Het jachtseizoen is weer uitgebreid. Wild moet immers ‘beheerd’, is altijd de verdediging van jagers die worden aangevallen.
Het kan je, zoals onlangs mij, zomaar overkomen in het bos of open veld: een ree zien. Mooi, hoe die elegante ballerina dartel en geluidloos over het mos danst. Er zijn mensen die bij het zien van Bambi’s reebruine ogen als eerste reflex de wonderlijke lust voelen daar een kogel tussen te knallen. Minstens 27 duizend, want zoveel jachtaktehouders zijn er volgens de Jagersvereniging in Nederland. Voer voor psychologen.
Tot zover de emotie. Laten we het hebben over feiten, nu per 15 oktober het ‘jachtseizoen’ ook weer open is voor de fazant, houtduif en (op drie provincies na) de haas. Dat moet, want wild moet ‘beheerd’, is altijd de verdediging van jagers die worden aangevallen. Door de vele ontheffingen van provincies zijn sommige dieren het hele jaar door het haasje. Is er enige wetenschappelijke grond die de bloeddorst rechtvaardigt?
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Dat treft: afgelopen zomer verscheen het boekje Jagerslatijn van Nettie Dekker. Daarin ‘kijkt ze kritisch’ naar de jacht. Ze doorziet de media-spin van het jagersfront – vorige week zaterdag toonde schrijver/jager Pauline de Bok in NRC zich weer een van die uiterst gewetensvolle jagers (‘Doden is niet makkelijk') die echt héél af en toe één enkel klein ziekig diertje een héél klein beetje dood maakt, met de grootst mogelijke tegenzin.
Je moet het maar geloven. Noorse en Wageningse onderzoekers bekeken in 2016 zo’n 180 duizend keuzemomenten van jagers die groot wild in het vizier kregen. Concurrentie met collega-jagers en het naderende einde van het jachtseizoen bleken veel belangrijkere factoren dan de toestand van het dier. ‘Vooral de laatste week van het seizoen is de schietkans bij elke gelegenheid groter.’
Ook zijn er de talloze beelden van misstanden, gefilmd door actiegroepen tegen de jacht. ‘Jager slaat gans dood’, klungels in Overijssel die een aangeschoten haas afmaken met stokslagen. Dat zijn incidenten, is het weerwoord dan. Maar de beelden liegen niet, de ‘incidenten’ zijn er te veel om niet structureel te zijn.
Tussen de 147 bronvermeldingen noemt Dekker meer wetenschappelijke onderzoeken naar de jacht en de vermeende zin ervan. Ook de Wageningse onderzoeker Edgar van der Grift beklaagde zich in een vakblad over de gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing van de jacht. ‘Faunabeheerders’ zijn vaak gretig met afschieten, maar het exacte doel en eventuele alternatieven om dat te bereiken ontbreken veel te vaak, volgens Van der Grift.
‘Jacht leidt niet tot minder wildaanrijdingen’, was de conclusie in 2021 over de Veluwe. Wat wel werkt: snelheidsbeperking voor de uren waarop wild het actiefst is.
2019: ‘Ondanks afschot toch meer damherten in Waterleidingduinen’.
Zo gaat het steeds. Dekker verwijst naar ecoloog Ton Eggenhuizen, die in zijn boek De knobbelzwaan de vloer aanveegt met argumenten voor het afschieten van knobbelzwanen die schade aan boerenland zouden toebrengen. Na afschot komen er van buiten het gebied doodleuk weer nieuwe zwanen om het vrijgekomen territorium te bezetten.
Ook opmerkelijk: de wolf is een beter wapen in de strijd tegen botsingen dan het jachtgeweer.
In de Amerikaanse staat Wisconsin leidde de komst van de wolf tot ander gedrag van herten, waardoor het aantal autobotsingen met 24 procent afnam. In Europa klinkt desondanks de voorspelbare roep alweer om het afschieten van de wolf. Een heilloze weg.
De wetenschap heeft de jacht vakkundig afgeknald. Tijd om ons van dit lijden te verlossen.
Source: Volkskrant