Legendarisch was de expositie die de Zwitserse tentoonstellingsmaker Harald Szeemann in 1988 maakte met de collectie van het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen. Het was de tijd dat het verhaal hoe het modernisme de kunst had gedomineerd – in één rechte lijn van Manet tot Barnett Newman – werd losgelaten, en het rommelige postmodernisme zijn zegetocht was begonnen.
‘A-historische klanken’ luidde de tentoonstellingstitel – behoorlijk muf voor de opwinding en vernieuwing die het te bieden had. Szeemann deed iets wat tot dan nog maar weinigen hadden gedaan: hij klutste alles door elkaar wat voorheen kunsthistorisch verantwoord op zaal stond (of lange tijd ongezien in de kelder lag opgeslagen). Renaissance klapstoelen naast een moderne bureaustoel, koperplaten van Joseph Beuys voor Pieter Bruegels Toren van Babylon. Een verademing!
Szeemann was niet de eerste en niet de laatste die zo een bestaande collectie presenteerde. Rudi Fuchs was hem in het Van Abbemuseum al voorafgegaan met ‘Het ijzeren venster’ (waarin hij werk van Mondriaan bij Dibbets hing en Schwitters bij Baselitz). De Engelse filmregisseur Peter Greenaway zou drie jaar na Szeemann ook de Boijmans-collectie onder handen nemen, in een draaikolk van ‘lichaamskunst’, gecombineerd met levende naaktmodellen in vitrines.
Over de auteur
Rutger Pontzen is sinds 2002 kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant en schrijft over zowel oude en moderne als hedendaagse kunst.
Dat was destijds. En toch: kunst tonen als een tijdloos fenomeen, los van welke historische ontwikkeling ook, blijkt nog steeds te kunnen, afgaande op wat de conservatoren van het Rijksmuseum met diezelfde rijkdom uit het Boijmans hebben gedaan – aan het Amsterdamse Museumplein wel te verstaan. Want het Rotterdamse museum is tot minstens 2029 dicht en wordt gerenoveerd en (mogelijk) uitgebreid. En hoewel er vorig jaar een spectaculair glimmend depot werd geopend, waarin het Boijmans haar schatten laat zien, zijn er voldoende mogelijkheden de rijke collectie ook elders levend en zichtbaar te houden.
Nu staat die verzameling niet bepaald bekend vanwege haar overzichtelijkheid; meer om het wispelturige karakter ervan. Er is eerlijk gezegd, dankzij de giften van meerdere verzamelaars, talloze bruiklenen en aankopen van verschillende directeuren en conservatoren, geen peil op te trekken. De beroemde tekeningen- en prentencollectie, de surrealisten, een breed assortiment design, oude schilderijen, nieuwe video’s, fotografie – het lijkt onmogelijk daar een overtuigende keuze uit te maken.
De thematische ordening in het Rijks, van geboorte tot dood (met tussenstadia als jeugd, angst, seksualiteit, verstilling), is wellicht een aardige vondst, maar onnodig. Het is vooral het frisse oog en de losse benadering die de opstelling laat schitteren. Rembrandts zoon Titus die staart naar het danseresje van Degas; het treurige, angstaanjagend realistische jongetje van Duane Hanson dat bij de, door Max Beckmann geportretteerde familie Lütjens wil horen; de anti-agressie kledij van Alicia Framis tegenover de stalen kooi van Bruce Nauman; de ijzige blik van Madame Austine-Modeste-Hortense Reiset en haar al even stoïcijns kijkende dochter Babiche richting het witte verloren schoentje van Robert Gober.
De combinaties zijn prikkelend, zonder dat het ten koste gaat van elk individueel werk. Hoe innig is de omhelzing van de heiligen Franciscus en Dominicus in de twee tekeningen van Fra Bartolommeo. Hoe zwaar zijn de oogleden in Van Goghs portret van Armand Roulin. De tientallen foto's waarop Daan van Golden zijn dochter Diana jaarlijks tot haar achttiende heeft vastgelegd. Het harige T-shirt van de Belgische modeontwerper Walter Van Beirendonck. Naast de usual suspects uit het Boijmans: Yayoi Kusama, Salvador Dalí en Pieter Bruegel.
Het is een knap staaltje dosering om uit de overweldigende hoeveelheid en variëteit deze ingedikte selectie te maken. Tien zalen met zo’n negentig werken, het blijkt genoeg om de aantrekkelijkheid te tonen van wat het Boijmans aan 145 duizend objecten in huis heeft. Terwijl een van de zalen ook nog eens plaats biedt aan de 10-delige videoprojectie van de Chinees Yang Fudong.
Je zou hopen dat er na deze keuze een andere volgt, in weer een heel andere samenstelling. En daarna nog een. Met als onderliggende boodschap dat een kleinschalige, veranderlijke presentatie de impact ervan niet schaadt. Integendeel. Zou het nieuwe, gerenoveerde Boijmans-gebouw niet juist moeten krimpen in plaats van uitbreiden?
Beeldende kunst
★★★★☆
Rijksmuseum, Amsterdam, T/m 14/1.
Niet erg geliefd onder het personeel, wel belangrijk voor de collectie van het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam was Wim Beeren (1928-2000). Beeren was er van 1978 tot 1985 directeur en hevelde zowat alle geld voor aankopen (denk aan tekeningen, oude schilderijen en design) over naar de moderne en hedendaagse kunst, zeer ter ontsteltenis van zijn staf Oude Kunst. Met dat geld kocht hij wel goed en belangrijk werk aan, vanuit de veronderstelling dat de collectie hedendaagse kunst op een aantal internationale (en dure) pijlers gedragen moest worden, zoals Bruce Nauman, Anselm Kiefer, Richard Serra, Joseph Beuys en Walter de Maria. Met name van de laatste drie kunstenaars schafte hij beelden aan die haast speciaal voor de grote ruimten van Boijmans gemaakt waren en door hun grootte dan ook nu in het Rijksmuseum ontbreken.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden