Home

‘Hee, meisje!’ hoorde ik roepen. Als je 18 bent, kun je beter doorlopen, maar op je 58ste moet je dat koesteren

In gedachten verzonken (ik was, onderweg naar de bakker, de oorlog in het Midden-Oosten aan het oplossen) liep ik de supermarkt uit toen ik een opgewekte mannenstem ‘Hee, meisje!’ hoorde roepen. Als je 18 bent, kun je in zo’n geval beter doorlopen, maar op je 58ste moet je zulke momenten koesteren.

De man zat met twee makkers in de nis naast de supermarkt. Die nis is bedoeld voor de opslag van kratten, maar het drietal, twee lichte en een donkere van rond de 30, had er met behulp van kleurige handdoeken een knus zitje van gemaakt, en zat gezellig te picknicken met leverworst en bier.

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

‘Hee meisje’, zei de donkere nogmaals vrolijk. ‘Hee jongetje’, antwoordde ik, waarop ze alle drie in smakelijk lachen uitbarstten. De donkere had al zijn tanden nog, maar de twee anderen hadden samen amper genoeg voor één mond. Zwervers, maar ze misten de tragiek van de aangekoekte mompelaar met vuilniszakken om zijn voeten. Meer dan dakloosheid straalden ze Goethiaanse Wanderlust uit; vér van ‘das Land wo die Zitronen blūhen’, maar toch vol goede moed.

‘Ik ga een gedicht voor je schrijven’, sprak de donkere stralend. ‘Heb je misschien een klein bedragje over voor een mooi gedicht?’ Jazeker, maar bedragjes, hoe klein ook, draag ik al jaren niet meer in klinkende munt op zak. ‘Kan ik bij je pinnen?’, vroeg ik, waarop hij schaterend zijn benige handen ten hemel wierp. Nee dus.

‘Dan krijg jij een grátis gedicht’, besloot hij, en greep een voddig papiertje. De twee anderen proostten met hun bierblikjes. Welwillend wachtte ik af, terwijl de donkere, stellig op zoek naar inspiratie, afwisselend naar mij keek en naar de lucht, waar juist de zon doorbrak. Straks zou ik terug naar binnen gaan en wat geld voor ze pinnen.

Maar daar kwam het noodlot aangelopen, in de vorm van een jongeman met een baard en een papieren beker koffie in zijn hand. Hij hield stil, zond het drietal een stichtende blik en sprak: ‘Jullie moeten geen bier drinken. Bier is slecht.’ Hij nam demonstratief een slok koffie en vervolgde: ‘Als jullie je hele leven geen alcohol hadden gedronken, dan waren jullie nu miljonair geweest.’

Een aanvechtbare stelling. ‘Alsof koffie geen geld kost...’, wierp de donkere man lachend tegen, maar zijn ogen lachten niet mee. ‘Van koffie drink je er geen dertig per dag.’ antwoordde de baard. Touché.

Hij liep door. De donkere man vouwde langzaam zijn papiertje op. ‘Hee meisje’, zei hij sip. ‘Ik maak het gedicht mórgen, oké?’ Ik knikte hem bemoedigend toe.
Maar de volgende dag waren ze weg.

Source: Volkskrant

Previous

Next