Leidt de oorlog tussen Israël en Hamas tot een nieuwe energiecrisis? Toen vijftig jaar geleden een coalitie van landen onder aanvoering van Egypte en Syrië Israël in oktober 1973 aanviel, leidde dat tot een drastische stijging van de prijs van ruwe olie, en een olie-embargo voor landen die Israël steunden: de Verenigde Staten en onder meer Nederland.
Het is nu moeilijk voor te stellen, maar niet lang vóór die Jom Kipoer-oorlog dicteerden westerse oliemaatschappijen de prijs van ruwe olie aan de landen waar ze de olie uit de grond haalden. De winst werd weliswaar 50/50 verdeeld, maar over de olieprijs hadden de olielanden zelf weinig te vertellen. Pas nadat OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, in 1960 door hen werd opgericht, trokken Iran, Irak, Saoedi-Arabië, Koeweit en Venezuela de macht om de prijs vast te stellen gaandeweg naar zich toe. Voortaan maakten zij uit hoe duur olie was.
Hoe groot die macht was, bleek in 1973: de prijs van olie per vat ging, gerekend met Brent-olie, van 4 dollar naar ruim 15 dollar, om daarna in de rest van het decennium zo’n beetje te schommelen tussen 11 en 14 dollar. Je zou kunnen zeggen dat de prijs van energie zo duurzaam verdrievoudigde.
De revolutie in Iran, die begon in 1978, resulteerde daarna uiteindelijk in een prijsstijging tot rond de 40 dollar per vat. Alwéér een verdrievoudiging dus. Geen wonder dat de inflatie, die vóór de oliecrisis al fors steeg, hardnekkig werd. En dat de economische groei, die vóór Jom Kipoer eveneens al over zijn hoogtepunt heen leek, door de dure energie een nieuwe deuk kreeg.
‘Stagflatie’, het gelijktijdig optreden van inflatie en economische stagnatie dat door de heersende economische theorie onmogelijk werd geacht, werd in de jaren zeventig een feit. En het vergde daarna draconische renteverhogingen, gevolgd door een zware recessie begin jaren tachtig, om de inflatie weer de grond in te stampen.
Dit is de prijs van Brent-olie in dollars. Hij verdrievoudigde tijdens en na de Jom Kipoer-oorlog van 1973, en verdrievoudigde opnieuw tijdens de Iraanse revolutie van 1978-1979.
Hier is de olieprijs in euro’s (teruggerekend via de Nederlandse gulden). Nog beter is te zien dat de prijs na 1973 én na 1979 niet terugviel, maar een nieuw plateau bereikte dat jaren aanhield. Pas toen de dollar én olie samen instortten in 1986-1987, kwam de ‘Europese’ olieprijs fors naar beneden.
De Nederlandse inflatie schoot omhoog na 1973 en 1979. Maar vergeet niet: hij was al hoog. Sterke economische groei en een zeer krappe arbeidsmarkt eind jaren zestig hadden de lonen bijvoorbeeld fors opgestuwd.
De oliecrisis van 1973-1974 kon dus nauwelijks op een slechter moment komen.
Hoe zit dat op dit moment? De prijs van olie is al lang een zaak van de markten waarop die verhandeld wordt, en dat geldt voor elke vorm van energie. Maar de macht ligt, als het er op aankomt, nog steeds bij de producenten. Het afknijpen van gas door Rusland zorgde in 2022, na de inval in Oekraïne, voor een forse prijsstijging in vooral Europa. Maar het verschil met destijds is: bereikten de energieprijzen vijftig jaar terug een nieuw, hoger niveau en bleven ze daar, nu vallen ze weer terug.
Vandaar de hoop van beleidsmakers dat de bijbehorende inflatie transitory is – van voorbijgaande aard, dus. Het geeft uitzicht op de Heilige Graal van de economie van nu: een zogenoemde zachte landing, waarbij de inflatie langzaam afneemt terwijl een economische recessie wordt vermeden. Het Internationaal Monetair Fonds hoopte er vorige week tijdens zijn jaarvergadering op.
