Home

In deze Rotterdamse wijk zijn bewoners nu wel genoeg onderzocht: ‘Ze denken dat ze hier even data kunnen komen halen’

Sociale wetenschappers zien de deelname aan hun onderzoek teruglopen. Hoe komt dat en hoe kan het beter? Op bezoek bij de leden van de Afrikaanderwijk Coöperatie in Rotterdam, die zeer trek in zijn bij onderzoekers, maar nu ook niet meer willen meedoen.

Fietsenmaker Gabri Woning zegt: ‘De overheid creëert een enorme afstand.’
Ahmed Abdillahi, postbezorger: ‘Maar je kan niet blijven huilen. Op een gegeven moment moet je opstaan.’

In de Afrikaanderwijk hebben veel bewoners de Nederlandse overheid afgeschreven. Het vertrouwen in de politiek is hier zo laag dat bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen maar zo’n 15 procent van de kiezers ging stemmen. Dit is een van de armste buurten van Rotterdam-Zuid.

‘Voor veel mensen hier heeft de overheid gefaald’, zegt Jeanne van Heeswijk. Tien jaar geleden hielp ze daarom de Afrikaanderwijk Coöperatie oprichten. Die runt nu onder meer een grondstoffenstation waar het afval van de markt gescheiden wordt, een cateringbedrijf, naaiatelier en fietswerkplaats. Zo verschaffen ongeveer zestig leden die vroeger nauwelijks aan werk kwamen, zichzelf nu een inkomen.

Meer dan de helft kon de bijstand uit en is nu bij de coöperatie in dienst, inclusief pensioenvoorziening en verzekeringen. De coöperatie krijgt daarvoor geen subsidie: alles gebeurt uit eigen inkomsten.

Over de auteur
Margriet Oostveen schrijft voor de Volkskrant over sociale wetenschappen, geschiedenis en maatschappij. Eerder trok ze tien jaar als columnist door Nederland.

Omdat ze ‘benaderbaar en aaibaar’ zijn (hun woorden), zijn de coöperatieleden erg in trek bij sociale wetenschappers. Zogeheten ‘ervaringskennis’ van echte mensen is namelijk weer zeer gewild.

Bernardo Bailey, werkzaam bij het grondstoffenstation: ‘Veel mensen willen ons als brug gebruiken, maar alleen om overheen te lopen.’

Annet van Otterloo, mede-oprichter van de coöperatie: ‘Alle onderzoekers storten zich nu op een kleine groep met weinig kansen. En wij zijn als het ware de gateway. Ze denken dat ze hier even hun data kunnen komen halen. Als het aan hen ligt, worden wij plat onderzocht.’

De laatste tijd zegt de coöperatie bijna altijd nee. Deze weigering past in een bredere, voor wetenschappers zorgwekkende trend van afnemende animo voor deelname aan sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Waar ligt dat aan? En kan het beter? Vandaag praten de mensen achter de analyses voor een keer terug.

WIJ/ZIJ-MAATSCHAPPIJ
Kunnen we nog samenwerken tegen klimaatverandering en oorlog? Wie denkt nog in termen van een algemeen belang? De Volkskrant onderzoekt wat de wetenschap zegt, waar struikelblokken liggen en wat we hiervan kunnen leren. Eerdere afleveringen: volkskrant.nl/WijZij

Ze huizen in een voormalig 19de-eeuws stuk riool: Het Gemaal Op Zuid, nu een mooi gerenoveerd pand aan het Afrikaanderplein. Organisaties die aan ‘inclusie’ werken lunchen er graag tussen de veelkleurige coöperatieleden. Ook koning Willem-Alexander wandelde langs op Koningsdag (die dag hingen ze een lichtbak aan de voorgevel met de tekst ‘Leve Het Volk’).

Een ploeg van de NOS stapte met draaiende camera op de kookploeg af: wat vonden de dames er eigenlijk van dat Rotterdam 4 miljoen euro uitgaf aan één Koningsdag? ‘Dat is wel een groot bedrag’, antwoordde Nadia, die de keuken leidt, bedachtzaam in het Journaal. Dat geld had ook naar armoede en woningnood kunnen gaan.

