Uit straatboekenkastjes in Nederland haalt Arjen Fortuin steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Vandaag het familieverhaal van Irene Dische.
‘De Paardenstraat is een nauwe, kromme straat, waar geen paard in kan omdraaien,’ schreef de legendarische uitgever Geert van Oorschot (1909-1986) over de Vlissingse straat waar hij ter wereld kwam. Paarden zijn er niet meer, wel hangt er aan een van de gevels een boekenkastje: fraai grijs, licht de verwering in geblazen door de zeewind. Op een stevig fundament van onder meer drie John Grishams, ligt daar Als zij begint te vertellen (2005) van Irene Dische.
En verteld wordt er. In de eerste zin lezen we ‘dat mijn kleindochter zo moeilijk is, valt te wijten aan het geringe aantal cellen in Carls zaad’, even verder krijgen we te horen, aangaande deze Carl: „Hij plantte zich in me en dan ploegde hij voort.” Nog voor de eerste van de 329 pagina’s ten einde is, heeft Carl een discussie geprobeerd te beslechten met de uitspraak: „Niet alles van de joden is slecht”. Wat opmerkelijk is, want Carl is een overtuigde antisemiet die vindt dat de Joden in nazi-Duitsland krijgen wat ze verdienen. Complicatie: Carl is zelf een jood, zij het dat hij zich bij zijn huwelijk heeft bekeerd tot het katholicisme, iets waar het Duitse gezag in de jaren dertig niet van onder de indruk bleek. Vrijwel al zijn familieleden worden vermoord.
Maar het gaat niet om Carl: de wervelende vertelstem (geweldig vertaald door Tinke Davids) in Als zij begint te vertellen is die van de ongeduldige, driftige en zeer uitgesproken Elisabeth Rother, een Duitse vrouw uit een keurig katholiek nest: de welgestelde kringen waar destijds iedereen wel een lidmaatschapskaart van de NSDAP in de dressoirlade had liggen. Zij is meer een vrouw van status dan van revolte, maar als de nazi’s het haar man steeds moeilijker maken, toont zij heldenmoed. En wanneer hij naar Amerika is gevlucht, weerstaat ze de druk van de Gestapo om zich van hem te laten scheiden; dat mag niet van God. Uiteindelijk waagt ook zij de oversteek, al moet ze zich later verhouden tot de wetenschap dat haar dochter precies dezelfde fout maakt als zij destijds: trouwen met een jood. Intussen strooit ze met levenslessen (alle mannen zijn slappelingen) en voorspelt ze theatraal dat dit jaar toch echt haar laatste op aarde zal zijn.
Dat huwelijk levert die kleindochter op over wie Elisabeth in de eerste zin van haar relaas onaardig is. Steeds weer wordt deze met korte tussenzinnen op haar plaats gezet, terwijl de lezer al snel begrijpt dat deze niet-deugende kleindochter Irene Dische zelf is. Daarmee is Als zij begint te vertellen een verfrissende variatie op het genre waarin een brave auteur gevoelvol onderzoek doet naar de eigen familiegeschiedenis. Dische laat via Elisabeth zien dat je zo’n verhaal ook met alle ruwe randjes kunt vertellen. Heerlijk boek.
Source: NRC