Als we uit Duitsland komen en naar mijn familie in Emmen gaan, rijden we de laatste 20 kilometer Op fietse binnen, het lied van Daniël Lohues – je komt langs alle plaatsen waar hij over zingt. Kijk, wijs ik dan, Schöninghsdorf, en kijk, het Hebelermeer. Als Daniël dadelijk daar over het slootje gaat, is hij zo weer terug in Nederland.
Op fietse beschrijft een heerlijke fietstocht. Het is een prachtig mooie dag. Er zit genoeg lucht in de banden, er staat geen zuchtje wind, vandaag gaat het vanzelf. Daniël fietst en fietst, en als hij dan eindelijk weer bijna thuis is – hij ziet de toren al, en het pastoorse bos – dan fietst hij door, want er staat geen wind en het gaat vandaag vanzelf.
Over de auteur
Peter Middendorp is schrijver en columnist van de Volkskrant. Van zijn hand verschenen onder meer de romans Vertrouwd voordelig en Jij bent van mij. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In Tiger Eye Stone is Judy Blank al veel te lang onderweg. Haar leven bestaat uit optredens en snelwegen, bars, motels, nachtelijke parkeerplaatsen. Eigenlijk weet ze wel dat ze thuis moet komen, waar haar geliefde wacht. Uit ongerustheid heeft hij haar al een ring gegeven met een tijgeroogsteen erin, die haar moet beschermen en haar moet helpen de aandacht te richten op wat werkelijk belangrijk is in het leven – huis, hart, liefde.
Het hele lied lijkt het er dan ook op dat Judy Blank het stuur zal omgooien en eindelijk terug naar huis zal rijden, maar in de laatste strofe bedenkt ze zich. Ze kreeg de ring tegen de gevaren, maar met de ring bestaan ze niet meer en kan ze blijven rijden, altijd verder.
De kracht van de liedjes zit natuurlijk in de laatste strofes. Er zou weinig van ze overblijven als Daniël afslaat naar huis, de fiets in de schuur zet en met de buurman over het weer begint. Als Judy de autosleuteltjes op het dressoir legt en zingt: Zo, hè hè. Genoeg nu hoor, met die liedjes en die optredens. Dit mens gaat voortaan lekker koken.
Het voorlaatste stukje van het verhaal, daar gaat het vaker om, de voorlaatste alinea van een column, het laatste hoofdstuk voor de epiloog. Vlak voor het eind stopt het lied abrupt. En vervolgens gaat het toch door, toch gewoon verder. Een bevrijding volgt, de toekomst gaat open, het refrein kijkt er plotseling met dubbele energie naar uit.
In Kaas van Willem Elsschot krijgt Frans Laarmans een unieke kans om hogerop te komen en koopman in kaas te worden, een heer met geld en aanzien. Het lukt niet, hij krijgt geen kaas verkocht, hij is er niet voor in de wieg gelegd. De nederlaag is groot, maar hij berust in zijn middelmatigheid. Precies dan komen de orders en bestellingen binnen. Hij kan het dus wel, kaas verkopen. Het verhaal leek uit, maar vanaf de epiloog kan het roer weer gewoon nog minstens zes keer om.
Zulke verhalen geven een beetje moed bij het wereldnieuws. Het einde lijkt soms dichtbij, maar het is maar schijn. Eindes bestaan helemaal niet. Er komt altijd meer, het gaat altijd verder, er komt altijd, zoals Lohues elders zingt, weer vanzelf een nieuwe maan.
Tenzij het een keer niet zo is, natuurlijk. Laarmans verslikt zich, Judy verdwaalt, Daniël krijgt een lekke band. Als WO III uitbreekt, heb ik niets gezegd.
Source: Volkskrant