Nadia is kostwinner voor een gezin met zes kinderen. Ze werkte zich als vrijwilliger bij de coöperatie uit haar uitkering en schuldhulpverlening. Nu is ze alweer drie jaar in loondienst.

Haar tv-optreden werd een beetje gevierd als een overwinning voor de buurt: een Marokkaanse vrouw met hoofddoek, nota bene, die zo kalm verwoordde wat veel mensen denken. ‘Onze waardigheid’, hoor je hier, ‘die vonden we bij de coöperatie terug.’

Het Gemaal ligt aan het Afrikaanderplein, waar ze op woensdagen het vuilnis van de markt gescheiden inzamelen. Daarnaast ligt het Afrikaanderpark, met weinig bomen en veel diagonale lijnen.

In 2006 won de parkontwerper een prestigieuze architectuurprijs, de jury roemde de ‘belevingswaarde’ en ‘toekomstwaarde’. Annet van Otterloo: ‘Er was een hele reeks inspraakavonden, maar aan dat park is dus niets veranderd waar de buurtbewoners om vroegen.’

Andrea Karremans geeft hulp en advies namens de coöperatie. Ze is al bijna dertig jaar actief als vrijwilliger en heeft diepe armoede gekend. ‘De laatste jaren heb ik een inkomen van de coöperatie. Ik heb vroeger aan veel onderzoeken van gemeente en wetenschappers meegedaan. Je geeft dan steeds weer aan wat hier de problemen zijn, maar je ziet haast nooit iets terug.’

Zo was er een onderzoeksproject tegen eenzaamheid. ‘Superleuk, maar na anderhalf jaar trokken ze onverwacht de stekker eruit. Zaten alle eenzame mensen weer in hun eentje thuis.’

Andrea helpt bewoners met bijvoorbeeld taalproblemen of brieven. Een brief beschouwen ze hier vaak als een dreigement. Omdat een brief vaak over geld gaat dat je moet betalen: meestal toeslagen die de belastingdienst achteraf toch weer terug wil hebben.

Iedereen begint daarover. Het Nederlandse systeem van zorg-, kinderopvang- en huurtoeslagen is voor mensen met weinig opleiding en een eenvoudig arbeidscontract nauwelijks te volgen. En ziekmakend stressvol.

‘Ik kreeg deze week te horen dat ik 8.000 euro huurtoeslag moet terugbetalen’, zegt een vrouw die in de keuken werkt op een donderdagmiddag zachtjes en in tranen. Haar toehoorders verstijven.

Het ondoorgrondelijke systeem van toeslagen produceert in de Afrikaanderwijk een permanente stroom van onzekerheid: je begrijpt zelden wat ze morgen over je zullen beslissen bij de belastingdienst, maar ze eisen zo weer een bak geld van je terug.

Dit gebrek aan vertrouwen, zegt postbezorger Ahmed Abdillahi, is dus iets anders dan wantrouwen. ‘Want wie wantrouwt hier nu eigenlijk wie?’

Mustafa Abuzaid, van Palestijnse afkomst en conciërge bij de coöperatie: ‘Alleen hier behandelen mensen me als de persoon die ik ben.’

Ook onderzoeksenquêtes komen vaak per brief. Sommige onderzoekers leveren zelfs domweg een stapeltje enveloppen af bij de coöperatie en verwachten dat mensen die dan wel even zullen invullen.

Soes Rampersad, huismeester: ‘Bij mij gaat die envelop meteen de prullenbak in: ik heb er geen zin in. Velen van ons hadden vroeger een uitkering. Dan zit je de hele tijd rechtmatigheidsformulieren in te vullen, hè.’

Annet van Otterloo laat alle (geanonimiseerde) verzoeken zien die de coöperatie alleen al afgelopen maand ontving van universiteiten, hogescholen, studenten, docenten, consultants en adviesbureaus. Tweeëntwintig e-mails:

‘Wat betekent het ‘een niet-willer of een niet-kunner’ te zijn?’

