Jan Kuper is 100 jaar. Hoe kijkt de majoor bij het Leger des Heils aan tegen de eeuw die achter hem ligt? En welke gebeurtenis op zijn 9de zou levensbepalend blijken?
Jan Kuper weet zich in zijn rijk gedecoreerde woonkamer omringd door tientallen dieren van pluche en porselein: honden, katten, uiteenlopend gevogelte, eekhoorns, wolven en een hertenkop met gewei aan de muur. Op de vloer, naast zijn leunstoel liggen twee opgerolde neppoezen te slapen in een mandje. De 100-jarige Zwollenaar is deze verzameling begonnen in 2006, na het overlijden van zijn vrouw Fokje, ‘een lieverd’, zegt hij elke keer als haar naam valt. De dierenschare, die hij elke ochtend afstoft, geeft hem rust, zegt hij.
Dat hij nog vol in het leven staat, blijkt alleen al uit de telefoon die om de haverklap gaat. Of hij komt koffiedrinken, of hij morgen wil spreken in de dienst van het Leger des Heils. ‘Ja, natuurlijk’, luidt steevast het antwoord, ‘maar ik moet ophangen, want ik ben in gesprek met de courant.’ Zijn verhalen wisselt hij af met het gedragen zingen van liederen.
‘Ik ben geboren in Steenwijk, in een gezin met elf kinderen en lieve ouders. Ik was de zesde in de rij. Vier kinderen zijn heel jong gestorven aan longontsteking. Een groot gezin vraagt om veel geld, breed hadden we het niet. Mijn vader was sigarenmaker, en daarnaast werkte hij als kelner in Giethoorn en Wolvega, waar hij op de fiets naartoe ging. Op zaterdag hielp hij de kapper met klanten scheren. Moeder had naast het huishouden twee werkhuizen, in een hotel en bij een particulier. Ze waren gek op haar, want ze was heel schoon. Dat schone heb ik, denk ik, van haar, want ik ga elke ochtend met de stofdoek rond.
‘Mijn moeder werkte zelfs ’s nachts, dan repareerde ze onze kleding, of maakte een nieuw kledingstuk uit een oude jas. In de late avond zei ik weleens tegen haar: ‘Moe, moet je niet naar bed?’ Dan antwoordde ze: ‘Jullie moeten morgen toch netjes naar school?!’
‘Ik kom uit een rood nest en ben niet godsdienstig grootgebracht. Mijn oudere zussen hoor ik nog zingen.’ (Hij zet in:) ‘Op socialisten, sluit de rijen. Het rode vaandel volgen wij. Het geldt den arbeid te bevrijden, verlossing uit de slavernij!’
‘De laatste die aan longontsteking overleed, was Roelie, 2 jaar oud, ik was toen 9. Roelie was zo’n lief meisje. Ik zie haar nog liggen in het kistje. Ik word er emotioneel van nu ik dit vertel. Mijn ouders hadden geen idee wat er in mij omging. Het verdriet om haar kon ik niet kwijt. Ik miste haar zo, dat ik op een dag naar de Steenwijkerhaven liep, van plan om mijzelf te verdrinken. Ik stond op de kade met mijn gezicht naar het water, klaar om te springen, toen ik achter mij een stem hoorde: ‘Ga je mee naar het Leger? Daar is een meneer met zo’n ding.’ Ik keek om, zag een jongen staan en vroeg: ‘Wat voor ding?’ Hij antwoordde: ‘Kom maar kijken.’ Hij prikkelde kennelijk mijn nieuwsgierigheid, ik draaide me om en liep met hem mee.
‘Mensen van het Leger des Heils liepen in mijn jeugd vaak woensdagmiddag, als de kinderen vrij waren van school, in optocht door de straten met een vlag, zingend en musicerend. Zo probeerden ze hen mee te lokken naar hun bijeenkomsten. Dus ik wist wat deze jongen bedoelde met het Leger waarover hij sprak. Ik ben later Gods hand gaan zien in zijn vraag met hem mee te gaan naar het Leger, op het moment dat ik klaarstond om in het water te springen. Zonder hem was ik er niet meer geweest. Ik kon niet zwemmen.’
‘Naar een zaal waar een jeugddienst bezig was. Er klonk muziek en er werd gezongen. Iemand speelde op een concertina, een kleine accordeon. Dat was het ‘ding’ dat die jongen bedoelde. Er gebeurde iets wat bepalend zou zijn voor de rest van mijn leven: ik kwam tot bekering. De kolonel nam het woord en zei: ‘Als je Jezus wilt volgen, dan moet je gehoorzaam zijn aan je ouders. Wie dat echt wil, mag naar voren komen.’ Ik ben naar voren gelopen. Toen ik thuiskwam, bleek dat mijn zus Hillie ook bij die bijeenkomst was geweest. Ze zei tegen mijn ouders: ‘Jan heeft zijn hart aan Jezus gegeven!’ Mijn moeder reageerde luchtig: ‘Dat moet hij zelf weten.’
