Home

Malou Gorter: ‘Misschien is alles wat ik doe wel een afleiding van het gevoel nutteloos te zijn’

Het hoofd van actrice Malou Gorter loopt over. Niet alléén omdat ze zo hard werkt. Sinds een informatieavond van Extinction Rebellion voelt ze zich machteloos. ‘Voor het eerst in mijn leven dacht ik: we gaan er gewoon aan.’ Maar de lokroep van het toneel houdt haar op de been.

Als Malou Gorter (54) aanschuift op het terras zet ze meteen de wekker op haar telefoon, waar ze zich vervolgens uitvoerig voor excuseert. ‘Dat ziet er ontzettend zakelijk uit, en zo ben ik helemaal niet. Maar mijn hoofd loopt nogal over, en ik mag de tijd niet vergeten.’

Het is een snikhete dag, begin juli. Die middag heeft ze een eerste lezing van De plantage van onze voorouders, een stuk dat ze vanaf oktober bij Orkater zal spelen. Over een paar dagen beginnen de opnamen van de film De vijf vaandeldragers. Daarnaast zijn er haar werkzaamheden voor ACT, de belangenvereniging van acteurs. En dat alles in een jaar waarin ze eerder al speelde in de operette De dappere soldaat én twee series opnam – De Joodse raad en het zeer succesvolle Oogappels. Logisch dus, zo’n overlopend hoofd.

Maar dat is het niet, of niet alléén. ‘Ik werk heel graag heel hard’, zegt ze. ‘Daar krijg ik energie van. Maar de laatste tijd... Ik kan er mijn vinger niet goed op leggen, maar ik ben een beetje in de war. Somber ook. Misschien dat ik overwerkt ben zonder het in de gaten te hebben, maar ik heb ineens veel minder vertrouwen in de toekomst dan ik ooit heb gehad. En het erge is: ik denk dat het terecht is. En ook dat het niet alleen in mij zit, want ik voel het overal om me heen.’

De aanleiding, althans deels, is een informatieavond van Extinction Rebellion die ze bezocht op uitnodiging van collega-acteur en activist Sieger Sloot. ‘Hij had een grote groep acteurs gevraagd, met het idee dat wij onze bekendheid zouden kunnen inzetten voor, nou ja, bewustwording enzo. Vind ik goed, doe ik graag. Maar jézus... Er werd een film vertoond waarin heel concreet de naakte feiten werden opgedist; dat we als het zo doorgaat over vijftig jaar hier eigenlijk niet meer kunnen leven, of in elk geval veel minder prettig, en dat de grootmachten daar totaal niet op reageren. Er sprak ook een klimaatfilosoof, want die heb je tegenwoordig. En na afloop was het zeker vijf minuten doodstil. Al die acteurs die zichzelf normaal zo graag horen praten, zaten er lamgeslagen bij. En ik dacht, voor het eerst in mijn leven: het heeft geen zin meer, we gaan er gewoon aan. En ook: we verdienen niet beter. De diersoort mens is zo slecht uitgerust om de problemen van deze tijd aan te pakken. We willen onze verworvenheden niet opgeven, we willen ons niet echt verdiepen in anderen en daar consequenties aan verbinden. Echt, ik ben normaal best een optimistisch mens, maar ik zie dat niet gebeuren.’

De avond werkte nog lang door. Ook thuis, op haar woonboot in de Amsterdamse haven, werd het een gespreksonderwerp. Haar dochter vertelde dat ze niet van plan is kinderen te nemen op een wereld als deze. ‘Ze is pas 16, dus ik weet dat dat nog kan veranderen, maar toch moest ik heel hard huilen. My goodness, dacht ik, is het al zo ver gekomen? En dan krijg je van die fatalistische gedachten: schiet mij maar lek, we verkopen de boot, kopen een klein stukje land in Noord-Frankrijk, met een moestuintje...’

‘Ja, zoiets. En dat is niet goed. Dat moet ik niet hebben. Dat trekt het fundament onder alles wat ik doe vandaan.’ Dan, lachend: ‘Ach, sorry hoor, dat ik al deze deprimerende shit zomaar op jouw bordje kieper.’