I would really like to study your experience with you!’

‘Wat betekent jullie werk voor het werkende zelf en hun sociale omgeving?’

‘Heeft de coöperatie interesse deel te nemen aan de Local Stakeholders Groep?’

Hoogleraar sociologie Godfried Engbersen, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en voorzitter van de Commissie Sociaal Minimum, die de overheid onlangs adviseerde de toeslagen af te schaffen, doet al veertig jaar armoedeonderzoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij heeft drie verklaringen voor de toegenomen populariteit van ervaringskennis in de wetenschap.

‘Ten eerste is het echt belangrijk dat je de realiteit van armoede te pakken krijgt.’ Zelf woonde hij daarom in de jaren tachtig driekwart jaar in een arme Rotterdamse wijk. ‘En begin jaren negentig had ik een project ‘Landschappen van armoede’ waarbij twee antropologen in het Rotterdamse Delfshaven en in Amsterdam-Noord woonden. Het was voor hen keihard werken om toegang te krijgen tot langdurig arme bewoners.’ Het rondsturen van vragenlijsten is al snel eenzijdig, zegt Engbersen. ‘Ik heb nu een postdoc als onderzoeker in een wijk die zich als vrijwilliger bij een speeltuinvereniging heeft aangemeld: dan geef je tenminste wat terug.’

De tweede reden volgens Engbersen: er is te veel beleid bedacht door ‘beeldschermwetenschap’, met te weinig zicht op de uitvoering. ‘Men staarde zich blind op de statistieken en te weinig op de ervaring en de uitwerking van beleid. Daar zijn de toeslagen een mooi voorbeeld van. Uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek kwam maar mondjesmaat naar voren dat die helemaal niet goed werken.’

Dit moest dus anders. Zo werd ‘impact’ onderzoeken een modewoord.

Ivan Richardson, werkzaam bij het grondstoffenstation, zegt het droogjes: ‘Dus nu komen ze aan de mensen die het minst hebben vragen om andere mensen te helpen het beter te krijgen.’

Een onderzoeker moet nooit te hoge verwachtingen wekken, waarschuwt Engbersen. ‘Mijn onderzoek uit de jaren tachtig heeft pas jaren later enig effect gehad.’

Onderzoekers kampen met lage ‘response rates’: als ze onderzoeksenquêtes verspreiden, dan krijgen ze er steeds minder ingevuld terug. Vraag maar aan hoogleraar demografie Aart Liefbroer, bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) verantwoordelijk voor het inleveren van de Nederlandse onderzoeksdata bij de European Social Survey (ESS).

Het ESS meet de opvattingen en het gedrag van mensen in ruim dertig landen. ‘Als je tegenwoordig een survey uitstuurt, reageert nog maar 35 procent’, zegt Liefbroer. ‘Twintig jaar geleden was dat nog 60 procent.’

Laagopgeleide mensen in armoede en met een laag vertrouwen zaten daar al nooit vanzelfsprekend bij. Die deinzen terug voor een lange vragenlijst of hebben wel wat beters te doen. Godfried Engbersen zegt dat ook: ‘Sommige groepen worden sowieso niet bereikt. Dat is overal een groot probleem.’

Op zichzelf was dat laatste al langer zo, maar opgeteld bij de huidige lage response rate zijn de gevolgen voor de betrouwbaarheid van onderzoeken nu mogelijk groter. ‘Er treedt dan een zekere mate van selectiviteit op’, zegt Liefbroer. ‘Meestal betekent het dat je vooral de negatieve verhalen zult missen. Met lage responsecijfers krijg je dan al snel een te rooskleurig beeld.’

Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek zit nu in een fase van (over)compensatie. ‘Rond kansengelijkheid is een onderzoeksindustrie ontstaan’, zegt stadsonderzoeker Beitske Boonstra, verbonden aan de afdeling bestuurskunde en sociologie van de Erasmus Universiteit. ‘Hebben we de groep om wie het gaat eigenlijk ooit wél bereikt? Dat vragen steeds meer onderzoekers zich nu af.’

