Home

Je moet het zien, de beelden uit Israël, om het niet te geloven

Je moet het zien om het niet te geloven.

In feite is het drie minuten durende filmpje dat The New York Times maandag publiceerde niet meer dan een montage van beelden uit de hel. Inwoners van Sderot filmen op zaterdagochtend met hun telefoons de arriverende witte auto’s, beladen met Hamas-strijders. Volgend beeld: lijken op straat, zwermen vliegen rond schotwonden, motorrijders langs de kant van de weg, haastig afgedekt met doeken. De voice-over vertelt hoe zeven mensen op de bus stonden te wachten, en werden doodgeschoten.

Op de dag waarop de beelden in Sderot werden gemaakt, werden we wakker in een goedkoop, Londens hotel, een uniform schakeltje in een liefdeloze keten. In een hoek van de 24 uur per dag geopende receptie stond 24 uur per dag een breedbeeld-tv aan, geluidloos, op een van de nieuwszenders die 24 uur per dag het Latest News aan je opdringen, inclusief banners met tekst die onder de beelden meelopen, als om je te verzekeren: er is nog ‘brekender’ nieuws dan het ‘brekende’ nieuws dat we je nu voorschotelen, stay tuned, nieuwer nieuws is in de maak.

Maar ja, hoe vaak ben je nou in Londen? En dus brachten we het weekend door in schijnonwetendheid. We wisten het wel, tuurlijk, maar we wisten nog genoeg níét om er niet voortdurend aan te denken. We wisten nog niet van het trancefeest en nog niet van de vernietigende represailles die elk moment konden plaatsvinden. De zon scheen en in de pubs vernauwde de actualiteit zich tot het WK rugby.

Eenmaal thuis haalde ik alles in. Artikelen, reportages, foto’s waar je naar zoekt om te kunnen vaststellen dat je ze nooit had willen zien. Geen idee waar dat toe dient, die wens om alles te willen weten van gebeurtenissen waartegen je je tegelijkertijd wilt beschermen. Je denkt dat je je er wel een voorstelling van kunt maken, tot je het verhaal over het dancefeest in de woestijn bekijkt, en de filmpjes ziet van mensen die zich een weg banen door het niets, terwijl op de achtergrond de schoten weerklinken. Tot je het verhaal van Rob Vreeken leest, over het bloedbad in de kibboets Be’eri. Tot je het woensdagnieuws volgt, vol discussies die allengs luguberder worden dan je voor mogelijk hield, met vragen of er baby’s onthoofd zijn of niet, en zo ja hoeveel, en of dat ertoe doet, en waarom dan precies.

Je denkt: een voorstelling maken van de werkelijkheid, dat lukt altijd wel. Vergeet het maar. Het ellendige van de werkelijkheid is dat-ie overal is, en dat je er nooit vat op krijgt. Hoe je je er ook in verdiept, hoe concreet je ook kunt vaststellen wat er gebeurt, is gebeurd en nog dreigt te gaan gebeuren; zij glipt voortdurend bij je vandaan. En dus gaat het over vlaggen, over demonstraties, over journalistieke zorgvuldigheid, over oorzaak en gevolg; alles om wat je ziet, leest en hoort terug te brengen tot proporties waarmee je wél uit de voeten kunt.

Ik denk steeds aan die jongen in die zwarte trui op dat festival. Op een van de filmpjes in het Volkskrant-verhaal ‘Opeens begon het schieten’ zie je hoe hij zich omdraait, naar kleine, ogenschijnlijk onbeduidende rookpluimen die zich aftekenen tegen de ochtendhemel. Daarna draait hij terug, naar de dansende mensen rondom hem.

Hij keek, hij zag het en hij kon het niet geloven.

Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Source: Volkskrant

Previous

Next