Niet dat ze er spijt van heeft dat ze de bijeenkomst bezocht. Malou Gorter is duidelijk iemand bij wie de buitenwereld regelmatig hard binnenkomt, maar daar is ze niet bang voor. Het is het gevoel van onmacht dat haar parten speelt. ‘Ik zat die avond bij Extinction Rebellion meteen te denken: ik moet hier iets mee, maar het moet via mijn vak, via wat ik kán. Maar ja, een voorstelling over het klimaat staat voorlopig niet op de agenda. Daarom ben ik blij dat ik vanmiddag mijn tanden in iets nieuws kan zetten.’

De plantage van onze voorouders, naar een podcast van Maartje Duin in samenwerking met Peggy Bouva, gaat over het slavernijverleden. Ook geen lichte kost. Tijdens Keti Koti, op de dag dat de koning excuses aanbood voor dat verleden, speelde ze een voorproefje van de voorstelling in de Stadsschouwburg, waar een deel van de zwarte gemeenschap bijeen was gekomen. ‘Ik was hartstikke zenuwachtig, dus ik heb er niet heel veel van meegekregen, maar toch: je voelde dat er iets bijzonders was gebeurd. Iets waarvan je als wit persoon niet automatisch het belang kunt behappen. Daar moet je echt moeite voor doen.’

En dat doet ze graag. ‘Ik ben al begonnen met researchen. Het gaat je niet in de koude kleren zitten, wat wij hebben aangericht in een land als Suriname, maar toch ervaar ik het als een verrijking om zoiets te kunnen doen. Complexe materie, met de vinger in de tijdgeest, daar word ik uiteindelijk het gelukkigst van – hoe naar het ook is. In het verleden heb ik bijvoorbeeld Medea gespeeld, een rol die draait om de vraag waarom vrouwen hun kind doden. Dat gebeurt, het is iets verschrikkelijks, en toch vind ik het fijn om over na te denken. Misschien dat ik er minder bang voor ben als ik het beter snap. En misschien is alles wat ik doe wel een afleiding van dat nutteloze gevoel waar ik het net over had. Ik heb echt het idee nodig dat je iets teweeg kunt brengen met een voorstelling. Dat je mensen kunt raken, hun hoofd kunt binnendringen. Ze bewuster maken van de geschiedenis, zodat ze met meer empathie naar de ander gaan kijken. Als ik daar niet meer in geloof, moet ik stoppen met theater.’

Het theater is haar natuurlijke habitat. Als klein kind liep ze al rond in de toenmalige Toneelschuur (nu: Schuur) in Haarlem, als puber werkte ze er in de garderobe. ‘Mijn moeder was betrokken bij de oprichting en speelde zelf ook, vaak in maatschappijkritische, zeer absurdistische voorstellingen. Dan werd ze aangerand op het toneel, verkleed als Maria, en daar zat ik dan naar te kijken. Ik weet ook nog dat ik een keer thuiskwam met een vriendje, en dat mijn moeder in de huiskamer naakt aan het poseren was met een bloederige geitenkop in haar kruis. Haha: hoi mam! En dan niet even iets aantrekken hè.’

Het was een wilde scene, die van haar ouders. ‘Hippieachtig, heel vrij. We hebben een tijdje een jazzcafé gehad, wat een toevluchtsoord was voor kunstenaars en acteurs. Veel feesten, veel drank ook. Mijn broer en ik werden overal mee naartoe gesleept, en soms ook wel een beetje aan ons lot overgelaten, want zoals dat ging in die tijd: ze waren erg met zichzelf bezig. Maar goed, het was ook fantastisch om op te groeien tussen allemaal rare, creatieve types die vluchtten in de verbeelding.’

Prettige herinneringen, die overschaduwd werden door een tragische gebeurtenis: op haar 7de overleed haar vader. ‘Heel plotseling. Het café was net failliet en we waren verhuisd naar een kraakpand met 25 kamers ofzo. We zouden op vakantie gaan, de auto stond al voor de deur, ik dacht dat hij de koffers ging inpakken, maar in plaats daarvan liep hij door, naar het ziekenhuis. Daar bleek hij een maagperforatie te hebben, en niet veel later was hij dood.’

Wat volgde is mettertijd een rond verhaal geworden. ‘Zoals dat in families gaat. Ik leek op mijn vader, die enthousiast en ondernemend was. Mijn broer leek meer op mijn moeder – een humoristisch mens, maar niet heel vrolijk. Zij adoreerde mijn vader, maar zelf had ze een harde, lichtelijk sombere kant. Dus toen hij er niet meer was, heb ik me kennelijk in mijn hoofd gehaald dat ik zijn rol in het gezin moest overnemen.’

