Home

‘Boven hoorden we kinderen krijsen’

‘Tijdens een nachtdienst kregen mijn collega Jan de Wolf en ik de oproep om naar een keukenbrandje te gaan. Bij aankomst sloegen de vlammen uit het dak. Een tweede dienstauto kwam tegelijk met ons aan. Omdat er geen voordeur was, moesten we langs het huis naar de achterkant. De achterdeur was niet op slot.

‘We kwamen in de keuken, die helemaal was afgetimmerd met schrootjes, dus dat stond allemaal in de hens. De hitte sloeg in ons gezicht. Op dat moment hoorden we kinderen boven gillen.

‘Jan wilde door het vuur naar boven. Hij ging met zijn hand voor zijn mond op de tast richting de trap, maar we wisten instinctief dat hij dat niet ging redden. ‘Niet doen, Jan’, riepen wij. ‘Je gaat er zelf aan!’ Hij wilde door, dus wij grepen hem bij zijn broeksband en trokken hem terug.

‘Het krijsen van die kinderen boven ging door merg en been. Vier meisjes, bleek achteraf, in de leeftijd van 7 tot 13 jaar. Waarom kwamen ze niet naar beneden? We konden niks, godverdomme. We gingen vloekend weer naar buiten, want binnen was het niet te harden door de hitte en de rook.

‘Het was zaterdagavond, uitgaansavond, dus veel cafévolk kwam op de brand af. Die scholden ons uit: ‘Watjes, klootzakken’, omdat zij het geschreeuw ook hoorden en vonden dat wij eropaf moesten.

‘Wij hielden ze op afstand en schreeuwden terug: ‘Sodemieter op, zatlap! Ga naar huis, drink een glas melk en ga slapen.’ Voor ons gevoel duurde het uren, maar toch was het maar een paar minuten voordat we, goddank, de sirenes van de brandweer hoorden.

‘Ze kwamen met vier bluswagens. De brandweer ging met zuurstofmaskers en perslucht naar binnen. Op dat moment zag ik een vrouw in haar nachtjapon naast het brandende huis staan. Ze was straalbezopen en kon amper staan. Dus ik zei: ‘Weg hier, je hebt hier niks te zoeken.’ Tot mijn verbijstering antwoordde ze: ‘Ach meneer, dat zijn mijn kinderen. En als ze doodgaan, maken we wel een paar nieuwe.’

‘Ik stond als aan de grond genageld. Het tekent het milieu waaruit ze komt. Toen trok ik haar weg, zodat de brandweer z’n werk kon doen. Ik duwde haar naar de straat, weg van dat huis. Niet eens om haar tegen de brand te beschermen, maar omdat ik haar niet meer wilde zien. Te walgelijk. Ik verdroeg haar gewoon niet.

‘Het blussen duurde een klein uur, en wij stonden daar maar een beetje te staan, meer konden we niet doen. Op een gegeven moment werd het stil. We hoorden het gillen niet meer. Een raam aan de voorzijde was door de hitte geknapt. Daar stond een ladder tegenaan met een brandweerman erop. Hij pakte het eerste slachtoffertje aan dat naar buiten werd getild. Dat beeld krijg ik niet meer van mijn netvlies. Het was een lijkje van een meisje met een gesmolten emmer rond haar hoofd.

‘Later bleek uit ons onderzoek dat die meisjes in die kamer werden opgesloten. Omdat ze weleens wegliepen, had hun vader een traliewerk voor het raam gemaakt en de klink aan de binnenzijde van hun kamer verwijderd. Dus ze zaten als ratten in de val. Omdat ze soms ’s nachts moesten plassen, stonden er twee plasemmers in hun slaapkamer. Een van hen had vermoedelijk zo’n emmer rond haar hoofd getrokken om zich te beschermen tegen het vuur.

‘Buiten wemelde het inmiddels van de politie. De recherche was er, de technische dienst en allerlei leidinggevenden en hotemetoten. Ik herinner me nog goed dat een van mijn collega’s emotioneel was, en dat een van die leidinggevenden zei: ‘Je bent toch geen watje, hè?’

‘Het was de tijd van niet lullen, maar poetsen. Er werd niet gepraat, je stelde je onkwetsbaar op. Veel politiemensen namen dat machogedrag mee naar huis, die waren ook superstreng tegen hun kinderen. Daarom is het goed dat er tegenwoordig wél over emoties wordt gepraat, dat de politie is geprofessionaliseerd, met bedrijfsmaatschappelijke opvang.

‘Zelf was ik ook gesloten, maar niet gehard. Dat is aan mijn vrouw te danken, die heeft de harde kantjes eraf gehaald. Zij kon heel goed over gevoelens praten, dat was voor mij een groot pluspunt. Want opkroppen werkt niet. Je denkt dat je het in een vat stopt, maar het blijft er zitten, en op een gegeven moment knapt het vat open. Bovendien: hoe kun je iemand anders helpen als je niet eens openstaat voor je eigen emoties?

‘Die brand met die vier dode meisjes is de eerste en enige keer dat ik na een nachtdienst niet kon slapen. Zelf heb ik er gelukkig niets aan overgehouden, geen PTSS of zo. Maar nog steeds als ik eraan terugdenk of erover praat, zoals nu, ruik ik weer de geur van verbrand vlees. Echt gruwelijk.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next