Rond prins Bernhard heerste de mythe van onverschrokken oorlogsheld. Hoe moest hij dat rijmen met zijn lidmaatschap van de NSDAP? Er was maar één weg: keihard ontkennen. En bedrog dat lang genoeg wordt volgehouden, gaat ongemerkt over in zelfbedrog.
Het waren glasheldere woorden waarmee prins Bernhard begin deze eeuw op paleis Soestdijk in gesprek met twee Volkskrant-verslaggevers zijn lidmaatschap van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) naar het rijk der fabelen verwees. ‘Vanaf de eerste dag dat ik in Nederland kwam, heb ik alles over mijzelf verteld. Of het de oude koningin was of mensen van het hof, ik vertelde alles. Ook over mijn banden met het nationaal-socialisme. Ik wilde voorkomen dat men zei: hij is een nazi geweest’, aldus de prins. En vervolgens kwam de ontkenning in bewoordingen die in het licht van wat we nu weten brutaal mogen worden genoemd: ‘Ik kan met de hand op de bijbel verklaren: ik was nooit een nazi.’
De Volkskrant voerde tussen 2001 en 2004 negen lange gesprekken met Bernhard. ‘Zo, slavendrijvers’, placht de prins te zeggen als de verslaggevers zich in de ochtend meldden. Bernhard hield niet van afspraken vóór 10 uur. Steevast had hij zijn ontbijt nog in de hand, een pul doodgeslagen bier. Het nam niet weg dat de prins hechtte aan de ontmoetingen. In het voorportaal van de dood wilde hij de dingen graag nog één keer gezegd hebben. Niemand was op de hoogte van de gesprekken.
Luister ook naar de aflevering van onze podcast Elke dag met Jan Tromp:
Over de auteur
Jan Tromp is journalist en schrijver (Nederland drugsland, De achterkant van Nederland). Voor de Volkskrant recenseert hij boeken over het bedrijfsleven en openbaar bestuur.
De afspraak was dat de prins openhartigheid zou betrachten en dat de krant pas zou publiceren na zijn dood. Toen die kwam, begin december 2004, brachten we zijn bevindingen naar buiten. Het ging over uiteenlopende zaken als de Greet Hofmans-zaak, het Lockheedschandaal, de buitenechtelijke affaires van een kosmopolitische zakenprins en ook de oorlog van een Duitser die door zijn huwelijk met een Nederlandse kroonprinses aan de andere kant van de scheidslijn was terechtgekomen.
Had Bernhard zur Lippe Biesterfeld zich, gelijk menig vertegenwoordiger van de Pruisische landadel, in de jaren dertig niet aangetrokken gevoeld tot het nationaal-socialisme? Had Lou de Jong, de aartsvader van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog in Nederland, in 2001 al niet gezegd dat Bernhard wel degelijk lid was geweest van de NSDAP? Had historicus Gerard Aalders in 1996 al niet een kopie van de lidmaatschapskaart aangetroffen in Amerikaanse archieven? Allemaal niks van waar. ‘Ik vertel hier de feiten zoals ik die ken’, aldus de prins. ‘Ik heb nooit het partijlidmaatschap betaald, ik heb nooit een lidmaatschapskaart gehad.’
Nu die lidmaatschapskaart alsnog is opgedoken, nota bene in het eigen privéarchief van Bernhard op Paleis Soestdijk, is de vraag hoe we die staalharde ontkenningen moeten begrijpen. En in het vervolg daarop: waarom heeft Bernhard die lidmaatschapskaart in zijn archief gestopt, als een tikkende tijdbom, en deze niet eenvoudig vernietigd? Nu kunnen we het hem niet meer vragen en zijn we aangewezen op het terrein van de veronderstellingen.
De eenvoudigste verklaring is dat prins Bernhard zich onaantastbaar waande. Het is een karaktertrek die premier Den Uyl en een commissie van wijze mannen de prins in 1976 openlijk toedichtten. De commissie had onderzoek gedaan naar de vermoedens van giften en gunsten die Bernhard zou hebben ontvangen van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed. Ofschoon een hard bewijs ontbrak, kwam wel vast te staan dat Bernhard niet vies was geweest van aanbiedingen – ‘in de overtuiging’, staat dan in een kabinetsbrief, ‘dat zijn positie onaantastbaar was’. In zijn gesprekken met de Volkskrant bevestigde Bernhard dat beeld: ‘Ik stond op het standpunt: wat vader doet, is goed gedaan. Ik was vader.’ Het is voorstelbaar dat het gevoel onschendbaar te zijn – ik ben de prins der Nederlanden; wie doet mij wat? – Bernhard in zekere zin achteloos heeft gemaakt; dat lidmaatschap van de NSDAP, wie gaat dat aan?
Interessanter en wellicht iets speculatiever is de verklaring dat prins Bernhard verstrikt is geraakt in de mythe rond zijn persoon. De mythe was die van de oorlogsheld die eerst vanuit Londen en later, in april en mei ’45 vanuit zuidelijk Nederland onverschrokken de mof de grens over joeg. Lees hoe in 1962 de Amerikaanse journalist Alden Hatch, vriend en biograaf, het nationale sentiment van die dagen verwoordde: ‘Waar hij ook kwam in die grote tijd, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, of de kleinere steden, Bernhard werd overal met grote vreugde en demonstraties van trouw begroet (...) in aanhankelijkheid aan hem.’
Hier lag een probleem. Hoe moest Bernhard aannemelijk maken dat het lidmaatschap van een nazipartij binnen tien jaar kon verkeren in een heldenrol als anti-fascist? Er was maar één weg: het lidmaatschap van de NSDAP keihard ontkennen. Die opdracht heeft de prins door de jaren heen met verve uitgevoerd. Zeker, hij was in nazi-Duitsland om opportunistische redenen lid geweest van paramilitaire groeperingen. Maar niet van de NSDAP. Stond hij als lid geregistreerd? Onmogelijk. Stond zijn naam toch op de kaart? Het moet zijn neef zijn geweest, die heette Leopold Bernhard, zul je net zien, precies de omgekeerde volgorde. Die Leopold Bernhard was inderdaad een echte nazi, een alter Kämpfer.
Bedrog dat lang wordt volgehouden en dat met liefde wordt verzorgd, gaat in een zeker stadium nagenoeg ongemerkt over in een hogere staat van genade, namelijk in zelfbedrog. Eenmaal in dat domein aangekomen, wordt de leugen een geconstrueerde waarheid. Het zelfbedrog promoveert als het ware naar nieuwe werkelijkheid: er was geen lidmaatschap, en waar geen lidmaatschap is, is ook geen lidmaatschapskaart en wat niet is, is niet te vernietigen. Op zo’n waarheid kan men zich inderdaad met de hand op de bijbel beroepen.
Source: Volkskrant