‘Zo stapte ik op mijn 14de in mijn eentje met een geleende rugzak in een vliegtuig naar India’, schrijft Daniël Boissevain (54) op pagina 180 van zijn boek Het magische kind. Niets of niemand hield hem tegen – ook zijn moeder niet. Ze had nog wel verteld dat de Franse vriend bij wie Daniël zich in New Delhi zou voegen ‘was teruggevallen in zijn heroïneverslaving’, maar dat was geen belemmering.
Vier bladzijden verder, als de jonge Daniel met de Fransman en diens vrienden bij kaarslicht op kussens op de vloer zit, wordt de heroïnespuit doorgegeven ‘alsof het een joint was’. ‘Een beetje blowen vond ik best lekker, maar dit ging mij te ver. Iedereen die een shot had gezet, veranderde in een zombie. Ik keek om me heen en besloot ter plekke dat ik, hoe ver ik ook naar beneden mocht donderen in dit bestaan, nooit met halfopen mond en knikkebollend zou eindigen met een naald in mijn arm.’
‘Echt no way dat ik mijn kinderen op hun 14de in hun eentje naar India had laten vliegen’, zegt Boissevain nu, in een vergaderkamertje van de uitgeverij waar zijn boek verschijnt. Zoon Robin van 27 en dochter Bibi van 24 hebben een heel andere kindertijd gehad dan hijzelf. Het magische kind is Boissevains schrijfdebuut en gaat over zijn jeugd als hippiekind op Ruigoord, de kunstenaarskolonie nabij Amsterdam. In interviews heeft de acteur (All Stars, Gooische vrouwen, de musical Doe Maar, vorig jaar de indrukwekkende theatersolo De schuldige) er al vaker op teruggeblikt, maar niet eerder groef hij zo diep als in zijn boek.
Alles komt voorbij: hoe hij als 9-jarig jongetje met zijn moeder en stiefvader (Ronald in het boek) met een bont gezelschap in een bus naar India rijdt, onderweg in hun onderhoud voorzienend als rondreizende theatergroep. De scheiding van zijn ouders, zes jaar eerder, en het nieuwe gezin van zijn vader in Bergen. Ook zijn moeder vormt een nieuw gezin, met Ronald en het halfbroertje dat wordt geboren als Daniël 7 is (‘ik vond dat ingewikkeld’), plus zijn tweede halfbroertje zeven jaar later, zoon van een nieuwe geliefde van zijn moeder – die overigens wel samenblijft met Ronald (‘geheel in de geest van de jaren zestig moest alles natuurlijk mogelijk zijn’).
Boissevain schrijft over de ruzies over geld in de theatergroep, het heen en weer gereis tussen Goa en Amsterdam, de drugs die er altijd en overal zijn: ‘Blowen deden we het liefst de hele dag door, net als onze ouders, het was er altijd.’
Boissevain kijkt erop terug in verwondering, althans, dat is de toon van zijn boek. Verbaasd, kritisch, maar niet bitter. Hij is blij dat te horen, zegt hij na een hartelijke handdruk. ‘Ik wilde geen woedend boek schrijven en ook niet zwelgen in zelfmedelijden, dat vond ik belangrijk. Ik bedoel: ik vind het geen afrekening. Jij?’
‘Vlak voor corona was ik in Italië met Vanessa, mijn vrouw, en op een dag zat ik ergens mee. Ik dacht: wacht eens, dit is waar je als volwassene tegenaan loopt als je zo grenzeloos opgroeit als ik. Ik schreef het op een A4'tje, las het voor aan Vanessa en die zei: jezus, man, ga er nu eindelijk eens iets mee dóén. Ik heb het altijd al leuk gevonden om te schrijven, had al een cursus aan de Schrijversvakschool voor mijn verjaardag gekregen en vond het fantastisch, dat gepuzzel met taal. Maar voor het verhaal over mijn jeugd had ik een zekere afstand nodig, eerder had ik het niet kunnen schrijven. Hoe dan ook, Vanessa heeft dat A4'tje doorgestuurd aan Mizzi (van der Pluijm, uitgever, red.) en die was meteen geïnteresseerd.’
