Elk jaar 40 graden en dertig tropische dagen, als we ‘in dezelfde mate als nu’ doorgaan?
Daar zaten ze, de ministers en andere hotemetoten, bijeen op de doop van de nieuwe klimaatscenario’s die het KNMI heeft opgesteld. Er startte een animatiefilmpje.
‘Als de CO2-uitstoot in dezelfde mate als nu blijft stijgen’, sprak een vrouwenstem, ‘dan komen we in de hoge scenario’s. (…) Zelfs temperaturen van 40 graden komen in dit scenario bijna elk jaar voor.’ Het aantal tropische dagen, van boven de 30 graden, zou in dat geval oplopen tot wel dertig per jaar.
Verontrustend. ‘Wanneer we onze CO2-uitstoot echter snel verminderen’, vervolgde de stem, ‘dan komen we in het lage scenario terecht. De gevolgen van de klimaatverandering zijn dan veel kleiner.’
Daar is inderdaad weinig tegenin te brengen. Onze CO2-uitstoot heeft de aarde nu al 1,2 graden opgewarmd – Nederland is zelfs al dik 2 graden warmer – en hoe meer we uitstoten, des te meer lopen die cijfers op, met alle gevolgen van dien.
Maar elk jaar 40 graden en dertig tropische dagen, als we ‘in dezelfde mate als nu’ doorgaan? Dát klopt ook weer niet. Het filmpje leunt namelijk op een misverstand. Een valse tegenstelling.
Voor zijn klimaatscenario’s pakte het KNMI de scenario’s van het VN-klimaatpanel het IPCC erbij en rekende die om naar Nederland. Eén scenario waarbij de temperatuur beperkt blijft tot 1,7 graden. En het hoogste scenario, waarbij de temperatuur oploopt tot 4,9 graden in 2100. Verleidelijk om die tegenover elkaar te zetten: als we niks doen, krijgen we de rampspoed van het topscenario, als we ingrijpen de geneugten van het lage scenario.
Maar zo zit dat niet. Ik zoek op wat het topscenario ook alweer inhoudt. Dat is nogal wat: we zouden steeds meer in plaats van minder steenkool stoken, het klimaatbeleid laten versloffen en minder duurzame energie opwekken dan in 2010, in plaats van meer. Plat gezegd: in het hoge scenario halen we windmolens weg, gooien we de net gesloten kolencentrales weer open en zeggen we het klimaatakkoord van Parijs op – en dat de verdere eeuw lang.
Dat ligt natuurlijk niet voor de hand. Volgens de doorrekeningen koersen we af op een uitstoot van zo’n 45 miljard ton CO2 aan het eind van deze eeuw, veel lager dan de 104- tot 126 miljard ton waarin het topscenario voorziet. We komen dan uit op 2,6 tot 2,9 graden opwarming. En dat is alleen als we na 2030 geen nieuw klimaatbeleid meer afspreken: als de internationale gemeenschap zich aan al z’n beloften houdt, komen we in 2100 uit rond de 2 graden opwarming.
De cijfers die daarbij horen? Het KNMI noemt ze niet in het filmpje of in zijn publieksrapport. Opzoeken op een KNMI-achtergrondwebsite kan wél. We krijgen er dan geen 30, maar 7 tot 10 tropische dagen bij. De winter wordt niet tot 15 procent natter, maar slechts 5 procent. En de zwaarste zomerregens worden niet tot 31 procent heftiger, maar 7 tot 13 procent. Stuk voor stuk veranderingen die we gaan merken, maar het is allemaal toch een stuk minder extreem dan de vijfgradenwereld die het KNMI-filmpje voorhoudt.
Zo wordt het toch weer: alles of niets, een strenger klimaatbeleid of we gaan allemaal naar de gallemiezen. Natuurlijk moet het KNMI ook het slechtst denkbare scenario schetsen en urgentie uitstralen. Alleen wel jammer dat men daarbij onze meest waarschijnlijke klimaattoekomst zomaar lijkt te zijn vergeten.
Source: Volkskrant