Het is altijd weer een verrassing wat er in de zak zit. Want tegenwoordig komen ze steeds vaker in zakken binnen. De zakken worden aangevoerd door medewerkers van een gespecialiseerde uitvaartonderneming.
De inhoud kan in een woning van de vloer zijn gekrabd. Soms zit er nog een stuk matras aan iemand vast, of een deel van een wc-bril of een douchegordijn, zoals laatst. De doden nemen de vreemdste voorwerpen met zich mee.
Als de inhoud uit het water komt loopt er een vochtig spoor van het busje van de gespecialiseerde uitvaartonderneming, dat parkeert op het pleintje voor de ingang aan de Van der Boechorststraat in Amsterdam, door het gangetje naar de obductieruimte met de koelcellen.
Alle eenzamen die ik de afgelopen vijf jaar heb begraven, want zo lang heb ik deze vreemde bijbaan intussen, zijn door dit gangetje gegaan. Al mijn eenzamen zijn hier uit de zak gehaald om te worden onderzocht en opgelapt. Om korte of soms juist lange tijd te logeren in een van de vierentwintig koelcellen.
Peter Kraaijeveld (53), Mortuarium en Obductie Unit-medewerker van de afdeling pathologie van het Amsterdam UMC aan de Zuidas, is een van de mensen die de zakken openmaakt. Hij doet dat al tweeëntwintig jaar.
Het valt hem op dat de zakinhoud in de loop der jaren steeds groteskere vormen heeft aangenomen. Arme donder, denkt hij dan. Zo had je je waarschijnlijk niet aan iemand willen vertonen.
Als hij de rits opentrekt, altijd in aanwezigheid van de gemeentelijke lijkschouwer en meestal met wat politie erbij, kan er van alles gebeuren. In het gemeentelijk mortuarium van Amsterdam, want dat is het hier feitelijk, houden Kraaijeveld en zijn collega’s rekening met de gekste dingen.
Poule des doods
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
‘Je ruikt de stank, je hoort de stank en je proeft de stank’, zegt Kraaijeveld, als hij illustrator Merel Corduwener en mij vrijdagmiddag 20 oktober een rondleiding geeft door het ietwat macabere gebouwtje aan het einde van een afgelegen vleugel van het ziekenhuis.
Aan blauwe vliegen zijn ze inmiddels wel gewend. Je trekt de rits open en het duivelse volk komt gonzend tevoorschijn. Omdat het steeds vaker gebeurde hebben ze een paar jaar geleden andere lampen opgehangen.
Slagerslampen, zegt Kraaijeveld. Ze werpen een speciaal licht en verspreiden een geur die aantrekkelijker is dan die van het kadaver. Het ongedierte zwermt de lamp in en na wat geknetter is het over en uit.
Zo kunnen er nog heel wat insectensoorten tevoorschijn komen, het lijkt hier soms wel een entomologische collectie. Allerlei ongewervelds krioelt of fladdert erop los. In de natte zakken tref je aquatische parasieten aan. Kikkers in monden, kreeftjes in oren, visjes in endeldarmen. Dit alles gelardeerd met wat kroos en waterplanten.
Met de doden die hier komen, is duidelijk iets niet goed gegaan. Wie normaal sterft, in het bijzijn van familie en vrienden, zoals het hoort, arriveert hier niet. Dit zijn de doden die pech hebben gehad, of doden die de pech misschien een beetje hebben opgezocht.
De lichamen die hier liggen zijn niet allemaal van eenzaam gestorven mensen. Een deel is van misdrijven afkomstig, vermoorden dus: doorzeefde lichamen, doorgezaagde lichamen en ga zo maar door. Slachtoffers van ongevallen zijn er ook bij.
Dan is er nog een wat normalere categorie. Mensen die hiernaast in het ziekenhuis overlijden worden ook tijdelijk in deze koelingen gestald. Die hoeven niet forensisch onderzocht te worden, hun identiteit is vrijwel altijd bekend. Na een paar uur worden ze opgehaald door de uitvaartondernemer.
Terwijl Kraaijeveld vertelt komt er net eentje binnen, al weten we niet dat het deze categorie betreft. Het is een man, zojuist heeft hij de geest gegeven. Twee verpleegkundigen die erbij waren, rollen hem nu in zijn ziekenhuisbed het mortuarium in.
Merel Corduwener en ik schrikken een beetje, want Kraaijeveld heeft uitgebreid verteld over de diverse stadia van ontbinding waarmee hij zoal wordt geconfronteerd. Dus gaan we meteen uit van het ergste, Corduwener kijkt benauwd richting uitgang. Maar dat hoeft niet, zegt Kraaijeveld, dit is een gewoon lijk, niets geks mee aan de hand. De overledene bevindt zich ook niet in een zak. Hij ligt vredig onder een laken.
