Home

Laten we een negatieve fooi invoeren: is de bediening slecht? Dan mag u uzelf tot 20 procent korting geven

Moderne verschijnselen; we komen erin om. Maar we hoeven ons er toch niet altijd bij neer te leggen? Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen – nee, móéten – verzetten. Deze week verzet Jarl van der Ploeg zich tegen de vanzelfsprekendheid een fooi te geven.

Ik keek naar de ober en dacht: zouden er in de Randstad meer randdebielen leven dan elders of is het puur toeval wat ik hier zie?

Even wat context: ik was vlak daarvoor op een zonnig terras in de hoofdstad gaan zitten en probeerde al een tijdje de ober te wenken. Hoewel ‘ober’ misschien niet het juiste woord is. Hij laat zich beter omschrijven als een tot in zijn wortels ontevreden twintiger die in alles uitstraalde zijn werk te haten. Als hij niet op z’n telefoon keek, scharrelde hij op z’n janboerenfluitjes over het terras, consequent mijn gezwaai negerend. Pas nadat ik heel hard ‘pardon’ had geroepen, keek hij snibbig mijn kant op, wees richting de QR-code op tafel en zei: ‘Even scannen, gap’.

In mijn gedachten begon die theorie over randdebielen zich te vormen, maar uit mijn mond kwam een keurig: ‘Kun jij me niet gewoon twee pilsjes brengen? Er zitten maar vier mensen op het terras.’

‘Zo werkt het hier niet, vriend’, antwoordde hij snibbig. ‘Gewoon even scannen en bestellen. Vergeet de fooi niet, trouwens.’

Het was die laatste opmerking waardoor er iets brak. Alles in mij schreeuwde die patjakker eens even flink op z’n lazerij te geven, maar vanwege de indringende blik van mijn tafelgenoot, die mij langer kende dan vandaag, lukte het mij m’n mond te houden.

Er is natuurlijk al veel gezegd en geschreven over de povere bediening in de Randstedelijke horeca, en dan vooral over het gebrek aan personeel dat nog Nederlands spreekt. Zelf vind ik dat probleem nog wel overkomelijk. Wat wel het bloed onder mijn nagels vandaan haalt, is een tweede cultuurverschil dat in het kielzog van al die expats terechtkwam op ’s lands terrassen. Namelijk de vanzelfsprekendheid een fooi te geven.

In mijn wereld is een fooi een extraatje; een beloning voor de hoge kwaliteit van bewezen diensten. In steden als New York en Tel Aviv echter – steden waar onze Randstad zich zo graag aan spiegelt – is het geven van een fooi een verplichting, ongeacht de kwaliteit van de service.

Deze rubriek gaat natuurlijk over moderne verschijnselen waarmee broodnodig afgerekend dient te worden. Maar omdat ik mij graag wat constructiever opstel, wil ik er niet voor pleiten die nieuwe fooicultuur volledig af te schaffen. Wel lijkt het mij verstandig een aantal aanpassingen te doen.

Mijn voorstel: maak fooi verplicht, opdat ook wij meegaan in de vaart der volkeren, maar ontkoppel het niet volledig van de kwaliteit van de bediening. Als de bediening dus goed is, krijgt u bij het afrekenen de mogelijkheid tot 20 procent extra te betalen. Is de bediening echter pover, dan krijgt u de mogelijkheid uzelf tot 20 procent korting te geven. Een negatieve fooi dus.

Er zullen ongetwijfeld een paar studenten zijn die misbruik maken van dat systeem, maar over de hele linie kan het bijna niet anders dan dat het voor verbetering zorgt. Omdat het fooimoment een standaardritueel wordt, zijn we in een klap af van al die ongemakkelijkheid bij het pinapparaat. Door de standaardisering van het moment zal het gros van de klanten zich bovendien verplicht voelen wat extra te geven.

En het allerbelangrijkst: die luie patjakker op dat terras waar ik zat, heeft voortaan zichzelf ermee, in plaats van mij.

Source: Volkskrant

Previous

Next