beetje boven de rest uit te steken. Het leven van voor mijn stages kan ik me nog vagelijk herinneren. In dat leven kreeg ik regelmatig de vraag of ik al stage had gelopen. Nee? En hoe dacht ik dat dan straks na mijn studie aan te pakken, zonder werkervaring op de arbeidsmarkt? Dat was het punt: daar dacht ik helemaal niet over na. Maar dit soort idiote vragen dwongen me ertoe. Van schrik solliciteerde ik eerst op een pr-stage bij een leesbevorderingsstichting en een jaar later op een stageplek bij een literaire uitgeverij.
In totaal liep ik een jaar stage, vier en een halve dag per week, voor een bedrag waarvan ik nog niet de helft van mijn huur kon betalen. Raar heb ik dat nooit gevonden. Ik ben ervan overtuigd dat dit is waarom de stage, vaak een verkapte vorm van onbetaalde of slecht betaalde arbeid, zo’n succesformule is, net als kinderarbeid. Jonge mensen zijn minder of nog helemaal niet doordrongen van het besef dat je voor verricht werk normaal betaald dient te worden. Probeer daarentegen een boomer maar eens een stage te laten lopen, lukt je niet. Die heeft in zijn leven al te veel salarisstroken zien binnenkomen.
‘Bij een stage ligt de nadruk op het leren”, vermeldt de site van de Rijksoverheid onder het kopje ‘Heb ik recht op het minimumloon als ik stage loop?’ (Korte antwoord: nee). „Doet u gewoon werk, dan is er geen sprake van een stage.” Iedereen die weleens één uur in zijn leven stagiair is geweest weet dat je ‘gewoon werk’ doet. Bedrijven en organisaties hebben geen ongewoon werk. Je doet hetzelfde werk als anderen, of erger, werk waar anderen geen zin in hebben.
Zo was ik bij de leesbevorderingsstichting verantwoordelijk voor de Kinderjury, een campagne waarbij twaalf kleine betweters, één uit elke provincie, zoveel mogelijk andere kinderen moeten aanzetten tot stemmen op hun favoriete boek. Dat betekende: dag en nacht journalisten van alle regionale kranten opbellen om ze zo gek te krijgen een jongetje van zeven of een meisje van acht te interviewen. Ondertussen deden collega’s de pr voor de grotere campagnes, die weliswaar belangrijker waren, maar waarvoor de pers zélf bij hen aanklopte.
Nog veel erger dan het vuile werk opknappen was niet weten wat ik kon opknappen. Dan ging ik mijn stagebegeleider zoeken, en dan bleek ze die dag pas om elf uur op kantoor te zijn. Dan besloot ik de tijd te overbruggen door alvast te lunchen, en smeerde ik met mijn rug naar de deuropening toe haastig twee rijstwafels met pindakaas, het enige beleg waar niemand met een dikke zwarte viltstift zijn naam op had geschreven. En dan, terwijl ik die wafels achter mijn bureau opat, naar weekendbanen zoeken.
Gelukkig is er licht aan het eind van de tunnel. De minister van Onderwijs ziet op het gebied van stagevergoedingen inmiddels „ruimte voor verbetering”. Heel goed gezien, Robbert! Hier ligt een geweldige kans om, in tijden waarin het leven onbetaalbaar is, jonge mensen net iets minder hard te naaien. Ik zou zeggen, ga ervoor! Gezellige vrijmibo’s, een voetbaltafel en schouderklopjes voor de minister als hij het aandurft.
Tessa Sparreboom is neerlandicus en oud-redacteur van Propria Cures.
Source: NRC