‘Ik ben gewoon begonnen met herinneringen opschrijven. Aan de keer dat we in Venetië waren, bijvoorbeeld, waar we straattheater deden toen er een springvloed kwam. Opeens kwam dat beeld terug, hoe we daar rondklotsten door het water, alsof er luikjes opengaan in je hoofd. Als ik zoiets vervolgens opstuurde naar Mizzi, kwam ze bij me terug met allemaal vragen: hoe ziet het eruit om je heen, hoe oud ben je, wie is Ronald? Mijn eerste reactie was dan: dat is toch duidelijk, laat me met rust. Maar door die vragen ging ik me wel verplaatsen in de lezer. En bedenken: o, ja, die weet natuurlijk nog helemaal niks.
‘Dus toen ben ik begonnen met schetsen hoe ik opgroeide in Ruigoord, het dorpje waar ik terechtkwam met mijn moeder en stiefvader en nog een flink aantal anderen uit Amsterdam die daar leegstaande huizen hadden gekraakt. Er was nog maar een handvol oorspronkelijke bewoners, de rest waren kunstenaars die daar hun vrijplaats ontdekten waar geen regels golden, en waar ze zich in die tijd helemaal konden uitleven.
‘Ik ging naar school in Spaarndam, waar wij, de hippiekinderen van Ruigoord, vreemd waren met onze pofbroeken met oranje bloemen erop. We zagen er heel anders uit dan de boeren- en visserskinderen in de klas, dus we waren echt een bezienswaardigheid. Kinderen mochten ons niet aanraken, want we zouden vlooien hebben, en ratten eten thuis. Rot op naar je eiland, zeiden ze – Ruigoord was ooit een eiland, en zo werd het in Spaarndam nog steeds gezien.’
‘Nou ja, we wáren anders. Tenminste, dat namen we natuurlijk blind over van onze ouders, die niet letterlijk zeiden: ‘Dat zijn burgerlijke mensen en die zijn helemaal fout’, maar dat wel uitstraalden in alles. Zíj waren gek, zíj waren sukkels, en wij zetten ons daar tegen af. Aan de ene kant kon je daar kracht uit putten, aan de andere kant is het ook wel een rare, eenzame positie natuurlijk, als kind op school.
‘De eerste tijd gingen we met zijn vieren, maar op een gegeven moment was ik nog de enige uit Ruigoord op die school. Omdat we te veel gepest werden, gingen de anderen eraf. Ik niet, nee, ik wilde blijven, ik vond het wel prettig, dat burgerlijke, die regelmaat op school. Ik wilde dezelfde onderbroeken dragen als mijn klasgenoten, en ook een helder wit T-shirt en niet een dat roze was geworden in de was. Ik wilde erbij horen. Dat was wel een belangrijk ding voor mij.’
‘Ja, op een bepaalde manier wel, al heb ik me ook altijd een rare buitenstaander gevoeld. Maar als ik werd gepest, raakte het me gewoon niet zo. Op de een of andere manier kon ik denken: sorry, jullie zijn hier degenen die stom zijn, het ligt niet aan mij.’
‘Ja, de wereld was gek en wij niet, dat was het standpunt. Wij waren speciaal. Daar ben ik later flink tegenaan gelopen. Want als je erachter komt dat je helemaal niet zo speciaal bent, is dat natuurlijk een enorme afknapper.’
Gevraagd naar een voorbeeld van die speciale behandeling, noemt Boissevain de lange perioden dat hij niet naar school ging om mee te reizen met het theatergezelschap. Behalve hij en zijn halfbroertje van 2 waren er geen andere kinderen aan boord van de bus. De groep bestond uit twaalf (jong)volwassenen rond de spil van het gezelschap: zijn stiefvader Ronald, die in werkelijkheid Rudolph heette en de regie voerde over de groep.
Daniëls moeder was steltloper en de zwevende vrouw in de hoofdact; zelf kwam hij als een duveltje uit een doosje tijdens de verdwijntruc die zijn stiefvader opvoerde voor het publiek. ‘Het prinsje’, schrijft Boissevain over zijn jonge zelf in het boek, ‘de zoon van de koningin en stiefzoon van de leider van de groep, spelend in de hoofdact en altijd aanwezig, maar ook gewoon een kind.’
