Home

‘Hamas heeft gedacht: we hebben iets extreems nodig’

Hamas en zijn gewapende tak hebben de wereld verbijsterd. Sinds de oprichting zijn ze eropuit om, onder meer door aanslagen, de bezetting te beëindigen. Maar nooit waren de middelen zo extreem als nu.

Na bijna een week van strijd tussen Israël en Hamas is de balans opmerkelijk: aan Israëlische kant zijn meer doden (zo’n 1.200 in totaal) gevallen dan in de afgelopen twee decennia bij elkaar. De verrassingsaanval vanuit de Gazastrook, vorige week zaterdag, leverde de bloedigste dag op sinds de oprichting van de staat Israël, 75 jaar geleden. Hoe gruwelijk die aantallen ook zijn, in militair-strategische termen betekent het dat Hamas tot meer in staat is gebleken dan de Israëliërs dachten.

‘Binnen de organisatie heeft men gedacht: we hebben iets extreems nodig om de wereld wakker te schudden’, zegt Jeroen Gunning, politicoloog verbonden aan King’s College London en schrijver van het boek Hamas in Politics (2010).

Over de auteur
Jenne Jan Holtland is correspondent Midden-Oosten voor de Volkskrant. Hij woont in Beiroet, en is auteur van het boek De koerier van Maputo (2021).

Sinds de oprichting van de partij (een afkorting van Ḥarakah al-Muqawamah al-Islamiyah, ‘islamitische verzetsbeweging’) in 1987 zijn de doelen feitelijk dezelfde geweest, aldus Gunning: het beëindigen van de decennialange bezetting van de Palestijnse gebieden, bijvoorbeeld door met aanslagen aan te sturen op volksopstanden in zowel Gaza als op de Westelijke Jordaanoever. Tijdens de Tweede Intifada (2000-2006) gebeurde dat met een grootschalige campagne van zelfmoordaanslagen waar talloze burgerslachtoffers bij vielen.

Het beruchte oprichtingshandvest (waarin opgeroepen wordt tot de vernietiging van de staat Israël) is door de jaren heen steeds minder relevant geworden. In 2017 nam Hamas een nieuw manifest aan, waarin het zijn steun uitsprak voor een tweestaten-oplossing.

De zorgvuldig geplande aanval van vorige week, gecombineerd met een barrage aan raketaanvallen, is volgens Gunning een reactie op het harde optreden op de Westoever van zowel het Israëlische leger als van de kolonisten. In de eerste negen maanden van dit jaar vielen daarbij 227 doden. ‘Als je daarbij optelt dat er in Israël een ultra-rechtse regering (tot de kabinetswisseling van deze week, red.) zat die openlijk aanstuurde op annexatie, dan moet Hamas dit hebben opgevat als een ‘nu of nooit’-moment. Als we nu niets doen, worden wij Palestijnen weggevaagd.’

Onder festivalgangers richtten Hamas-strijders een waar bloedbad aan. Kwam dat voort uit een bevel, of ging het om een ongeplande actie van eenlingen? ‘Dat moet onderzocht worden’, zegt Midden-Oostenkenner Mouin Rabbani, verbonden aan onlineplatform Jadaliyya. ‘Persoonlijk denk ik niet dat het doden van burgers het belangrijkste doel is geweest. Ze wilden Israël in de eerste plaats een militaire nederlaag toebrengen, omdat ze weten dat je alleen op die manier indruk maakt op Israëls regering.’

Gunning: ‘Het plan was waarschijnlijk zoveel mogelijk Israëliërs te doden, zowel burgers als soldaten, om de mythe van Israëlische onoverwinnelijkheid te doorbreken.’ Tegenover Nieuwsuur verklaarde een Hamas-woordvoerder in Libanon deze week dat de beweging sowieso geen verschil maakt tussen burgers en soldaten, aangezien beide beschouwd worden als kolonisatoren van het oude Palestina.

Hoeveel strijders Hamas precies heeft, wordt angstvallig geheimgehouden. De schatting van het Israëlische leger, zo’n 30 duizend, is volgens Rabbani ruimschoots overdreven. ‘Ik ga uit van minder dan 10 duizend. Er zijn de vaste strijders van de al-Qassam-brigades (verantwoordelijk voor de aanval van vorige week, red.), plus vrijwilligers en gewapende mensen die voor de regering werken. Zij kunnen in noodgevallen worden opgeroepen.’

Minstens zo schimmig is de interne besluitvorming van Hamas, afgezien van de grote lijnen. Besluiten worden genomen door de politieke leiders (de ‘shoera-raad’), deels gevestigd in Qatar, en doorgegeven aan het dagelijkse bestuur in de Gazastrook. Spanningen binnen de organisatie draaien niet zozeer om de militaire strijd, maar vooral om de vraag wat op de eerste plaats komt: de militaire strijd tegen Israël, of de strijd tegen de Palestijnse Autoriteit (PA) – baas over de Westelijke Jordaanoever – over de de vraag wie dé vertegenwoordiger van het volk is.

Van de broedertwist profiteert Israël al jaren. Sterker, Israëliërs hebben die verdeeldheid aangewakkerd. In de jaren zeventig, toen Hamas – onder een andere naam – opkwam als alternatief voor Yasser Arafats bevrijdingsorganisatie PLO, kreeg de organisatie in het kader van de verdeel-en-heerspolitiek van Israël ruim baan. Een oud-officier in het Israëlische leger, Yitzhak Segev, biechtte nadien tegenover een New York Times-journalist op dat hij een budget had gekregen om de organisatie in moskeeën een handje te helpen.

‘Nog steeds heeft Israël liever dat Hamas over Gaza regeert dan dat de twee Palestijnse kampen zich verenigen’, aldus Rabbani. Ter illustratie, haalt hij een anekdote aan: toen de Qatarese regering in 2014 miljoenen aan cashgeld stuurde om ambtenarensalarissen voor Hamas te betalen, kreeg het geldkonvooi de officiële goedkeuring van de Israëlische regering om over land naar Gaza (dat sinds 2006 onder een volledige Israëlische blokkade staat) te rijden.

In diezelfde afhankelijkheidsrelatie schuilt voor Hamas ook een kwetsbaarheid. Het feit dat er in Gaza een schreeuwend tekort is aan alles, vergroot de kans dat Palestijnen in ruil voor geld of andere hulp verleid worden te spioneren. Maar volgens Rabbani heeft de organisatie zijn interne veiligheid de voorbije jaren beter op orde. Het slagen van de spectaculaire aanval ziet hij als een aanwijzing in die richting. ‘Anders dan voorheen was de infiltratie door Israëls inlichtingendiensten duidelijk minimaal.’

Source: Volkskrant

Previous

Next