‘Ja. Vrolijk doen, de boel gezellig maken. Ik wist ook zeker dat het voor mijn moeder en mijn broer erger was dan voor mij. Dat was gewoon de wáárheid, dacht ik toen. Maar intussen liep ik zelf natuurlijk ook rond met een groot verdriet, waarover ik met niemand sprak.’

Ergens in die jaren voelde ze voor het eerst de lokroep van het toneel, tijdens een voorstelling van Hauser Orkater. ‘Alex van Warmerdam zat op een enorme barkruk en zong een zielig liedje over hoe ellendig het leven is. Hij leek héél klein op die kruk, net een jongetje, met een petje op en afhangende schoudertjes. Ik ken de tekst nog steeds uit mijn hoofd: Alles smaakt naar azijn/ Het leven bezorgt mij pijn/ Ik tors de twijfel/ Ik wil gelukkig zijn. Ik was een jaar of 10, 11, en compleet betoverd. Oooh, dacht ik, dat dit kán! En meteen daarna: dat wil ik ook.’

‘Dat heb ik zelf ook pas veel later begrepen. Het was vormgegeven verdriet, schoonheid vinden in ellende. Ik was een vrolijk kind, maar ik had dus eigenlijk een kutjeugd, want het was niet fijn thuis. We deden het best goed met elkaar, maar er was wel een grondtoon van diepe pijn en verdriet. Vaak zat ik in mijn eigen kamertje te denken: ik ga kapot. En hier zag ik dat je dat ook op een podium van je af kon zingen, en dat je er ook nog om bewonderd werd door een zaal vol mensen. Ja, haha, hállo. Het besef dat je dingen die je in het echte leven niet kunt uiten, wel kunt spelen. Dat vind ik nog steeds een van de heerlijkste aspecten van acteren: op het toneel mag ik soms gewoon woedend zijn, of lelijk, of slecht. Daarom ben ik ook zo gehecht aan de rol van Merel uit Oogappels. Een moeilijk mens, voor anderen én voor zichzelf. In haar zitten kanten van mij die ik in de echte wereld nooit zal etaleren, want zo wil ik helemaal niet zijn. Maar ondertussen kan ik het wel kwijt.’

Aarzelend: ‘Ja, maar daar had ik later spijt van. Niet omdat het helemaal onzin is, maar omdat het zo’n platgeslagen verhaal wordt dat een eigen leven gaat leiden. Alsof het een verklaring is waarom ik dit gekke werk ben gaan doen, alsof ik er een rekening mee vereffen. Daar geloof ik niet in, je kunt iemand niet zo makkelijk verklaren. Het is ook een onderschatting van mijn vak. Als acteur moet je geïnteresseerd zijn in hoe mensen in elkaar zitten. Ik zie elke dag wel iemand van wie ik iets afkijk of overneem, bewust of onbewust. Een psychologisch trekje, iets in de mimiek, en dat kan allemaal terechtkomen in een karakter. Dus ja, mijn moeder had dezelfde soort hardheid als Merel, dezelfde soort onmacht om echt contact te maken. Ze dronk ook veel. Ik heb haar ’s ochtends weleens aangetroffen met een blauw oog en een bak kots naast zich. Was ze lam van haar fiets gelazerd, moest ik haar als dochter naar het ziekenhuis brengen. Maar dat is dan één verhaal. Ze heeft ons nooit verwaarloosd, er was altijd eten, ze hield van ons. We gingen óók iedere week wandelen op het strand, en dan hadden we heel fijne gesprekken.’

Ze grinnikt: ‘Rare gesprekken, dat ook. Later, toen ze al oud en ziek was, heb ik haar eens gevraagd: Vind jij jezelf nou... een leuk mens? Na heel lang nadenken antwoordde ze: ‘Nee, dat ben ik niet, ik ben egoïstisch.’ Daarna vroeg ik: En mij, vind je mij een leuk mens? Was het weer heel lang stil, toen zei ze: ‘Soms’. Hahaha, dat is niet per se leuk om te horen, maar het is wel héél eerlijk. Heel eigen ook. En tja, ik ben toch ook niet altijd leuk?’