Postbezorger Ahmed Abdillahi laat op zijn telefoon een ‘voortgangsrapportage’ zien van een ‘ontwikkelprogramma’ voor Rotterdam-Zuid. Achterin staan de medewerkers, maar onder het kopje ‘bewoners’ is de pagina blanco: ‘Ze konden niemand vinden.’

Onderzoekers proberen lage responspercentages bij enquêtes te compenseren met extra onderzoek. Vaak via focusgroepen: mensen met wie onderzoekers diepgaander praten over onderwerpen uit de enquête. Was de vraag bijvoorbeeld ‘hebt u vertrouwen in de politiek’, dan wordt in de bijbehorende focusgroep uitgediept waarom dat wel of niet zo is.

Om de uitkomst van focusgroepen wetenschappelijke waarde te geven, moeten ze een relevante dwarsdoorsnede van de bevolking vormen. Onderzoekers trekken er dus op uit om mensen van vlees en bloed te verzamelen, liefst precies de goede mix.

Ook daardoor werd de Afrikaanderwijk Coöperatie al snel een ideaal loket. De Erasmus Universiteit noemt gebieden als Rotterdam-Zuid tot afgrijzen van sommige eigen onderzoekers zelfs onverbloemd ‘living lab’ voor ‘sociale aspecten als gelijke kansen’. Een levend laboratorium.

Of zoals een onderzoeker het cynisch formuleert: ‘Maatschappelijke impact vind je waar de zielige mensen wonen.’

De Afrikaanderwijk Coöperatie verdient wel wat meer respect en eer van hun werk, vinden ze zelf. ‘Wij willen een verdienmodel creëren uit het feit dat we alsmaar worden onderzocht’, zegt Annet van Otterloo. ‘Want ze willen nu wel betalen voor onze kookkunst en schoonmakers, maar niet voor onze kennis.’

Uitstekend dat bewoners om een vergoeding vragen, vindt Godfried Engbersen. ‘Betalen gebeurt ook echt wel vaker.’ Ook de deelnemers aan het Liss-panel (een dwarsdoorsnede van 7.500 Nederlanders ten behoeve van Longitudinal Internet studies for the Social Sciences), krijgen bijvoorbeeld een vergoeding.

Beitske Boonstra bekijkt in een samenwerking van de Erasmus Universiteit en de TU Delft al een tijdje hoe bewoners een gelijkwaardige rol kunnen krijgen en meer profijt van onderzoeken kunnen hebben in een ‘wijkonderzoekscollectief Rotterdam’. Precies zoals ze bij de Afrikaanderwijk Coöperatie willen. Daarom werken ze dit keer weer mee. Boonstra: ‘Om data te kunnen gebruiken in de wetenschap, moeten die van een bepaalde wetenschappelijke kwaliteit zijn. Hoe kunnen we dat bereiken? En kunnen we deze mensen misschien trainen om zélf onderzoek te doen dat bruikbare data oplevert? Dat onderzoeken we nu.’

Wat kunnen bewoners zelf in de Afrikaanderwijk? Veel mensen worden hier chronisch onderschat, bewees het succes van de coöperatie al. Maria Barros van de schoonmaak- en kookploeg kent de soms verschrikkelijke gevolgen.

Toen haar zoon 3 jaar oud was, begon op te vallen dat hij zich niet wilde aanpassen: hij weigerde kleren aan te doen, liep naakt rond, schreeuwde soms en bonkte tegen muren. Buren klaagden, Maria Barros zocht eindeloos hulp, maar kreeg die niet.

Haar zoon liep twee keer weg. Uiteindelijk kwam de kinderbescherming langs. ‘Als ik probeerde niet te huilen, schreven ze: de moeder toont geen emotie.’ De rechter legde een ondertoezichtstelling op.

