De bladblazer is de botte bijl tussen het tuingereedschap. Hoe is het fenomeen te bestrijden?
Nu het dan eindelijk – je weet het niet meer, het kan morgen gewoon weer 25 graden zijn – herfst lijkt te zijn geworden, duikt ook een bijzonder seizoensverschijnsel weer op: de bladblazer. Een grijze langgerekte invasieve exoot die zich niet makkelijk laat uitroeien. Afkomstig uit Japan dook de soort in de jaren zeventig van de vorige eeuw op in de Verenigde Staten. Sindsdien werd de bladblazer invasief.
Ook nu weer laten exemplaren luidruchtig van zich horen, meestal begeleid door onverstoorbare mannen die hun stoepje hopen schoon te vegen (en niet schromen de verfoeide bladerberg een fietspad op te blazen, waar Moeder Natuur er met regen een spekgladde bladerpap voor fietsers van zal bereiden).
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
De bladblazerbestrijdingsdienst staat met lege handen. Humor helpt niet: het fenomeen blijkt resistent tegen alle grappen die al zijn gemaakt. Dat weten we sinds het duo Van Kooten en De Bie er in 1988 (zie het Officiële Koot&Bie-kanaal op YouTube) korte metten mee dacht te maken. Zelfs voor schut gezet, gedijt de bladblazer zonder blozen.
Wonderlijk is het wel. Ook de wetenschap is vernietigend over de bladblazer. Een klassieker in dit verband is het Amerikaanse onderzoek uit 2011 waaruit bleek dat viertakt- en tweetaktvarianten van de bladblazer meer verontreinigende stoffen uitstootten dan een Ford F-150 SVT Raptor, een pick-up met een gewicht van bijna 3.000 kilo. Het motorgeweld kon gehoorschade opleveren, en omdat echt álles in de wereld onderzocht wordt, weten we sinds 2007 ook dat de trillingen na een halve dag al problemen kunnen geven in de armen van de beroepsmatige bladblazerman.
Dat was toen, inmiddels zijn er elektrische bladblazers: minder lawaai, minder vervuilend.
Probleem opgelost, toch? Nee.
Allereerst omdat de benzinemotortjes nog volop bulderen. Maar belangrijker: ook elektrisch richt de blazer (of de zuiger, een ondersoort die eveneens oprukt) natuurschade aan.
De tuin, maar dan niet het strakgeblazen biljartlakentje van gras, kan een prachtige kringloop zijn. Muizen en egels overwinteren in de bladerhoop, net als diertjes als duizendpoten en wormpjes die helpen er humus van te maken. Dat is weer voeding voor de planten en scheelt dus kunstmest. Een humuslaag houdt ook nog als een spons water vast – nodig in deze droge tijden. De bladblazer veegt dat allemaal met een grof gebaar weg. Het is de botte bijl tussen het tuingereedschap. Geen ding, maar een onding. Wat was er trouwens mis met de oude vertrouwde hark?
Mogelijk dat strooien met nieuwe feiten wat schade kan beperken. Dat treft: in mei dit jaar verscheen een Chinees onderzoek in het tijdschrift Trends in Ecology & Evolution, naar de waarde van bladafval. Het versterkt niet alleen de biodiversiteit door de bodemsamenstelling te veranderen en vruchtbaarder te maken, maar verkleint ook het risico op plagen en pakt residuen van ziekteverwekkers aan die door dieren worden achtergelaten – goed nieuws voor de moestuin.
De vraag is of feiten helpen. De burger beeft van bladerbangheid. En anders de gemeenteambtenaar wel, die vreest voor claims van uitgegleden passanten. Niets tegen een schoon stoepje, maar de ijver waarmee de tuinman (m/v) zijn erfje ‘winterklaar’ wil hebben, is ongezond. Wie zijn tuin koestert, gunt hem een bladerdekentje in de winter.
Source: Volkskrant