Ze houdt niet zo van ronde, eenduidige verhalen. Complexheid, nuance – dat is waar het voor Malou Gorter interessant wordt. En dus trekt ze zich tijdens het gesprek regelmatig aan haar eigen oor. Eerst vertellen hoe ze zichzelf als puber wegcijferde om haar moeder gelukkig te maken, ‘tot op het punt dat ik niet meer wist wie ik zelf was’, dan zeggen: ‘Maar nu mijn kinderen de leeftijd hebben die ik toen had zie ik ook: het is iets wat iedereen doormaakt. Niemand ontkomt aan de vraag: wie ben ik eigenlijk? De kinderen op school gedragen zich zo, dus dat ga ik ook doen. Eigenlijk ben ik zo niet, maar anders sta ik alleen en dat wil ik niet. Opgroeien is gewoon een enorm gedoe, toch?’

‘Dat is ook waar. En het werkt natuurlijk door. Ik ben nu al jaren samen met mijn vriend Roel, die uit een veel stabieler gezin komt, maar daarvoor viel ik altijd op moeilijke, onveilige jongens. Ik kon mannen niet goed lezen, en dat komt ongetwijfeld omdat ik maar zo kort een vader heb gehad. Die moet je eerst op een voetstuk plaatsen, dan dondert-ie ervan af en ga jij van: stamp stamp. Maar dat ken ik dus niet.’

‘Nou, op zich was het een goed overlevingsmechanisme, maar toen ik naar de toneelschool ging, kwam het als een boemerang terug. Daar moet je voor jezelf opkomen, laten zien: ik ben het waard dat jullie twee uur naar me kijken. Maar ik was alleen maar bezig met de anderen, ging overal maar een beetje in mee. Toen heb ik weleens gedacht: ik wil weg. Uit dit, uit alles. Ik loop de zee in en kom er niet meer uit.’

Ze ging in therapie, wat hielp. ‘En er gebeurde ook iets anders. Halverwege het eerste jaar kreeg ik van de docenten te horen dat ik het waarschijnlijk niet ging redden op die school. Je mag dan zelf beslissen of je meteen weggaat, want je hebt voor het hele jaar betaald. Het was echt een enorme klap voor me, maar het gekke was: toen mijn grootste angst eenmaal was uitgekomen – niet goed genoeg zijn, afgewezen worden – bleef ik toch gewoon overeind. Er daalde een rust op me neer, en uiteindelijk mocht ik toch gewoon blijven. Dat was echt een les: je kunt wel heel bang zijn, maar je breekt niet zomaar doormidden.’

‘Misschien, dat weet ik niet. Wat grappig is: een van de weinige anderen die een negatieve beoordeling kreeg was Frank Lammers. En wij zijn later allebei toch behoorlijk succesvol geworden.’

Wat heet: direct na de toneelschool werd ze samen met een paar medestudenten ingelijfd door Toneelgroep Amsterdam. ‘De groten der aarde, zeker in mijn beleving, en ik mocht er dag en nacht mee op pad. Het was een geweldige leerschool. Iedereen zei dat het een slangenkuil was, maar dat heb ik helemaal niet zo ervaren.’

Toch vond ze het na drie jaar genoeg geweest. ‘Bij TGA waren de meesten een generatie ouder dan wij, vérder ook. Lieve, verstandige mensen, maar aan dat verschil is niet zoveel te doen. Als ik nu met jonge mensen speel, denk ik ook weleens: ja, dat zeg je nu, maar wacht maar. Na een tijdje begon dat me te frustreren. Ik kreeg mooie rollen, maar echt meedenken over de inhoud van de voorstellingen was niet im Frage. Toen heb ik in een brief aan Gerardjan Rijnders (de toenmalig artistiek leider, red.) geschreven dat ik er behoefte aan had om zelf te ontdekken dat één plus één drie is.’

Sindsdien is het eigenlijk altijd crescendo gegaan. Ze werkte veel met regisseuse Ola Mafaalani, die haar voorkeur voor sociaal bewogen toneel aanwakkerde. Om werk heeft ze nooit verlegen gezeten. ‘Ik weet inmiddels wel dat ik geen slechte actrice ben, maar ik ben echt wel een lucky bastard geweest.’

‘Klopt, maar ik dus niet. Misschien komt het door mijn aardse manier van spelen. Hoe onzeker ik ook was, mensen vonden me stevig en stoer. Ook bij TGA werd ik altijd gecast voor de iets oudere rollen. Ik ben nooit een Julia geweest, nooit een Lolita. Dat heb ik een tijdlang heel erg gevonden, hoor. Ik vond meisjesachtige meisjes irritant, maar zó irritant dat het bijna weer verdacht werd. Een deel van mij wilde ook zo zijn. Maar kennelijk sprak ik nooit tot die verbeelding.’