‘Ja, en nu, terugkijkend, denk ik: best heftig als je als 12-jarige al helemaal verantwoordelijk voor je keuzen wordt gemaakt. Toen ik op een gegeven moment zei dat ik niet meer wilde reizen, dat ik gewoon naar school wilde, klonk het: oké, dan blijf jij in Nederland. Dan kwam mijn vader naar Ruigoord. Niemand die zei: misschien heb je gelijk, we gaan even een paar jaar niet meer reizen. Mijn stiefvader niet, maar mijn moeder ook niet, die ging volledig in zijn plannen mee.’
‘Zeker, er was in die tijd heel weinig zelfreflectie, zeker niet bij de mannen. En de vrouwen hobbelden er maar een beetje achteraan. Dat keurslijf waar ze zo graag uit wilden breken, was helemaal nog niet weg. Ja, voor de mannen, maar voor de vrouwen lag dat volgens mij heel anders.’
‘Ik vind dat mijn moeder zich totaal heeft gevoegd, ja. Naar mijn stiefvader, naar mijn vader, dat is gewoon zo.’
‘Ja en nee. Ik bedoel: dat klinkt heel vrijgevochten, maar zulke keuzen waren ook gewoon momentopnamen. Alles moest kunnen, weet je wel.’
Wat later over de groep waarvan zijn ouders deel uitmaakten: ‘Het waren eigenlijk gewoon grote kinderen, die deden wat ze wilden. En the sky was the limit, iedereen kon een uitkering krijgen als kunstenaar. Je hoefde maar een scheet te laten in een boterhamzakje en het dicht te binden en je kreeg een maandsalaris. Zeker in Goa, waar we een huis huurden, kon je daar wel een tijdje op teren, dus daar gingen we in de winter heen.
‘Idealen om de wereld beter te maken, waren er volgens mij helemaal niet. Vrijheid, blijheid, eerlijk zullen we alles delen: dat was een complete illusie, natuurlijk. Er was veel gedoe onderling. Als kind weet je niet precies wat er speelt, maar je voelt wel dat er spanningen zijn. Over geld bijvoorbeeld, heb ik veel later van mijn moeder gehoord. En ik was een soort bliksemafleider.’
‘Ja. Ze maakte zich in het begin wel zorgen dat ik geen goed woord over had voor Ruigoord.’
‘Ja, dat mag ik hopen, want ik heb juist niet veroordelend willen zijn. Ze vindt het mooi, geloof ik, maar ook heftig. En confronterend.’
‘De eenzaamheid van dat jongetje. Hoe ik me als kind van gescheiden ouders tussen verschillende werelden moest bewegen, daar hebben we het vroeger nooit over gehad. Er was de wereld van mijn stiefvader en mijn moeder, maar ook die van mijn vader in Bergen. En dan was er nog de wereld van school en die van onze reizende groep, een bubbel, waarin ik heel erg mijn best deed om maar gezien te worden. De clown uithangen, met de pet rond, een vuurspuwact, nog een act, tuurlijk, ik deed het allemaal. Als kind vind je alles normaal, maar tijdens het schrijven, boven het toetsenbord, realiseerde ik me: jezus, dat moet pittig zijn geweest.’
‘Die man was astroloog en hij handelde in halfedelstenen en ik zag mezelf als een soort tovenaarsleerling, ik vond dat fascinerend en wilde bij hem in de leer. En mijn moeder ging daarin mee, zelfs toen uit een brief van zijn vrouw bleek dat hij weer verslaafd was.
‘‘Jij was zo volwassen’, zei mijn moeder later, ‘ik had er gewoon niets tegenin te brengen, je was heel overtuigend.’ Nu denk ik: je kunt je ook afvragen waarom ik toen al zo volwassen was. Je kunt ook zeggen: je mag wel heel volwassen lijken, maar je bent toch een kind van 14 en je gaat niet, punt uit.
‘Van dat hele in de leer gaan is overigens niets gekomen, die man lag namelijk de hele dag out op de bank. En ik banjerde over de markt van Calcutta. Ik ging gewoon mijn eigen gang.’
