Eerder deze week hoorde ik – het was ergens nabij station Leiden – een jongen en een meisje praten over hun depressies. Er zaten weinig mensen in de coupé, dus ze spraken honderduit over de behandelingen die ze volgden en de medicijnen die ze slikten.
Allebei begonnen ze hun verhaal in coronatijd en het viel mij op hoe terloops ze dat deden, alsof het volslagen logisch was dat iedereen van hun leeftijd zich nu eenmaal ellendig voelde tijdens die jaren. Ze maakten er bijna geen woorden aan vuil, want wat viel er eigenlijk nog te zeggen over die periode, behalve dat het een eenzame was?
Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Die terloopsheid trof me, want ik herken dat sentiment. Ook ik denk liever niet terug aan die eerste lockdown, toen ik nog in Italië woonde, en het leven van mijn vriendin en mij elke dag iets kleiner werd. Normaal zouden we naar buiten zijn gegaan, iets drinken bij Bar San Calisto, maar vanwege het virus kon dat niet. En omdat we geen puzzelaars bleken, hadden we niets anders te doen dan eindeloos ronddwalen in onze eigen gedachten, die elke dag weer iets somberder waren dan de dag ervoor.
Soms, of eigenlijk best vaak, vergeet ik even dat we tot anderhalf jaar geleden in een wereld leefden waarin weet ik hoeveel baby’s werden geboren die pas weken later door opa en oma konden worden geknuffeld, waarin relaties stukliepen, net als vriendschappen en familiebanden. Sommige studenten begonnen in die periode veel te veel drugs te gebruiken, anderen werden juist angstig of ontwikkelden een groeiend wantrouwen jegens de overheid. Er was rouw, woede. Het waren jaren zonder klassenfoto’s.
We zagen hoe de wereld van sommige ouderen zo klein werd, dat er alleen nog maar eenzaamheid overbleef. En pubers bij wie het eerste ontwaken van de liefde niet van de grond kwam, simpelweg omdat ze continu thuis achter hun laptop zaten.
Bij velen van ons verdween er tijdens die coronalockdowns een deel van de opgewektheid uit ons leven, en zoveel mensen bezeerden zich in die periode aan de wereld, dat het eigenlijk absurd is hoe weinig we erover praten.
Ergens doen de coronajaren denken aan een trauma, maar dan op nationaal niveau. In veel Nederlandse levens gebeurde die periode zoiets ingrijpends, dat we de collectieve neiging kregen de gebeurtenissen diep in ons geheugen weg te stoppen, teneinde er nooit meer aan te hoeven denken.
Maarten Keulemans vatte donderdag in de Volkskrant het kritische eindoordeel samen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over het kabinetsbeleid tijdens de coronacrisis. Conclusie: het kabinet negeerde adviezen, communiceerde belabberd en had veel te weinig oog voor niet-medische problemen, zoals leerachterstanden, eenzaamheid en maatschappelijke onvrede.
Het is natuurlijk goed dat dergelijke onderzoeksraden analyseren wat er op bestuurlijk niveau goed en fout is gegaan. We hebben conclusies nodig om van te kunnen leren. Maar misschien is het ook verstandig om wat vaker te bespreken welke littekens diezelfde coronacrisis eigenlijk bij onszelf heeft achtergelaten. Niet zozeer via een parlementaire enquête of nóg een wetenschappelijke studie, maar gewoon, met elkaar, op een vrijdagavond aan tafel.
Dat we dan aan elkaar vragen of we er nog weleens aan terugdenken en of het inmiddels weer wat beter gaat. En als we dan ja zeggen, is dat fijn. Maar als we nee zeggen – nee, het gaat eigenlijk nog steeds niet goed – dan is dat ook niet erg.
Source: Volkskrant