‘Nou, zeker vroeger zijn er best veel nare dingen gebeurd met hele jonge meiden. Mannelijke regisseurs die zeiden: je moet sexy zijn, je moet vanuit je kut spelen. Sowieso: al die rollen die alleen maar in dienst staan van de natte droom van mannen, eigenlijk is het afschuwelijk. Dat bewustzijn is mettertijd veel sterker geworden bij mij. Als ik nu een script krijg waarin mijn personage wordt omschreven als ‘de vrouw van’, wat echt vaker gebeurt dan je denkt, denk ik meteen: rot dan maar op. Geef die vrouw eerst maar eens een naam.’

‘Deels wel. Het kwam, wederom, door Sieger Sloot, die een soort noblesse oblige-achtige oproep deed: we hebben ook bekende acteurs nodig. We zijn met veel en er is weinig werk, dat ook nog vaak slecht wordt betaald. Als je moeite hebt de eindjes aan elkaar te knopen wil je soms niet je stem verheffen, en dat begrijp ik volkomen. Voor mij is het makkelijker om te zeggen: dit deugt niet, want ik hoef me geen zorgen te maken of ik daarna nog voor rollen word gevraagd. Hoop ik tenminste.’

Lastig is het wel, zegt ze. Twee jaar geleden trad ze toe tot de inclusiviteitscommissie – destijds geleid door Manoushka Zeegelaar Breeveld, die nu haar tegenspeler is in De plantage van onze voorouders. ‘Nog helemaal naïef heb ik me daar met groot enthousiasme in gestort. We gingen praten met schrijvers, producenten en regisseurs, met name voor film en televisie, want daar is verandering nog meer nodig dan in het theater. Maar al snel merkte ik: zeker 80 procent van de mensen voelt intrinsiek helemaal niet de noodzaak dat er iets verandert. Ik had net het boek Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat van Reni Eddo-Lodge gelezen, daarin wordt het ‘de zucht’ genoemd – de zucht die je te horen krijgt zodra je dit onderwerp ter sprake brengt. Nou, die leerde ik héél snel herkennen. En zodra ik ’m hoor stop ik meestal, want dan word ik verdrietig, boos en moedeloos.’

Toch is ze niet minder strijdbaar geworden. ‘Ik ben geen politicus, geen onderhandelaar, geen dossiertijger. Wil ik ook helemaal niet zijn. Het is superlastige materie, en ik ben voor veel argumenten gevoelig, maar ik sta er toch pragmatisch in. Als het goed doordacht wordt, ben ik een voorstander van quota. Je moet misschien niet zomaar lukraak mensen van kleur gaan casten voor alle producties die er worden gemaakt, maar je kunt wel met het filmfonds afspreken: over twee jaar moet er een eerlijkere verdeling zijn. Soms moet je dingen rigoureus omvertrekken, en daarna kijken: welke problemen levert het op, wat kunnen we daaraan doen?’

‘Ja, dat zou kunnen. Veel witte mannen zijn er bang voor. Maar ik vind het goed. Want ik moet plaatsmaken. Of nee: we moeten gewoon delen.’

Twee maanden later, zelfde terras. De sombere wolk boven haar hoofd is totaal verdwenen, en dat heeft alles te maken met het feit dat ze midden in een maakproces zit. Bij wijze van voorstudie is ze met Manoushka Zeegelaar Breeveld naar Suriname geweest. ‘Zij is daar opgegroeid en ze heeft me op sleeptouw genomen. Overal werden we ontzettend warm ontvangen, dus het was geweldig. En tegelijkertijd was het verschrikkelijk. We hebben een oude plantage bezocht die helemaal intact is gehouden. Daar krijg je dan de verhalen over de slavernij te horen. Je denkt misschien dat je dat wel zo’n beetje weet, maar toch was ik er niet op voorbereid. Ik voelde schaamte, moest vechten tegen de tranen, terwijl ik tegelijkertijd dacht: ik kan toch niet als wit persoon de enige zijn die hier een potje gaat staan janken?’

Malou Gorter lacht breeduit: ‘Nou, en nu gaan we proberen om al dat ongemak en die gevoeligheden in de voorstelling te verwerken. En daar heb ik echt enorm veel zin in.’

