Ik werd jarig wakker. ‘58 alweer!’, riep mijn vader door de telefoon. ‘Dat schiet lekker op.’ Daarna belde mijn moeder. Jaarlijks doet ze gedetailleerd verslag van mijn geboorte, inclusief de naam van de arts die mij ‘gehaald’ heeft (dank u wel nog, dokter De Wringer! Ja, hij heette echt zo), maar daar zag ze ditmaal om onduidelijke redenen vanaf. Geeft niets, ik ken het verhaal uit mijn hoofd.
Ik ben geboren bij mijn grootouders op zolder, in het Bloemendaalse huis Oldenhove, dat stomtoevallig onlangs in de krant stond: er wonen nu statushouders, studenten en andere mensen die op woongebied weinig in de melk te brokkelen hebben, las ik.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Nieuwsgierig spoorde ik naar mijn geboortedorp. Het mooie, oude Oldenhove werd afgebroken toen ik 2 was en op de ruïnes verrees een foeilelijke bejaardenflat. Zo’n halve eeuw later (de bejaarden waren kennelijk dood of hadden een goed heenkomen gezocht) kwam het onding leeg te staan, tot de nieuwkomers erin trokken.
Niet zonder beklemming wandelde ik naar het oord waar ooit mijn wiegje had gestaan. ‘Oldenhove’ stond er nog steeds op de deur van die flat. Ik liep naar binnen en keek rond in de hal. Het was er doodstil. Geen mens te bekennen, op een nogal Disney-achtige tekening van een gesluierde vrouw na, boven een piano.
Terwijl ik dacht aan mijn geboorte (bijna 8 pond, vertelt mijn moeder nog steeds trots) verscheen er uit het niets een meisje van een jaar of 6, met lang, zwart haar, op een blauw stepje. Ze bekeek me nieuwsgierig. ‘Wie ben jij?’, vroeg ze vorsend. ‘Ik ben hier geboren’, antwoordde ik, ‘maar ik ga alweer weg hoor!’ Met open mond keek ze me na.
Huiverend, ondanks het warme weer, liep ik Bloemendaal in, voor het eerst sinds 40 jaar. Ach ja, daar stond vroeger de speelgoedwinkel, waar ze je op je handen keken of je niks jatte. Daar de tandarts, wiens vullingen er altijd dezelfde dag nog uitdonderden. De drogist, met zijn hazentanden. De banketbakker, wiens hemelse eekhoorntjestaart ik nooit vergeten ben. Allemaal weg.
Om de hoek zag ik, met stokkende adem, mijn oude school liggen: een streng jarendertiggebouw waar ik leerde dat het leven beslist geen eekhoorntjestaart is. ‘Ik ga hier niet naar binnen’, zei ik tegen mezelf. ‘Ik maak nu rechtsomkeert.’ Achter mijn rug lachte het gebouw me uit, maar mij kon niets gebeuren, want ik was 58 en hoefde nooit meer naar school.
‘Bent u hier bekend?’, vroeg een vrouw me, even later, op het station.
‘Nee, sorry’, antwoordde ik. ‘Ik kom hier nooit.’
Source: Volkskrant