De verpleegkundigen zeggen dat de man een trouwring draagt die ze niet van de vinger krijgen. Geen probleem, zegt Kraaijeveld. Ringen verwijdert hij in een handomdraai, met een speciaal touwtje. Honderden keren heeft hij dat al gedaan.
Terug naar de eenzamen, want daarom ben ik hier. Op uitnodiging overigens van Kraaijeveld zelf. Hij is een trouwe lezer van deze rubriek en vroeg of ik een keertje wilde komen ‘buurten’. Want mijn doden zijn altijd door zijn handen gegaan. Voor hem is het prettig om achteraf het verhaal te lezen van de onbekende. Dan weet je toch wat beter wie de mens was aan wiens overblijfsel je zo veel zorg besteedde.
Op het moment dat ze bij hem liggen, weet hij niet of hen een eenzame uitvaart is vergund, ik weet dat op dat moment zelf ook nog niet. De politie en Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam slagen er in de meeste gevallen in alsnog een nabestaande of anderszins bereidwillige te vinden; gelukkig maar.
Dat neemt niet weg dat de doden van deze afdeling, zeker de zwaar bedorven exemplaren waarvan Kraaijeveld er steeds meer telt, vrijwel allemaal in hun eentje zijn gestorven. Ze stonden er helemaal alleen voor en bevonden zich lang niet altijd in een prettige omgeving toen het licht uitging.
Voor hij op deze aparte plek aan de slag ging, werkte Kraaijeveld als uitvaartondernemer in Utrecht en Woerden. Toen was het hoge uitzondering als er iemand lang na het overlijden werd aangetroffen. ‘Tegenwoordig is het schering en inslag.’
Als de inhoud van de zak op tafel ligt kan het puzzelen beginnen. Soms staat iemands identiteit al min of meer vast, omdat diegene in de eigen woning is gevonden, vaak na een melding van stankoverlast door de buren.
Die veronderstelde identiteit dient wel forensisch bevestigd te worden. Als het gezicht enigszins intact is kan dat eenvoudig, wanneer er in de woning bijvoorbeeld een identiteitsbewijs met pasfoto is aangetroffen.
‘Maar steeds vaker is dat dus niet meer het geval,’ zegt Kraaijeveld. Soms kunnen ze van de inhoud niet eens zeggen of die mannelijk danwel vrouwelijk is, dat wordt pas duidelijk als de kleren van het lijf zijn geknipt. Hij toont ons een grote kleermakersschaar.
Zijn instrumentarium bevat ook een langwerpig pincet. Daarmee kunnen zakken, of wat daar van over is, makkelijker binnenstebuiten worden gekeerd dan met gehandschoende vingers. Kraaijeveld trekt nog een laatje open. Daar liggen speciale spuiten in om bloed of urine mee op te zuigen. Want in principe ondergaat iedereen hier een toxicologisch onderzoek, om uit te sluiten dat van vergiftiging sprake is.
Regelmatig verkeert de zakinhoud in zo’n slechte conditie dat alle sappen vermengd zijn geraakt, toxicologisch kun je dan niet meer zoveel. Soms valt er in het geheel niets op te zuigen omdat iemand zo lang ergens lag, hing of dreef dat het lichaam volledig is leeggelopen.
Steeds vaker ziet Kraaijeveld de forensisch odontoloog, die aan de hand van gebitten een identiteit probeert vast te stellen. Vroeger zag hij deze man zelden, tegenwoordig meerdere keren per maand.
De mensen van het NFI zijn ook goede kennissen geworden. Het lijkt wel fabriekswerk zo vaak als ze dna-materiaal komen afnemen in de hoop alsnog tot identificatie te komen. Resultaat heeft dat niet altijd, want je hebt toch verwanten van de onbekende nodig om het materiaal te kunnen vergelijken.
In de ruimte zijn allerhande medische schorten, maskers, spatbrillen, laarzen en haarnetten voorhanden. Kraaijeveld trekt het liefst zo weinig mogelijk aan, vaak tot verbijstering van de politiemensen. Geuren doen hem na al die jaren niet meer zo veel. Dat ontbindende lichamen ziekteverwekkende miasmen zouden kunnen uitstoten is volgens hem een broodjeaapverhaal.
Hij ruikt niet graag omdat hij het zo lekker vindt, hij ruikt omdat de geur een verhaal kan vertellen. Wie een zuurstofmasker draagt vangt alcoholdampen of het aroma van verdovende middelen niet op.
Behalve die ene keer dat ik een vrouwelijke romp moest begraven zijn de lichamen waar ik mee te maken krijg meestal niet aan een misdrijf te koppelen. Deze gevallen worden in gerechtelijk jargon ‘zaakwaarnemingen’ genoemd.