‘Ik was geschrokken van de woorden van de kolonel, dat je je ouders moet gehoorzamen. Die ochtend nog had ik, zoals wel vaker, mijn moeder geweigerd boodschappen te doen. ‘Laat Henk of Alie dat maar doen’, antwoordde ik op haar verzoek. De dag van mijn bekering besloot ik voortaan naar mijn ouders te luisteren. Dat viel hen op. ‘Waar is die jongen toch heen gegaan?’, zei mijn vader. En weken later zei mijn moeder: ‘Zoals dat kind leeft, dan moet er toch een God bestaan.’ Op een zondagochtend zei mijn vader tegen mijn moeder: ‘Kom Wieb, we gaan met Jan mee naar het Leger’. Ze zijn er nooit meer weggegaan. Jaren later hebben ze zich ook bekeerd, eerst mijn vader, mijn moeder volgde later. Mijn moeders lievelingslied was:’ (Kuper begint te zingen:) ‘Als hemelse vrede mijn hart verblijdt, als stormen verwoed om zich heen slaan, doet gij Heer mij juichen.’ ‘Dat zij in staat was dit lied te zingen, terwijl zij vier kleine kinderen had verloren...’
‘Ja, ik ging naar de technische school. Dat interesseerde me niet, liever ging ik werken. Op mijn 13de of 14de kon ik als loopjongen bij een kruidenier aan de slag. Op de fiets met een mand voorop ging ik in dorpen als Tuk en Giethoorn de huizen langs om eerst bestellingen op te nemen en die een dag later te bezorgen. Om in oorlogstijd aan de Arbeitseinsatz te ontkomen, ging ik op een boerderij in de Noordoostpolder werken, maar daar werd ik met nog meer jongens opgepakt. De soldaten joegen op ons als op konijnen. We kwamen terecht in Emsbüren, waar we in een Lager sliepen, overdag moesten we werken in een machinefabriek waar onderdelen werden gemaakt voor de vliegtuigbouw. We werkten veertien uur per dag op een bord melksoep, vast eten kregen we niet.
‘Ik kreeg de leiding over een groep jongens. Ik moest ze eten brengen op de Baustelle, het melden als er één ziek was en zieken verzorgen. Als de SS-commandant ze sloeg, omdat ze een boterham hadden gehaald bij een boer, kwam ik voor ze op. In de avond zong ik liederen voor ze, om ze te bemoedigen, zoals: In het westen van groot-Duitsland, daar staat het OKW, daar moeten wij weer werken, dat doet ons veel verdriet, maar ondanks vele maanden dat wij hier moeten zijn, laten wij de moed niet zakken, want ze krijgen ons nooit klein. De tekst had ik zelf verzonnen. Ook verzorgde ik dagsluitingen. Zo groeide het besef dat evangeliseren in mij zat, en ik mij na de oorlog bij het Leger des Heils wilde aansluiten. Maar eerst ging ik weer bij de kruidenier aan de slag.
‘Het kwam ervan nadat ik klaar was met de Kweekschool voor heilsofficieren in Amstelveen, waar ik in 1948 naartoe ging. In de eerste gemeente waar ik ging werken, in Nieuw-Weerdinge, liep ik zingend door de straten, met een vlag en tamboerijn: O ja, daar is redding voor u … Ik ging van deur tot deur om de mensen uit te nodigen voor onze kerk, waar ik de dienst leidde.
‘Ik heb altijd ervaren dat de Heer mij nodig had. Zo heb ik ook veel beleefd met majoor Bosshardt op de Wallen in Amsterdam. Dan ging zij met zusters de bordelen in, en ging ik in gesprek met de klanten. Zo’n man vroeg ik of ik mocht meelopen naar zijn auto. In de auto spraken we over de keuze die hij had gemaakt. Vaak klonk spijt dat hij naar het bordeel was gegaan. Aan het eind van het gesprek bad ik voor hem.’
‘O ja, in mijn gebeden vraag ik: ‘U heeft zo veel macht, waarom grijpt u niet in in het hart van wie kwaad aanrichten?’ Sommige mensen willen als God zijn en gaan er steeds verder in om de wereld naar hun hand te zetten. Er zijn er zelfs die naar Mars willen. Maar de hemel zullen zij niet bereiken.’
‘Ik heb drie lieve jongens. Ze geloven wel, maar komen niet meer in de kerk. Dat vind ik niet belangrijk. Je kunt het geloof ook buiten de kerk belijden, door het om te zetten in daden.’
‘Ik heb geen angst te sterven. Ik heb alles geregeld. Mijn uniform gaat naar Tsjechië – daar hebben ze het niet zo breed. Maar ik moet zeggen dat ik mij nog heel jeugdig voel. Je zou mij hier in huis aan het werk moeten zien; hoe ik alles aan de kant zet om het huis stofvrij te houden, hoe ik zelf boodschappen doe en mijn maaltijden kook. Ik voel mij een 23-jarige, met een rollator.’
geboren: 10 juni 1923 in Steenwijk
woont: zelfstandig, in Zwolle
beroep: kruidenier, heilssoldaat
familie: drie kinderen, zeven kleinkinderen
weduwnaar: sinds 2006
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden