Home

Jo Bakker is 100 jaar: ‘Niemand vertelde mij dat mijn vader was overleden’

Jo Bakker is nog samen met haar man Piet (99). Dit voorjaar hebben ze hun 75-jarige huwelijksfeest gevierd. De zachtaardige West-Friezin vindt het een wonder dat ze, met alles wat ze in haar prille jeugdjaren voor de kiezen kreeg, zo oud heeft kunnen worden. Tijdens het interview zit haar man stilletjes tegenover haar.

‘Het gaat wel. Het is moeilijk dat mijn man zo achteruitgaat. Sinds een paar maanden is hij aan het dementeren. Het is een gemis dat ik niks meer met hem kan delen. Mijn ex-schoonzoon is pas overleden. Toen ik dit aan Piet vertelde, reageerde hij lauw en vijf minuten later was hij het alweer vergeten. Mijn oude dag had ik mij anders voorgesteld: puzzelen, lezen en rusten. Daar kom ik niet aan toe.’

‘O, ik heb zo veel te vertellen. Ik was 4 jaar, bijna 5, toen mijn vader overleed. Een leeftijd waarop je niet begrijpt wat er allemaal gebeurt. Het was een drama. Mijn moeder was hoogzwanger van haar zesde kind. Omdat ze daardoor niet zoveel kon, werd ik aangewezen als de loopjongen van mijn vader, die ernstig ziek in bed lag. De hele dag was ik op zijn kamer aan het spelen en kreeg ik opdrachten van hem: ‘Pak de krant’, ‘Ga wat water halen’. En ineens stonden op een dag een zwarte schraag en een zwarte kist in zijn slaapkamer. Er was veel visite, ik snapte er niks van, wat was er aan de hand? Niemand pakte mij op of vertelde mij wat er gebeurd was. Er is die dag, maar ook daarna, met geen woord over de dood van mijn vader gesproken. Langzaam maar zeker merkte ik dat hij er niet meer was en niet zou terugkeren.

‘Ik zie die zwarte kist en schraag nog zo voor mij. En de zwarte rok van mijn moeder waaraan ik mij vasthield. Na die dag werd ik hangerig en lusteloos, ik deed niets. Achteraf denk ik dat ik in shock was. Ze hebben hun best moeten doen om mij in leven te houden. Mijn moeder en de dokter wisten niet wat ze ermee aan moesten. Op een gegeven moment nam mijn moeder mij mee naar een priester in Venhuizen, die ook bekendstond als natuurgenezer. Hij gaf mij een drankje, Granuline heette het, en zei: ‘Dit moet ze innemen totdat ze een vrouw is.’

‘Mijn moeder had niet altijd genoeg geld om het drankje te kopen. Dat merkte ik als de schepjes kleiner werden, of ik helemaal niets kreeg. Dan werd ik ziek, suf en down, en was niet aanspreekbaar. Mijn moeder hield mij dan thuis van school. Dat was niet erg, want ik kon goed leren en raakte niet achterop. De lerares op de lagere school zei dat ik een fotografisch geheugen had. Ik hoefde informatie op het bord of in een boek maar één keer te zien en dan kon ik het onthouden. Toen ik ongesteld werd, ging het beter met mij en kon ik stoppen met het drankje. Waarschijnlijk was het iets hormonaals.’

‘Ik herinner me een dag dat we allemaal heel blij waren. Mijn oudere zus mocht van mijn moeder naar de bakker om jodenkoeken te kopen, voor ieder één. Het was de dag dat mijn vader jarig zou zijn geweest.’

‘De oudste was mijn broer Jan van 8 jaar, en twee weken na mijn vaders overlijden werd de jongste geboren. Mijn moeder had haar handen en haar hoofd vol. Dat kon je haar niet kwalijk nemen. Mijn vader had een behoorlijk en goedlopend tuindersbedrijf, met aardappelen, allerlei soorten groenten en tulpenbollen. Dat heeft mijn moeder geprobeerd voort te zetten. Daarvoor moest ze personeel inhuren, door die kosten hield ze bijna niks over. Na vier jaar zei haar broer: ‘Dit kun je zo niet volhouden.’ Ze besloot het bedrijf te verkopen en we verhuisden naar Wervershoof. 8 jaar was ik toen. Een paar jaar later, vlak voor de oorlog uitbrak, kocht ze een stuk land om een nieuw tuindersbedrijf te beginnen. Dat deed ze voor de jongens, zodat die er later hun brood mee konden verdienen.’

‘Nee, dat kon echt niet. Ik was graag onderwijzeres geworden. Ik vroeg het aan mijn moeder en zij haalde de boekhouder erbij, maar het bleek financieel niet te doen. Ik had dan intern gemoeten op de kweekschool van de nonnen in Bergen. Dat was onbetaalbaar. Na de lagere school ben ik thuis gebleven, moeder helpen in huis en het tuindersbedrijf: van witlof mooie stronkjes maken door de buitenste bladeren eraf te scheuren en ze netjes in een bak leggen, zodat ze naar de veiling konden.

