Ik lag ziek op bed en ik had zin in een Vestdijkje. Vestdijk is een man for all seasons : soms neem je Fré Bolderhey, soms Else Böhler, dan weer Anton Wachter, die koperen tuin of dat glinsterend pantser, maar als je ziek op bed ligt moet je Meneer Vissers hellevaart hebben; of nee, toch maar liever Het verboden bacchanaal, want een bacchanaal is gezelliger dan een hellevaart, in je pyjama.
Bovendien geldt Het verboden bacchanaal (1969) als een slecht boek, en ik ben dol op slechte boeken. Kees Fens, zaliger gedachtenis, smaalde indertijd in zijn recensie in de Volkskrant: ‘In de roman figureren enkele echtparen, uit de middenstand zal ik maar zeggen, die samen op pluriforme wijze de sex beoefenen, dat gezelschapsspel waarvoor de partners tegenwoordig per advertentie worden opgeroepen, een soort lichamelijk bridgen.’
Je zíét Fens’ misprijzende kop vóór je. Maar Kees, het is een karikatuur, hoor! Een satire op de kleinburgerlijke zeden, en zo! Ja,ja, mopperde Fens: ‘Vestdijk zal het allemaal wel hekelend bedoeld hebben. Dat gevreet, gezuip, getoespeel, de ontstellend platte conversatie die alleen maar plat blijft en nergens het ranzige of gekke van het platte ruik- of zichtbaar maakt. Het is allemaal heel vervelend.’ Ook Bernlef, in het Algemeen Dagblad, trok zijn handen af van deze ‘ronduit vervelende Vestdijk, waarin dikbuikige middenstanders elkaars vette vrouwen bezitten’.
Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.
Jazeker, dat doen die dikbuikige middenstanders. Althans, dat déden ze, op feestjes bij Frits van der Laan thuis. Maar zijn vrouw Mary, die toch altijd grif meedeed, wil die ‘rare dingen’ niet meer, want de kinderen worden te groot; ze zullen in de gaten krijgen wat er aan de hand is. De gasten worden, onder protest, geïnstrueerd een ‘beetje in te binden’. Maar houden ze zich daar ook aan, na een avond vol drank?
De oudste zoon Frans, 16 jaar en in de hitsige greep van de puberteit, heeft van zijn schoolkameraden de roddels gehoord over zijn ouders en hun vrienden. Hij houdt het gezelschap de hele avond stiekem in de gaten en ziet zijn vermoedens méér dan bevestigd. ‘Hij lag nu half over de rand van zijn bed te luisteren. Zonder intieme kennis van de voorwerpen in de slaapkamer van zijn ouders zou hij niet geweten hebben waarnaar hij lag te luisteren. Zonder de kennis van die ene lamme, of losse, gebroken springveer in de matras van zijn ouders had hij dit onmogelijk kunnen weten.’
Maar wát weet hij dan? En weet hij het wel zeker? En moet hij werkelijk zijn slapende, 12-jarige zusje beschermen tegen de avances van die enge ‘oom’ Carl? Of viert die zijn lusten bot op het dienstmeisje Corrie, op zolder? Of zelfs dat niet? Voltrekt dat bacchanaal zich nou alleen in Frans’ verhitte fantasie?
Vreemd eigenlijk, dat inwonende dienstmeisje. Die had je toch allang niet meer, eind jaren zestig? Ook Kees Fens dacht er in zijn geringschattende recensie het zijne van: ‘Dienstmeisjes bestaan nagenoeg alleen nog in de herinnering van vermoeide mevrouwen.’
Speelt het boek misschien eerder? De sfeer is bepaald vooroorlogs, dat wel. De mannen dragen hoeden, in het boek komt geen tv voor (terwijl driekwart van de huishoudens er in 1969 al een had) maar wel een liedje ‘van de radio’ dat bij naspeuring uit 1941 blijkt te stammen. Toch is er ook sprake van een ‘quiz’ (wanneer verscheen dat woord voor het eerst in Nederland?) en oom Carl maakt terloops gebruik van een pas in de jaren zestig gangbare ‘ballpoint’.
Is dit slordigheid geweest van Vestdijk, vroeg ik me af. Of wilde hij, net als met de rest van het boek, gewoon lekker verwarring stichten bij de lezer?
Source: Volkskrant