‘Ja, jeetje, blowen, dat was de nieuwe thee of koffie, dat was zoiets normaals. Ik weet het niet, misschien was het alleen bij ons thuis normaal, maar ik kende niemand die niet blowde. Beter dan sigaretten, vonden we. Ik kan me niet herinneren dat ik er ooit een gesprek over heb gehad met mijn ouders, zo van: hé, gast, wat ben je aan het doen?’
‘Nu ja, wel van: dat is heel verslavend, pas daar mee op, maar mij werd niets verboden. Je moest het zelf maar uitzoeken, gewoon. Ik bedoel, we groeiden wel op in een omgeving waar drugs werden gebruikt, maar vooral softdrugs, het is niet zo dat er bij ons spiegels met bergen coke erop lagen. Mijn ouders zullen dat vast wel gedaan hebben, maar niet waar wij bij waren.’
‘Nee, maar eh... Daar wil ik eigenlijk niets over zeggen. Niet omdat ik vind dat mensen het niet mogen weten, maar...’ Lachje: ‘Omdat ze het zelf maar moeten lezen in mijn boek. Ik wil niet alles weggeven, dat vind ik zonde.’
‘Ik ben weggegaan, op tijd. Ik ben op mijn 17de het huis uitgegaan en heb mijn eigen pad gekozen. Dat is wel mijn redding geweest, naar mijn idee.’
‘Niet met een breuk met mijn ouders ofzo, maar ik vond steeds meer mijn eigen plek. Vanaf je 12de kom je toch alleen maar thuis om te eten en te slapen, en wat later ging ik echt op mezelf wonen. Ik wilde ook niet meer mee op reis. Ik wilde naar school, daar vond ik het veel leuker.’
‘Ja, mijn moeder vond: je moet kunnen lezen en schrijven, maar verder leer je op reis meer dan op school. Dus zij vroeg: sta je nog steeds achter je beslissing, vind je dat écht een goed idee? Lacht: ‘Zulke gesprekken voer je dan.’
‘Ik moest me echt losmaken. Besluiten: fuck jullie allemaal, hoe het ook uitpakt, zó ga ik het doen. Anders blijf je erin hangen. Ik denk echt dat als ik op Ruigoord was gebleven, ik eraan onderdoor was gegaan.’
‘Het boek van Roxane heb ik nog niet gelezen, wel Wat je van bloed weet van Philip Huff. In dat soort boeken herken ik veel. Ik ben dan vroeger niet lichamelijk mishandeld, maar het is natuurlijk psychisch totaal onveilig geweest.’
‘Ik denk dat, eh... het toch het narratief van mijn stiefvader is geweest. Hij was de artistiek leider, hij bepaalde wat er gebeurde en daarin was hij dominant. Ik vind het ingewikkeld, want ik wil hem niet afschilderen als een soort tiran, maar het was wel zijn leven dat wij leidden, het was zijn verhaal. Ruigoord was Rudolph en Rudolph was Ruigoord, en als je je eigen verhaal wilde vertellen, moest je daar weg. Als ik was gebleven, had ik mezelf moeten bedwelmen, verdoven, want er was geen ruimte voor mijn verhaal.’
‘Zijn dood, bedoel je? Tja, dat weet ik eigenlijk nog niet, dat is een verwerkingsproces.’
‘Jazeker wel, maar die heeft een lang ziekteproces gehad. Plus: Rudolph was niet mijn vader, uiteindelijk.’
‘Ja, al heb ik ze allebei nooit zo als een vader ervaren. Al die mannen uit die tijd, nou ja, het waren stuk voor stuk... leuke gasten misschien, maar het waren echt geen vaders, punt.’
‘Het waren stuk voor stuk behoorlijk op zichzelf gerichte personen.’
Lacht: ‘Ja, hè?’
‘Nou, het grappige is: de enige in ons gezin die niet verslavingsgevoelig was, was Rudolph. Voor de rest hebben we dat gen allemaal behoorlijk. Guus Boissevain was ook een flierefluitende kunstenaar die elke dag een fles wijn opentrok. En dat ik vanaf mijn 3de van hot naar her piemelde, kwam omdat hij zijn vrouw en zijn jonge kind het huis uit had gebonjourd. Dat hoorde ik later van mijn moeder: wij stonden gewoon met onze spullen op straat.’
