Sinds het bestaan van deze rubriek is er één instrument dat ik nogal heb verwaarloosd, hoewel het mijn lievelingsinstrument is: het orgel. In de zomer liep ik de kathedraal van Le Mans in Frankrijk in en daar speelde een organist een bewerking van de ouverture van Richard Wagners Tannhäuser. Meteen janken natuurlijk: het orgel triggert emoties die ik niet kan beheersen.
Die tonen die vanuit verschillende hoeken de ruimte in worden geblazen (je oren zijn altijd een fractie van een seconde aan het ‘zoeken’), het gigantische klankkleurenpalet, de bassen die alles doen trillen, de fluiten die alles doen tintelen: heerlijk. En het mooie is: al die orgels zijn zo verschillend van elkaar dat orgelfreaks zoals ik de hele wereld over moeten om ze te horen, van Bologna tot Godlinze.
Over de auteur
Merlijn Kerkhof is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant. Hij publiceerde twee boeken: Alles begint bij Bach, een inleiding tot de klassieke muziek, en Oude Maasweg kwart voor drie.
En wat horen we dan vooral? Bach natuurlijk. Drie favoriete stukken kiezen van Bach is niet te doen, maar als ik me beperk tot orgelwerken maak ik het mezelf iets makkelijker. Als je door deze drie niet overtuigd raakt van Bachs grootheid én van de schoonheid van het orgel, weet ik het ook niet meer.
Johann Sebastian Bach (1685-1750) werd geboren in Eisenach en werkte onder meer in Weimar, Köthen en Leipzig. Hij was een exponent van de Duitse orgelcultuur. Volgens de overlevering kon hij met zijn voeten de pedalen sneller bespelen dan anderen de toetsen konden beroeren met hun vingers. Hij moet een groot improvisator zijn geweest. Van het gros van de orgelstukken die zijn overgeleverd denken we dat het voorbeelden zijn voor leerlingen (zoals Bachs eigen zonen): zo moet het.
Zo componeerde Bach zes triosonates voor zijn zoon Wilhelm Friedemann als oefenmateriaal. Die stukken in Italiaanse stijl zijn allemaal even heerlijk en perfect voor de beginnende orgelluisteraar. Bach behandelt het orgel hier als drie afzonderlijke instrumenten (vandaar dat ‘trio’). Linker- en rechterhand hebben ieder hun eigen klavier (de rechterhand komt er na twee maten bij), en dan heb je de voeten voor de bas. Zeker het laatste deel van de eerste (in Es) swingt de pan uit.
Bach liet een grote hoeveelheid aan genres, vormen en technieken los op het orgel. Veel stukken zijn gebaseerd op lutherse kerkliederen: koralen. Zo ook het toegankelijke O Gott, du frommer Gott, waarin Bach op die sterke melodie varieert. Het is echt zo’n stuk waarmee je een orgel goed kunt leren kennen, omdat het de organist in staat stelt de partijen hun eigen kleur te geven. Een orgel bestaat in de regel uit meerdere registers, of stemmen: een rij orgelpijpen en -pijpjes met een specifieke klankkleur. De organist kan die registers als een kok combineren.
Dat ‘BWV’ in de titels staat trouwens voor Bach-Werke-Verzeichnis: de grote catalogus waarin zijn stukken zijn geordend.
Vraag orgelliefhebbers naar hun favo Bach-werken, en de Passacaglia zal zelden ontbreken. Het is vermoedelijk een zeer vroeg werk, in ieder geval is het van epische proporties. Het is gebaseerd op een baslijntje dat Bach steeds herhaalt. En wat daarboven gebeurt: hemels.
Alle afspeellijsten van deze rubriek zijn terug te vinden op volkskrant.nl/deklassieker
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden