Home

‘Ze is natuurlijk ziek geworden van dat hondenvoer’, zei mijn zoon. ‘Jouw schuld’

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Mijn favoriete, wrakkige Limburgse vakantiepark ‘Vacantievreugd’ ging tegen de vlakte, herrees als een Troje vol kookeilanden en vloerverwarming, en heet sindsdien ‘Roompot Gulpen’. Een mooie titel, volgens mijn zoon, voor een Limburgse pornofilm.

Van porno is hier gelukkig geen sprake, maar wél van een poes. Een slordig gebouwde lapjespoes. Schuw en hongerig verscheen ze de eerste avond bij ons huisje, en wachtte in de niet aflatende regen op de dingen die komen gingen. ‘Kom maar binnen!’, riepen we, maar zwerfkatten gaan, door ervaring geschraagd, niet uit van goede bedoelingen. Arme poes!

Door de roffelende regen rende ik naar het parksupermarktje, dat nog nét open was. ‘Goedenavond, hebben jullie kattenvoer?’ Nee. Logisch ook, want mensen nemen meestal geen katten mee naar een vakantiehuisje. Wél honden. Hondenvoer was er dan ook in beschamende overvloed: harde brokken, blikjes paté, bijtstokken, snoepjes, speelballetjes; de hondjes in Gaza zouden gewatertand hebben bij de aanblik.

Maar eet een kat hondenvoer? Na lang aarzelen (de caissière begon al vrij dwingend op haar horloge te kijken) koos ik een blik ‘paté met konijn’, met een plaatje van een zwakzinnige labrador op het etiket. En terug weer, door de regen, waar de poes inmiddels onder de tuintafel zat, een verwachtingsvolle blik in de oogjes.

Ik stopte het blik in mijn zak, zodat ze het plaatje van die domme hond niet zou zien. Binnen schepte ik wat voer op een schoteltje, en plaatste het op respectvolle afstand van de kat. ‘Toe maar!’, riepen we, maar ze tastte pas toe toe we naar binnen gingen. In een oogwenk was de portie verslonden. We schepten nóg eens op, opnieuw verdween het voer binnen luttele seconden, en daarna was de poes verdwenen.

We maakten ons zorgen. Waar was het arme beest gebleven? Waar moest ze de nacht doorbrengen, met dit helse weer? We maakten lokkende geluiden, maar ze bleef weg. Ook de volgende dag verscheen ze niet, hoe we ook smeekten en vleiden, in de roffelende regen.

‘Ze is natuurlijk ziek geworden van dat hondenvoer’, zei mijn zoon. ‘Jouw schuld.’ ‘Ach welnee’, snauwde ik, maar schuldgevoel begon te knagen. Door weer en wind speurde ik het hele park af. Pooooeees, poes, poes poes.... Niks. Lag ze ergens te sterven onder een berg natte bladeren?

Nou, ik was nat tot op mijn hemd, maar ik heb haar gevonden, hoor. Helemaal aan de andere kant van het park zat ze, warm en droog, op de bank in zo’n bungalow, en liet zich met overgave aaien door een klein meisje in een roze pyjama.

Wat een hoer! (Die poes, hè, niet dat kleine meisje.)

Source: Volkskrant

Previous

Next