Maria Barros ging in hoger beroep. En bij het gerechtshof prezen ze haar juist als een verantwoordelijke, uitstekende moeder: Maria won.

Haar zoon was al 9 toen hij eindelijk grondig werd getest en gediagnosticeerd: autisme met een verstandelijke beperking.

Maria denkt zelf dat het misging door haar Kaapverdische uiterlijk en accent. ‘Ze nemen je niet serieus. Iedereen heeft haast. Die onderzoekers komen tien minuten langs om te kijken of je een goede moeder bent.’

Els Leclercq organiseerde namens de Erasmus Universiteit en de TU Delft de eerste bijeenkomst voor een gezamenlijk onderzoek met de coöperatie: de pilot datadonatie. Leclercq werkte tot de Brexit jarenlang als stedenbouwkundige in Engeland. ‘Daar is het normaal dat onderzoek meteen wordt gekoppeld aan sociale vraagstukken.’

Ook wetenschapsfinancier NWO heeft nu ‘de mond vol van bottom-uponderzoek en citizen engagement’, zegt projectleider Jiska Engelbert, communicatiewetenschapper. En Annet van Otterloo mopperde: ‘Ze hebben het opeens allemaal over resilience. Alsof de mensen hier nog moeten leren wat veerkracht is!’

Wetenschappers bepalen nog steeds de probleemstelling en de bewoners mogen die braaf invullen, zegt Engelbert. ‘Dat is een scheve verhouding. Je ziet de mensen dan als datapunten, je graast ze leeg.’

Het idee voor datadonatie, leggen Engelbert en Leclercq uit, is te vergelijken met een bloedbank, maar dan gevuld met ervaringskennis. Leclercq besloot de onderzoeksvraag om te beginnen eens helemaal om te draaien: ‘Artsen baseren zich op een ziektebeeld. Wat als wij deze mensen nu eens zelf laten definiëren wat welzijn voor hen betekent?’

Leclercq: ‘Het Erasmus MC is daar erg in geïnteresseerd. Want bijna al het onderzoek is daar nog gebaseerd op gegevens afkomstig van witte mannen.’

Wat vindt Godfried Engbersen van de nieuwe aanpak? ‘Goed dat deze mensen mee mogen praten’, zegt hij. ‘Maar je moet inderdaad grondig uitzoeken of het kan op een wetenschappelijk betrouwbare, valide manier. Anders heeft niemand er straks iets aan.’

Maria Barros doet mee aan het project datadonatie en ontmoette er voor het eerst onderzoekers die geïnteresseerd zijn in het complete verhaal over haar zoon. Ze vertelde over ervaringen waar je niet snel aan denkt. Dat autisme taboe is onder Kaapverdianen. Dat het juist beter gaat met de buurt sinds ze voor het raam van haar gehorige woning een bordje hing met de woorden ‘Hier woont een autistisch kind’.

Onderzoekers Engelbert en Leclercq zagen in de eerste groep dat mensen in de Afrikaanderwijk nog met hun volle aandacht naar elkaar kunnen luisteren, in plaats van alleen maar over zichzelf te praten. Misschien kunnen ze straks zelf anderen ondervragen, is nu een idee.

De deelnemers krijgen per sessie een vergoeding van 70 euro. Voor de volgende keer is de eerste groep gevraagd om twee nieuwe mensen uit hun eigen kennissenkring uit te nodigen. En een volgende keer nodigen de nieuwe mensen ook weer twee mensen uit, enzovoort. Zo breidt de groep zich langzaam uit en willen ze voorkomen dat er een statisch panel van ‘beroepsburgers’ ontstaat.

Sommige wetenschappers reageren voorzichtig, maar niemand lijkt er eigenlijk faliekant tegen. Onderzoeker Beitske Boonstra merkt dat ook. Waarom is dit dan niet eerder uitgezocht? Boonstra: ‘Waarom is de ongelijkheid nog niet opgeheven? Omdat we wat deze mensen kunnen, een beetje over het hoofd hebben gezien.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next