Home

Het OM nam met alle regels over afluisteren van media een loopje

Mondkapjesaffaire

Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.

Is het verschoningsrecht van journalisten bij het Openbaar Ministerie in goede handen? Snappen officieren van justitie de gedragsregel dat media alleen onder strikte voorwaarden mogen worden afgeluisterd? En wel omdat zij een maatschappelijke vertrouwensfunctie hebben, de openbaarheid dienen en daarmee een belangrijke rol in de rechtsstaat vervullen – als onafhankelijk controleur van de macht met wie burgers dus een beschermd contact mogen hebben. Ook, of misschien wel juist, als die burgers verdacht zijn en dus voorwerp van het machtsmonopolie van het OM.

De vraag rees nadat het OM erkende een gearrangeerd achtergrondgesprek van De Correspondent met drie verdachten op een aparte locatie, te hebben afgeluisterd. Waarbij het er alle schijn van heeft dat het met vrijwel alle regels een loopje nam. Dwangmiddelen inzetten tegen media mag alleen onder bijzondere omstandigheden. Als er geen alternatieven zijn en het over zeer ernstige misdrijven gaat. Denk aan minimaal twaalf jaar gevangenisstraf, zoals moord, doodslag, verkrachting en mensenhandel. Afluisteren mag pas nadat de rechter-commissaris toestemming gaf en na toetsing door het College van Procureurs-Generaal.

Pas als ál die hobbels zijn genomen gaat opsporing boven bronbescherming. Na verloop van tijd moeten journalisten daarvan door het OM ook op de hoogte worden gesteld. Mocht blijken dat een verdachte spontaan afgeluisterd contact had met een journalist, (‘bijvangst’), dan dient de officier zélf te beoordelen of het gesprek onder het verschoningsrecht dient te vallen. Die informatie mag dan niet in het strafdossier. Het OM moet in zo’n geval het journalistieke verschoningsrecht zelf beschermen, achteraf.

In de kwestie met De Correspondent verzuimde het OM de journalisten achteraf in te lichten over hun onvrijwillige bijdrage aan de opsporing. Dat is al een veeg teken. Pas toen het strafdossier de verdachten bereikte bleek het 180 pagina’s transcript van het journalistieke gesprek te bevatten. Aan de rechter-commissaris (rc) lijkt wel toestemming te zijn gevraagd om drie verdachten van oplichting en verduistering te mogen afluisteren. Maar dat daar ‘ook’ drie journalisten bij aanwezig zouden zijn, leek de officieren eerder ‘bijvangst’ dan hoofdzaak. En niet de moeite van het aanmelden waard. Precies het omgekeerde van wat van een officier verwacht mag worden. Bovendien een opzettelijke miskenning van de aard en opzet van het journalistieke gesprek – en misleidend voor de rc. Ook de interne toetsing werd gemakshalve overgeslagen. En of verduistering aan de ‘moord & doodslag’-maatstaf voldoet is ook maar de vraag.

Achteraf verdedigt het OM zich met de onhoudbare stelling dat de betreffende verdachten „bekend [waren], ook in de buitenwereld, waardoor recht op bronbescherming niet in het geding was.” Alsof niet óók bekende bronnen beschermd contact met media zouden mogen hebben. Hier werden dus alle denkbare bochten afgesneden en verplichtingen geschonden die juist voor het rechtsstatelijk evenwicht tussen persvrijheid en opsporing moesten zorgen.

Het OM kondigt nu aan de regels „opnieuw tegen het licht te houden” en wil met De Correspondent en de beroepsorganisatie NVJ in gesprek. De kou moet kennelijk uit de lucht. De regels zijn hier alleen niet het probleem, wel de handhaving. Het OM kan dus beter z’n eigen handelen tegen het licht houden en dáár een eerlijke conclusie aan verbinden. En de vermoedelijk zelf toegebrachte schade aan de strafzaak in de mondkapjesaffaire maar incasseren.

Source: NRC

Previous

Next