Het is juist dat precaire evenwicht, dat balanceren op de rand van een recessie, dat de situatie nu zo kwetsbaar maakt. Een nieuwe opleving van de energieprijzen zou de gewenste daling van de inflatie in de wielen rijden, rentes vergen die langer hoger blijven en de economie alsnog over de rand duwen. Een overeenkomst met 1973 is ten slotte ook dat de arbeidsmarkt net als toen krap is, de loondruk toeneemt en de inflatie al opliep voordat de Oekraïne-oorlog begon.
Anders dan vijftig jaar geleden zit er een duidelijke piek in de energieprijzen. Veel centrale banken denken, of hopen, dat de inflatie dan ook ‘transitory‘ is: van voorbijgaande aard.
De inflatie in Europa (linker-as) daalt, en kan dat misschien blijven doen. Maar dan moeten de energieprijzen als gevolg van het uit de hand lopen van de oorlog tussen Israël en Hamas niet opnieuw gaan stijgen.
Wat denken de financiële markten? Dit is het verschil tussen de rente op staatsleningen in Europa en de rente op staatsleningen die tegen inflatie beschermd zijn.
Het verschil is de verwachte inflatie, of break-even-inflatie. Hier zie je de ’break-even’ met een verwachtingshorizon van één jaar . Beleggers verwachten tegen de 3 procent.
En hier is de verwachting voor tien jaar. Beleggers verwachten een inflatie over die tijdshorizon van 2,3 procent. En dat is boven het maximum waar de Europese Centrale Bank naar streeft.
De geschiedenis rijmt dus meer dan op het eerste gezicht lijkt. Zoals je ziet in de grafiek zijn beleggers er inmiddels niet meer helemaal van overtuigd dat de inflatie duurzaam onder de duim wordt gehouden. Zij gaan nu uit van een gemiddelde van 2,3 procent over de eerstvolgende tien jaar. Dat is boven het doel van de Europese Centrale Bank.
En dat is nog zonder dat het conflict tussen Israël en Hamas uit de hand loopt. Qatar, om maar een voorbeeld te noemen, is een belangrijke leverancier van het gas waarmee Europa nu de winter doorkomt. Mochten de gemoederen te hoog oplopen of mocht de oorlog zich uitbreiden, dan is een energiecrisis vlak voor de winter helemaal niet zo ondenkbaar. En begint 2023 toch wat sterker op 1973 te lijken.
Anders dan toen wordt dat dan wel vooral een Europees probleem. In de Verenigde Staten is de olieproductie fors opgevoerd, met name door het winnen van schalie-olie en gas, mogelijk gemaakt door ‘fracking’-technieken. Sinds een jaar of vijf zijn de VS daardoor niet langer netto-importeur van olie, olieproducten en gas, maar exporteur. Het kan verklaren waarom de Amerikaanse aandacht voor het Midden-Oosten de afgelopen jaren leek te verslappen. Maar dat blijkt nu een houding die Amerika zich, energie-onafhankelijk of niet, alsnog niet kan permitteren.
Bovendien: energieprijzen zijn voor een belangrijk deel wereldmarktprijzen. Dure olie, benzine en gas raken de Amerikaanse consument uiteindelijk ook. In welk werelddeel de oorzaak van die prijsstijging ook ligt.
Tot voor kort waren de VS netto-importeur van olie- en olieproducten. Dit is de maandelijkse invoer, in duizenden vaten, of equivalenten daarvan.
Vanaf begin deze eeuw was ‘fracking’ in opkomst, en die techniek droeg bij aan een enorme stijging van productie en export.
Het resultaat: een handelsoverschot in energie. Dat kan mede verklaren waarom de Amerikaanse aandacht voor het Midden-Oosten verminderde.
txt4
Maarten Schinkel schrijft in deze rubriek wekelijks over economie en financiële markten.
Meer afleveringen
Als het maar beweegt
Source: NRC