‘Ik wist heel goed wat ik níét wilde, denk ik. Ik wilde niet afhankelijk van iets of iemand in de goot belanden. Ik heb natuurlijk ook het geluk dat ik, anders dan mijn broertjes, een vorm heb gevonden om me te uiten. Ik ben kunstenaar.’ Vrolijke blik: ‘Daar, I said it.’
‘Kijk, binnen het verhaal van Ruigoord waren er beperkte mogelijkheden. Rudolf was de motor, de leider. Er waren dienende posities zoals koken, de tent opzetten, de bus rijden, maar de meest vrije rol was verder die op het podium. En daar ging ik op staan, op dat podium, honderd procent verantwoordelijk voor wat ik aan het doen was, dat geeft een krachtig en vrij gevoel. Mijn broers hebben dat nooit zo gehad, denk ik, maar mijn redding was dat ik me kon ontplooien binnen iemand anders’ verhaal. Tot ik wegging en mijn eigen verhaal ging vertellen.’
‘Nee, ik was woedend, eigenlijk, toen ik het hoorde, enorm pissig dat hij het zo ver had laten komen. Mijn eerste reactie was daarom: oké, jammer dan, hier heb ik geen zin in, en dóór.’
‘Totaal ja, ik werd hoekig en stug van het wegstoppen van mijn verleden. Toen anderhalf jaar later ook mijn vader doodging, kwam eigenlijk pas het verdriet om mijn broertje naar boven. Ik draaide mezelf helemaal vast. Niet dat ik gek werd ofzo, maar ik was niet gelukkig, ik kon niet meer genieten van dingen, ik vond alles stom en ik vond alles gedoe. Het had allemaal geen zin meer. Uiteindelijk ben ik met iemand gaan praten omdat ik door de bomen het bos niet meer zag. En zij zei: waarschijnlijk moeten we toch terug naar het verleden. Maar ik vond dat bullshit, ik heb geen zin om die beerput open te trekken, zei ik de hele tijd.
‘Tot ze zei: ‘En wat nou als je al die bullshit, zoals jij het noemt, die stront uit je verleden, gebruikt om de akkers van je toekomst te bemesten?’ Hij zegt het met een lachje, op gespeeld-plechtige toon. ‘Nou, dat zijn we toen gaan doen. Ik heb een hele tijd bij haar gezeten en ik ging steeds iets opgeluchter naar huis. Je kunt niet alleen maar het positieve willen voelen en alle pijn wegduwen, zo werkt het nu eenmaal niet. In therapie kon ik het verdriet eindelijk toelaten en een heleboel frustratie met terugwerkende kracht verwerken.’
De ‘mate van chaos waarin je als kind opgroeit’, zegt Boissevain, deelt hij met zijn vrouw Vanessa, dochter van kunstenaar Jeroen Henneman en kostuumontwerpster Annemiek Souwen, en dus ook afkomstig uit een kunstenaarsgezin. Ze is eigenaar van Henneman Agency, een belangrijk agentschap voor regisseurs, scenaristen en acteurs, zoals onder anderen Jacob Derwig en Barry Atsma.
‘Ik denk wel dat dat helpt, ja. Ze komt niet van Ruigoord, maar zij is ook opgegroeid met een reizend theatergezelschap, bijvoorbeeld. Dus dat reizen, dat kent ze. Over bepaalde emoties of dingen hoef je gewoon niet te lullen, want dat weet je van elkaar. Dat je je onzeker kunt voelen in sommige situaties, of een gevoel van onveiligheid hebt.’
‘Nou, er zijn nooit heel grote conflicten geweest, maar ik weet nog wel dat ik vroeger een eigen act had bedacht, maar dat ik van Rudolph met de trommelaars moest meelopen. Toen moest ik echt een strijd met hem aangaan. Als ik daarop terugkijk, denk ik: what the fuck, gast, ik was een gozertje van 11 en ik moest met jou discussiëren als een volwassene, omdat jij blijkbaar niet het vertrouwen had dat het goed was wat ik deed. Daar kwam hij dan later wel op terug, maar hij zag me helemaal niet.’