Op het terras zwenken intussen geregeld blikken haar kant op. Het nieuwe seizoen van Oogappels is begonnen, haar Merel is daarin een zeer populair personage, en dus is ze weer eventjes een Bekende Nederlander. Het is een vreemde gewaarwording, na een succesvolle carrière van ruim dertig jaar. ‘Ik ga er niet over zeuren, want ik ben hartstikke trots op die serie en op mijn rol, maar ik vind het niet per se leuk. Mijn marktwaarde is gestegen, dat wel. Als ik nu in een theaterstuk sta, wordt dat waarschijnlijk beter bezocht, en dat is natuurlijk wel handig. Maar na de kerstuitzending van Oogappels, waar meer dan een miljoen mensen naar keken, werd ik zelfs een beetje bangig op straat. Eigenlijk ben ik heel open, ik maak graag een praatje in de supermarkt, maar wel liefst vanuit een gelijkwaardige positie. Bekendheid staat dat in de weg. Mensen vinden je ineens belangrijk. En je moet toch een beetje uitkijken dat zoiets niet overslaat naar jezelf.’

Nog geen tien minuten later brengt de jonge serveerster op het terras de rekening, en schraapt haar moed bijeen. ‘Sorry hoor,’ zegt ze zacht, ‘maar ik moet even vertellen hoe belangrijk Oogappels voor me is. Ik mis echt nooit een aflevering, vooral vanwege Merel, want die doet me ontzettend aan mijn moeder denken.’

‘Och jezus, meissie!’ Gorter schakelt snel, je ziet het gebeuren. Dit is niet zomaar een luchtig compliment, hier wordt iets gecommuniceerd dat om een serieuze reactie vraagt. Want Merel is een gecompliceerde vrouw, die een moeizame relatie met haar kinderen heeft.

‘Zie je je moeder nog?’, vraagt ze. De serveerster schudt haar hoofd, Gorter denkt even na. ‘Dan zou ik alles wat je dwarszit opschrijven in een lange brief, zodat je er in elk geval niet meer in je eentje mee rondloopt.’

Zichtbaar onder de indruk van het advies gaat het meisje weer aan het werk. Bij Malou Gorter slaat de twijfel toe als ze even later buiten haar fiets pakt. ‘Misschien had dat meisje wel veel meer iemand nodig die zei: laat je moeder maar even in de stront zakken. Ze is een volwassen vrouw, je bent niet verantwoordelijk voor haar, dus schrijf lekker géén brief. Wat vind jij, zal ik nog even teruggaan om dat te zeggen?’

5 juni 1969 Geboren in Haarlem.

1991-1995 Opleiding aan de Toneelschool Amsterdam.

1995-1999 Maakt deel uit van Toneelgroep Amsterdam.

1998 Speelt Westkaai, een productie met regisseur Ola Mafaalani, met wie ze vaker zal samenwerken, onder meer in Ten Liefde (1999), Ajax (2000) en A well fucked up play (2002).

2008 Verhuist naar Groningen om zich aan te sluiten bij het Noord Nederlands Toneel, waar Mafaalani artistiek leider is. Speelt daar onder meer de titelrol in Medea.

2009 Een van de hoofdrollen in tv-serie over Annie M.G. Schmidt.

2015 Speelt Birgitte Nyborg in Borgen bij het Noord Nederlands Toneel. Voor haar rol wordt ze genomineerd voor de Theo d’Or voor beste vrouwelijke hoofdrol.

2017 Speelt Revolutionary Road bij Theater Rotterdam.

2019-heden Oogappels. Voor haar rol als Merel Larooi-van Voorst krijgt ze in 2021 de AD Mediaprijs voor ‘Beste personage in een dramaserie’.

2021 Voorstelling Happy Hour bij Mugmetdegoudentand.

2022 Speelt Joyce in de tv-serie De verschrikkelijke jaren tachtig.

2023 Operette De dappere soldaat.

2023 Speelt De plantage van onze voorouders bij Orkater. Première 13 oktober, Schuur, Haarlem. Daarna tournee tot 4 december.

Voorjaar 2024 zal Gorter te zien zijn in de tv-serie De Joodse raad.

Fotografie: Oof Verschuren. Fotografie-assistent: Jaap Beyleveld, styling Olivier Jehee (House of Orange), visagie: Chris Volkers (House of Orange).

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next