Home

Schrijver Wessel te Gussinklo (1941-2023) keek uiterst nauwgezet naar het raadsel dat de mens is

Op zijn 22ste trachtte Wessel te Gussinklo zichzelf vorm te geven als schrijver toen hij ‘zomaar uit het niets’ een roman schreef. Zijn personages zijn mensen die ‘op het randje’ zitten. Zijn romans zijn afmattend, authentiek, bedwelmend en verslavend. Hij overleed woensdag op 82-jarige leeftijd.

De koningin van de kunsten, zo noemde Wessel te Gussinklo (1941-2023) de literatuur. Als enige kunstvorm kan literatuur ‘van binnenuit beschrijven hoe het is om te bestaan’, zei hij in 2020 in een interview met Nieuwsuur. En dat is precies wat de schrijver deed met zijn werk: tonen hoe het is om te zijn, vanuit de diepste gedachten van zijn personages.

Zijn bekendste is de obsessieve jongen Ewout Meyster uit de veelvuldig bekroonde Meyster-cyclus waarmee Te Gussinklo literaire roem verwierf. In eerste instantie slechts bij een klein clubje fijnproevers maar later ook bij een groter publiek; hij won er meerdere prijzen mee.

Wessel te Gussinklo werd op 9 januari 1941 geboren in Utrecht. Zijn vader was verantwoordelijk voor een aantal Nederlandse verzetsstrijders die bij de familie zat ondergedoken. Toen dit tijdens een razzia werd ontdekt, werd Wessel senior door de Duitsers op staande voet geëxecuteerd in de achtertuin. De driejarige Wessel zal daar amper herinneringen aan hebben gehad, maar de heldenmoed van zijn vader drukte een stempel op zijn leven en werk. In zijn romans zijn de personages vastberaden iemand te worden; een held het liefst.

Ewout Meyster – in wie we een jonge Te Gussinklo mogen herkennen – spiegelt zich aan types als Churchill en Roosevelt, aan mannen die zichzelf geschapen hebben, helemaal à la Sartre. L’existence précède l’essence: het zijn gaat vooraf aan het wezen. Je bestaat eerst, maar wordt pas later iemand. Wie, dat bepaal jezelf, via daden en woorden.

Het existentialisme was een opbaring voor de scholier Te Gussinklo. In een interview met de Zeeuwse krant PZC: ‘Het is allemaal oppoetserij, begreep ik toen. Niemand is zichzelf. Iedereen is voortdurend bezig zichzelf vorm te geven. Je staat voortdurend onder druk van anderen die eisen stellen, iets van je verwachten. (…) In dat krachtenveld moet je jezelf op de een of andere manier vorm geven, jezelf blijven.’

Op zijn 22ste deed Te Gussinklo een poging zichzelf vorm te geven als schrijver toen hij ‘zomaar uit het niets’ een roman schreef. Het werd afgewezen door een uitgever en de vonk verdween. ‘Elke dag ging ik naar het café en dronk en praatte over schrijven, maar er gebeurde niets’, vertelde Te Gussinklo in een interview met Tzum. ‘Toen ik 33 was ben ik van de ene dag op de andere opgehouden met drinken. Dat was ‘The year of crucifixion’: het jaar waarin je tegen jezelf zegt: wil je als man stérven of als man léven?’

Hij besloot zich volledig aan het schrijven te wijden, met De verboden tuin als resultaat. Tien jaar lang was er niemand die de buitenissige roman over het jongetje Ewout Meyster wilde uitgeven. Tot hij in 1986 hulp kreeg van schrijver en journalist Bert Pol. De verboden tuin won prompt de Anton Wachterprijs en de debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren.

Voor De opdracht, het omvangrijke vervolg uit 1995, ontving Te Gussinklo verschillende prijzen, waaronder de Bordewijkprijs en de ECI-prijs voor Schrijvers van Nu. Het boek werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Dat laatste gebeurde opnieuw met De hoogstapelaar – het derde deel van de Meyster-cyclus uit 2019. Hij won uiteindelijk niet, maar kreeg wel de Zeeuwse Boekenprijs en de BookSpot Literatuurprijs. Een jaar later won hij die laatste prijs opnieuw, maar dan met Terug naar de Hartz, het vierde en laatste deel van de cyclus.

Te Gussinklo legde in zijn proza de focus op ‘de diepere gronden van de dingen die ons omringen’ en keek uiterst nauwkeurig naar het raadsel dat de mens is. Hij cirkelde er omheen, benaderde het van alle kanten om te achterhalen hoe alles functioneert. Zijn hoofdpersonages zijn gecompliceerd. Het zijn mensen die ‘op het randje’ zitten, die bedreigingen proberen te bezweren. ‘Mijn personages dwalen altijd af in een moeras met onbegaanbare modder. Ze zoeken moeizaam paadjes om eruit te komen. Voortdurend woekeren ze met hun gevoelens, beperkingen en talenten’, aldus Te Gussinklo in een interview met de Volkskrant.

In zijn romans vind je weinig dialogen en weinig handelingen, het was Te Gussinklo om de krachten daarachter doen, om de nuances van de gevoelswereld. En om die innerlijke chaos te beschrijven, moest zijn stijl wel complex zijn, met tangconstructies, streepjes, haakjes en komma’s. Zinnen die doordenderen, woorden die alsmaar herhaald worden, haast als bezweringen. Te Gussinklo deed geen concessies, schreef niet om te vermaken. Zijn romans zijn afmattend maar ook authentiek, bedwelmend en in die zin verslavend.

Naast romancier was Te Gussinklo ook essayist. In 2015 verscheen zijn grote cultuurfilosofische essay Wij zullen aan God gelijk zijn, waarin hij schrijft over hoe het streven naar almacht en het onvervulbare verlangen naar grenzeloosheid het lot van volken, culturen en mensen bepalen. Wederom geen makkelijke kost. Voor de wat luchtigere Te Gussinklo konden lezers terecht op zijn onvolprezen blog, waarop hij onbedaarlijk foeterde op onze cultuur en samenleving.

Hij mengde zich weinig in het schrijverswereldje. Na de vroege dood van zijn eerste vrouw Jacomine had hij daar geen zin meer in. Met zijn tweede vrouw Odilia verhuisde hij naar het stille Zeeland. Rust had hij nodig, om te kunnen verzinken in zijn personages, om vredig zijn sigaretjes te roken ver weg van de eisen en verwachtingen van anderen, om helemaal Wessel te Gussinklo te kunnen zijn. Hij overleed aldaar woensdag, op 82-jarige leeftijd.

Source: Volkskrant

Previous

Next