‘Nee, dat is er eigenlijk nooit van gekomen.’
‘Dat is een interessante vraag. Omdat ik dat niet durfde, denk ik. Ik vind het nog steeds heel moeilijk om dat soort gesprekken aan te gaan.’
‘Ja. Het dubbele is dat ik altijd vond dat de volwassen Ruigoorders uit mijn jeugd een stelletje idioten waren die er een rommeltje van maakten, maar het was ook een magische plek. Regels en structuur waren er niet, maar ik heb niet het gevoel dat het aan liefde tekortschoot. Ik ben er natuurlijk toch een beetje als een soort prins opgevoed.’
‘Dat is een rare combinatie, ja. En ergens wil ik nog steeds graag gezien worden, terwijl ik aan de andere kant onzichtbaar wil zijn. Als ik een voorstelling speel, voel ik me op het podium lekker, daar ben ik in mijn element. Maar daarna de foyer ingaan om nog een beetje na te praten vind ik vreselijk, dan heb ik de neiging om in een hoekje van de bar snel een paar bier te gaan zitten wegtikken. Tijdens het spelen vind ik aandacht lekker, maar daarna zou ik het liefst anoniem in de massa opgaan.’
‘Ja, al ben ik daar nu overheen gestapt, maar er was een tijd dat ik bij elk telefoongesprek dat Vanessa voerde, zat te luisteren: wie is dat? Waarom heb ik voor die rol geen auditie kunnen doen?’
‘Natuurlijk, totale paranoia, echt alle scenario’s gaan door je hoofd. En dat is zó niet opbouwend voor jezelf, want op het moment dat je auditie doet, moet je ontspannen overkomen en niet al te eager, je moet je dus een onkwetsbaar masker aanmeten terwijl je je heel kwetsbaar voelt. Ik kan dan erg een miezemuizer worden: niemand wil me, ik lig eruit, maar het slaat nergens op om maar een beetje onzeker te gaan zitten wachten bij de telefoon.
‘Een paar jaar geleden had een vriend van me, die partytenten verhuurt voor Lowlands, personeelstekort, en toen ben ik dat een zomer lang gaan doen. Tenten opzetten op festivals, gewoon fysiek beunen, totaal geen tijd om met je hoofd bezig te zijn. En ik vond het heerlijk, echt heerlijk. Dat heb ik dan ook wel weer overgehouden aan het vele reizen en het los-vastbestaan: een soort survivalmodus. Ik vind overal mijn plek.’
29 juni 1969 Geboren in Amsterdam.
1969-1986 Groeit op in Ruigoord nabij Amsterdam.
1981-1985 Mavo op het ivko in Amsterdam, montessorischool met veel aandacht voor kunst (niet afgemaakt).
1985-1886 Theatervormingsklas in Amsterdam.
1987-1992 Toneelschool Amsterdam.
1993 Eerste hoofdrol, in Angie.
1996 Hoofdrol in de film De Zeemeerman.
1997 Speelt Johnny in de film All Stars.
1999 Westenwind.
1999 - 2001 Speelt Johnny in de tv-serie All Stars.
2002 - 2005 Tv-serie Meiden van De Wit.
2006 Speelt Herman Brood in de film Wild Romance.
2007 Musical Doe Maar (musical-award voor beste mannelijke hoofdrol).
2005 - 2009 Tv-serie Gooische vrouwen.
2011 Film Gooische vrouwen.
2013 Tv-programma Wie is de mol?
2016 Film Alberta.
2018 Tv-serie Zomer in Zeeland.
2019 Tv-serie Oogappels.
2020-2023 Tv-serie All Stars en zonen.
2021 - 2022 theatersolo De schuldige.
2022 Piece of My Heart.
2023 Autobiografische debuutroman Het magische kind, uitgeverij Pluim.
Daniël Boissevain is getrouwd met Vanessa Henneman, ze hebben twee kinderen: zoon Robin (27) en dochter Bibi (24). Hij woont in Amsterdam.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden