Home

Opinie: ‘Als vrouw heb ik me nooit achtergesteld gevoeld. De overheid was een prima werkgever, ook voor moeders’

Op mijn 27ste had ik mijn studie opgegeven voor een zwangerschap; mijn man had met mijn steun zijn IT-studie afgemaakt en had een meer dan fulltimebaan (bij zo’n bedrijf waar je als je om 18:00 naar huis gaat, de vraag krijgt ‘of je de middag vrij neemt?’).

Ik had intussen vier kinderen gebaard en was doodongelukkig: ik deed wat er van mij werd verwacht, maar het voelde niet als het leven dat ik wilde leiden. Ik vond het moederschap fantastisch, maar had ook ambities. Mijn man weigerde minder te werken en lachte me uit: wat kon ik helemaal, zonder studie, op de arbeidsmarkt? Ik wilde scheiden en rekende hem de alimentatiekosten voor. Hij werd wit om de neus. Ik stelde co-ouderschap voor, waarbij ik geen alimentatie hoefde en alle kosten voor de kinderen gelijk verdeeld zouden worden, net als de zorg: één week bij hem, één bij mij. Dat vond hij een goed alternatief, zeker toen ik ook mijn recht op de helft van zijn pensioen en royale optieregeling opgaf. Na verdeling van de goederen, kon mijn carrière van start.

Hoewel mijn omgeving mij zag als slechte moeder (ik was hooguit één keer per week op het schoolplein) en hij als een fantastische vader (hij was er zeker één keer per week), heb ik altijd fulltime kunnen werken en een leuke carrière opgebouwd als zelfstandig ondernemer. Ik hielp andere vrouwen aan het werk door huishouden en opvang deels uit te besteden. Nu ben ik eigenaar van een bedrijfsketen waar alleen vrouwen werken. Ik heb, vrij uniek in Nederland, menstruatieverlof ingevoerd voor mijn medewerkers. Een eerlijke verdeling van zorg: bij mij kostte het een scheiding, maar dat was wel de sleutel.
Miriam Meester, (54), ondernemer, moeder van vier kinderen, Meijel

In 1989 werd onze eerste dochter geboren. Van kinderopvang was toen nog nauwelijks sprake, laat staan van overheidsbijdragen. Mijn vrouw werkte al zes jaar het onderwijs. Ik was drie jaar eerder een bedrijf begonnen; in 1988 had ik mijn eerste medewerker kunnen aannemen. Mijn vrouw ging in eerste instantie twee dagen per week werken, wat toen al best afwijkend was. We hebben getracht met oppashulpen te werken. Dat lukte niet goed.

Mijn vrouw wilde haar moeizaam bevochten positie in het onderwijs niet kwijt, dat steunde ik volledig. Uiteindelijk hebben we ervoor gekozen dat ik twee dagen thuisbleef. In mijn bedrijf had ik een extra kracht aangenomen; mijn eerste medewerker kreeg meer verantwoordelijkheid en meer salaris.

Het kostte ons geld, maar wat we terugkregen was belangrijker: goede zorg voor ons kind en mooie onvergetelijke momenten voor vader. Deze aanpak hebben we met ons tweede kind doorgezet; mijn vrouw kreeg later een managementfunctie. In mijn bedrijf vertrokken er diverse mensen, die dit alles niet accepteerden, maar er kwamen er ook weer nieuwe bij. Toen het bedrijf verder groeide hebben we regelmatig dankbaar gebruik gemaakt van de oma’s en opa’s. Maar altijd hebben we de opvang samen gedeeld.

Bij ons was dus geen sprake van een babyboete, eerder van een bonus. Misschien dat wij mannen bij het nemen van kinderen onze rol in de emancipatie ook eens moeten meewegen.
Gert-Jan van de Sanden, Tilburg

Bij de geboorte van onze oudste dochter in 1975 speelde dit vraagstuk. Eerst zwangerschapsverlof, toen zomervakantie en toen was moeder er na drie maanden helemaal klaar mee. Rondhangen in huis (met een baby) of bij haar moeder in de tuin, dat zag ze niet als haar toekomst. Parttimer in het onderwijs in plaats van fulltime-moeder?

Voor een 23-jarige vader was er nog niet veel te verliezen, geen stress van moeten/willen opklimmen. Mijn oudste broer zei: huisman? Niet goed voor je carrière! Maar mijn vrouw had de zekerheid dat thuis alles goed liep en kon zich concentreren op haar baan in het onderwijs. Ik benutte de avonden met volwassenonderwijs. Ik werd gemeenteraadslid en later fractievoorzitter. Na 1994 had ik nog een prachtige politieke carrière. Nu, allebei in de 70, tellen wij nog steeds onze zegeningen. Met zeer tevreden kinderen.
Ida en Dick Buursink, Enschede

Dat het mij is gelukt te ontkomen aan de babyboete, komt ten eerste doordat ik met mijn echtgenoot afspraken heb gemaakt over oproepbaar zijn bij ziekte en andere noodsituaties van de kinderen. Daarbij speelde in die periode ook dat wij allebei graag werkten, maar geen grote ambities hadden.

Later, toen ik in mijn mijn loopbaan verder kwam dan mijn echtgenoot, heeft hij meer zorg op zich genomen. Ik heb daarbij altijd bij de Rijksoverheid gewerkt, een prima werkgever die niet kijkt naar zwangerschaps- en bevallingsverlofgaten in je werk, ook niet bij de vraag wie in aanmerking komt voor een beterbetaalde functie.

Aldus heb ik absoluut niet het gevoel achtergelopen te hebben ten opzichte van mijn mannelijke collega’s. Van een ontsnapping aan een ‘babyboete’ is bij ons dus geen sprake. Onze (vier) kinderen zijn geboren tussen 1989-1993, bepaald geen periode waarin al veel van gelijke behandeling mannen en vrouwen sprake was.
Jill Bangert, Voorburg

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next