‘Ik mocht wel vijf middagen in de week naar de naaischool van de Franciscaner nonnen, hier in het dorp. Daar leerde ik borduren en kleding verstellen, zoals een oksel en een nieuwe knie in ondergoed zetten. In die tijd droegen mensen als ondergoed een hemd met lange mouwen én een broek met pijpen. Dan kwam ik na naailes thuis en wees mijn moeder naar het onderste deel van de kast, dat ze had volgepropt met herstelgoed. ‘Jij mag de kast leegmaken’, zei ze. Kon ik meteen verder. Ik deed het graag hoor. Op mijn 17de verjaardag kreeg ik een groot cadeau van haar: een tweedehands Singer trapnaaimachine. Daar heb ik later ook voor mijn kinderen veel kleren mee gemaakt.’

‘Je best doen en hard werken. Ik ben een pure West-Friezin, dat zijn harde werkers en zonder meer doorzetters, vaak op het land, met een eigen bedrijf. Opgeven is er niet bij. Al mijn kinderen – eerst vier meisjes, daarna vier jongens – hebben het goed gedaan.’

‘Als mijn man thuis kwam, was ik niet altijd blij, ik mopperde veel. Dat vond ik niet fijn, ik ging naar de dokter. Die gaf mij de raad elke middag een uur te rusten. En zo ging ik elke middag een uur op de divan, de kinderen wisten het en hielden zich stil. Ik wilde altijd goed voor de kinderen zijn, en voor andere mensen. We hadden vaak veel bezoek, dan raakte ik soms overprikkeld. Anderen helpen kan uitputtend zijn. Voordat ik een gezin kreeg, had ik natuurlijk al heel wat achter de rug.’

‘Ja en ook de oorlog, dat was een vreselijke tijd, als ik daar aan terugdenk… Mijn oudste broer Jan moest het leger in, maanden hoorde we niets van hem. Toen hij verzwakt terugkwam, bleek hij de bombardementen op Rotterdam meegemaakt te hebben en krijgsgevangen gemaakt te zijn door de Duitsers. Hij dook onder, ook perioden thuis, dan sliep hij op zolder. Gelukkig was hij er toen op een nacht een fosforbom op ons huis viel, dwars door het dak naar binnen. Hij kwam terecht vlak achter de deur van mijn kamer, waar ik met een logeetje lag te slapen. We gilden van angst. Mijn broer kwam meteen naar beneden en schopte de bom, die nog vlamde, tegen de stenen muur, zodat de deur niet in brand vloog. Vervolgens sleurde hij ons uit bed, haalde onze dekens eraf en gooide die op de vlammen. Dat hielp niet. ‘Ga water halen’, riep hij. We haalden emmers water uit de regenton, maar ook dat haalde niets uit. ‘Dan modder!’, riep hij. Inmiddels waren de buren ook wakker, die hielpen modder te scheppen en naar boven te brengen en toen doofde het vuur wel. Mijn broer had een heldendaad verricht, want voorkomen dat ons huis in brand vloog. Alleen de zoldervloer was weggebrand.

‘Ons huis lag op de vliegroute tussen Engeland en Duitsland. Ik lag vaak nachten wakker van het lawaai van oorlogsvliegtuigen. De hele oorlogstijd moet ik in shock zijn geweest, ik kon niks, deed niks, zat maar thuis en had nergens zin in. Granuline was er niet. Geen mens wist in die tijd wat een shock was.’

(Ze denkt na en kijkt naar haar man Piet, die haar goedmoedig, zwijgend aankijkt.) ‘Dat ik voor hem gekozen heb. We zijn normale mensen die toevallig heel oud zijn geworden en hebben samen een mooi en goed leven gehad. Ik denk niet dat onze kinderen terugkijken op hun jeugd van: wat een rottijd. Het grote verdriet van mijn man was dat geen van onze vier zoons zijn tuindersbedrijf wilde voortzetten. Daarom besloot hij de boel te verkopen. Maar zijn verdriet zou het geluk worden van onze zoons, want toen was er ook voor hen geld om te kunnen doorleren. Ze zijn allemaal goed terechtgekomen. Onze dochters hadden al een opleiding gedaan.

‘Geregeld krijg ik de vraag: hoe deden jullie dat, 75 jaar getrouwd zijn? Natuurlijk hadden mijn man en ik weleens ruzie, dan gingen we kwaad naar bed en lag ik te prakkiseren: wie heeft er nou gelijk? Na een kwartier viel ik in slaap. De volgende ochtend zeiden we gewoon weer ‘goedemorgen’ tegen elkaar en was de lucht geklaard. Uitpraten was niet nodig, uiteindelijk ging het vaak om kleine dingen. Dus zeg ik: bij ruzie eerst een nacht slapen, daarna is het meestal weer goed.’

geboren: 17 december 2022 in Bovenkarspel

woont: in een verpleeghuis in Wervershoof

familie: haar man Piet (99), acht kinderen, 25 kleinkinderen, 32 achterkleinkinderen

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next