Anders dan wanneer het een ‘inbeslagname’ betreft – gevallen van een verdachte dood – zouden de zaakwaarnemingen het mortuarium direct weer moeten verlaten als de identiteit is vastgesteld. Helaas, zegt Kraaijeveld, blijven veel zaakwaarnemingen ook na identificatie soms nog wekenlang liggen omdat de nabestaanden niet kunnen of willen worden gevonden.
Dit veroorzaakt opstoppingen. De zes separate koelcellen die de politie hier huurt, zijn al vlug volgeboekt. In beslag genomenen, op wie vaak ook obductie moet worden gepleegd, krijgen dan voorrang. De zes politieplekken zijn separaat en kunnen worden verzegeld, de achttien overige plekken niet.
Mijn zogenoemde zaakwaarnemingen liggen dus regelmatig in de niet-separate koelcellen. Wat extra schoonmaakwerk oplevert, zegt Kraaijeveld. Want voor je het weet marcheert het ongedierte naar een volgend lichaam.
Het echte werk begint voor Kraaijeveld als hij de lichamen na het onderzoek weer zo mooi mogelijk kan maken. Hij opent een volgende lade. Een keur aan verzorgingsproducten komt tevoorschijn, het mortuarium verandert in een beautysalon.
Het haar, indien nog aanwezig, is vaak erg vet. Hij wast het zorgvuldig met een fijne shampoo. Vervolgens kamt hij het met een antiklitborstel en haalt er dan nog even een föhn overheen.
Als er nog voldoende huid is probeert hij een gezicht met hulp van make-up zo normaal mogelijk te laten lijken. Een opengevallen mond kan met een speciaal steuntje worden gesloten. Met watten kun je storende gaten opvullen, met botlijm zijn ook mooie effecten te bereiken.
De rest van het lichaam wordt gewassen, zolang dat nog gaat. Uiterst behoedzaam want alles aan een dode laat los. Soms is hij wel twee uur bezig, maar dan ligt er ook iets schoons en moois. Het blote, bijna frisse overblijfsel wordt vervolgens, na overdadig met reukwater te zijn besprenkeld, in een lijkwade gehesen. De boel is dan klaar voor transport.
De gevallen die mijn kant opkomen worden opgehaald door Uitvaartcentrum Zuid. Alvorens Sint Barbara te bereiken liggen ze daar nog enkele dagen in de koeling. Ze krijgen daar ook pas hun kist.
Kraaijeveld en zijn collega’s worden een beetje moedeloos van de significante toename van sterk ontbondenen. Van de 324 doden die het mortuarium dit jaar verwerkte verkeert zeker een derde in rottende toestand en is zodoende aan eenzaamheid te koppelen.
Het mooi maken van zwaar aangetaste lijken is moeilijk en tijdrovend. Toch zullen hij en zijn collega’s hun uiterste best blijven doen. Zelfs als ze weten dat de kans zeer groot is dat er niemand is om het resultaat van hun arbeid te bewonderen. Het is simpelweg een kwestie van beschaving en fatsoen.
Kraaijenveld stelt zich weleens voor dat hij de honderden die door zijn handen zijn gegaan in een of ander hiernamaals nog eens tegenkomt. Hij hoopt dan dat ze hem zullen bedanken voor de respectvolle zorg die hij verleende.
Als ik hem vraag wat dit alles zegt over de wereld van thans merkt hij op dat ‘de samenleving’ heeft plaatsgemaakt voor ‘de zelfleving’. Het is mensonterend dat er onder het mom van zelfredzaamheid zoveel burgers als uitgedoofde zombies in hun huizen liggen.
Lang en uitgebreid heeft hij verteld, soms over verschrikkelijke zaken. Dagelijks ziet hij dingen die gewone mensen zelfs in hun engste nachtmerries bespaard blijven.
Geen moment verwacht ik dat hij in snikken zal uitbarsten, wat volstrekt gerechtvaardigd zou zijn. Pas achteraf breekt hij. Als we een gedicht van Leopold bespreken en de laatste strofe nog eens overlezen.
Het gaat over een dode hond, maar die hond, ‘dit gistend vod’, had heel goed een van zijn mensen kunnen zijn. Iedereen walgt ervan. Niemand, behalve Kraaijeveld en Jezus, heeft oog voor de mooie tanden van het dier. Als parels zo wit.
Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen
En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de steenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.
En om het kreng verrot en vocht
stonden de menschen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.
En een: de walg van dit gezicht
benevelt en verwart het hoofd
met troebelingen als een kaars
roetwalmend door de wind gedoofd.
Een ander: van dit gistend vod
en vuil het eenigste gewin
is duisternissen voor het oog
en schrik en afschuw voor den zin.
Zoo zong een ieder daar zijn lied
maar allen in denzelfden toon
en overstelpten met verwijt
en spraken bitterheid en hoon.
Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamende rondom:
de tanden zijn als paarlen wit.
J.H. Leopold (1865-1925)
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden