Wie niet goed kan lezen en schrijven, kan niet zelfstandig door het leven. Die is afhankelijk van anderen voor hulp en uitleg. Niet in situaties waarin iedereen ongeveer dezelfde informatie nodig heeft, want veel van wat vroeger tekst was, is nu een geluidsbericht of een beeldboodschap: ‘Mind your step!’ bij de loopband op het vliegveld, het rode stoplicht bij een oversteekplaats, de instructies in plaatjes van een meubelgigant in plaats van uitleg in tien talen.
Maar wel als je specifieke informatie zoekt. Hoe vul je een ingewikkeld formulier in? Hoe erg is het als je een bijsluiter niet begrijpt? Wat moet je doen als instructies je doen duizelen?
Voor steeds meer mensen is dat een probleem. En daar lijken we ons bij neer te leggen. Iedereen helpt mee om taalarmoede te vergroten. Zelfs taalbolwerken als kranten werken enthousiast mee aan ontlezing: ongeveer driekwart van wat ooit tekst was, is nu beeld: foto’s, tekeningen en daarnaast veel witte leegte. En wie een digitaal abonnement heeft, kan de tekst aan zich laten voorlezen door de computer, zodat je niet zelf hoeft te lezen. We kunnen de computer zelfs toespreken en die praat dan terug. Dat is handig, maar het zorgt er wel voor dat we nóg minder oefening krijgen in lezen en schrijven.
Over de auteur
Ted van Lieshout (1955) is illustrator, schrijver en dichter voor kinderen en volwassenen. Sinds 2012 maakt hij samen met Philip Hopman de prentenboekenserie Boer Boris, waarvan inmiddels achttien delen zijn verschenen.
We raken steeds meer vervreemd van geschreven taal. Er zijn ouders die hun kinderen niet voorlezen omdat ze zelf niet goed genoeg lezen kunnen. Die kinderen zijn geheel van school afhankelijk om de kunst van het lezen en schrijven machtig te worden, en dat gaat ondanks de tomeloze inzet van leerkrachten niet goed genoeg. Steeds meer jeugdigen verlaten school als laaggeletterde en soms zelfs als praktisch analfabeet.
En het onderwijs verbetert niet, verslechtert juist door onder meer een tekort aan leraren, een gebrek aan belangstelling vanuit de politiek om het onderwijs op peil te brengen en door problemen met het vaststellen van prioriteiten. Men wil zo gestroomlijnd mogelijk controleren op vaardigheden; bij ‘begrijpend lezen’ wordt niet gevráágd of een tekst begrepen is, maar getóétst. Als de docent alleen maar moet kijken of de ABCD’tjes goed geplaatst (of gegokt) zijn, ben je wel sneller klaar met nakijken, maar dan krijg je geen inzicht in de vaardigheden van de leerling.
Ik snap het wel: docenten moeten zo ongelooflijk veel administratieve handelingen verrichten, dat er nauwelijks tijd overblijft om te luisteren naar wat kinderen te vertellen hebben. Draai het dan om! Automatiseer de formulieren die nodig zijn voor de administratie zodanig dat je kunt volstaan met multiple choice, zodat leerkrachten tijd overhebben om te lezen wat kinderen opschrijven.
Dan kan voorrang gegeven worden aan waar het om gaat: leeservaring opdoen, inlevend lezen en uitdrukkend schrijven. Niet de toetsen moeten centraal staan, maar de kinderen. En de docenten ook; ik zeg het zachtjes: veel leraren van nu zijn zelf ook al opgegroeid in een leesarme omgeving. Hoe moeten docenten die tijdens hun opleiding amper hoefden te lezen de kunst van het lezen overbrengen, laat staan de liefde ervoor?
Hoe pak je zélf verbetering aan, terwijl de overheid wanhopig blijft proberen uit te vogelen hoe de lees- en schrijfvaardigheid verbeterd kunnen worden voor zo min mogelijk geld?
Er zijn een paar dingen die je kunt doen en die niks of nauwelijks iets kosten, behalve tijd, creativiteit en animo, en die kunnen plaatsvinden op grote maar ook op kleine schaal. Hierbij zeven aanbevelingen.
Voorlezen, voorlezen, voorlezen. Voorlezen thuis en voorlezen op school. Voorlezen is een vorm van intens contact. Je geeft elkaar exclusieve aandacht, en dat wordt vrijwel altijd gewaardeerd. Houd nóóit op met voorlezen, ook niet als je kind zelf kan lezen. Lees je partner voor, ook waar de kinderen bij zijn. En vooral ook: láát je voorlezen, en dan bedoel ik niet door een computer maar door een persoon. Zelfs kinderen die nog niet zelf kunnen lezen, kunnen heel goed spelen dat ze voorlezen. Gun kinderen dat genoegen.
Ruim elke dag voor alle kinderen tijd in om zelf te lezen. Breng het als een beloning en niet als een straf. Het gaat erom lezen tot een dagelijkse routine te maken. Nu zijn we steeds vaker geneigd om te zeggen: vind jij lezen niet leuk? Nou, dan hoeft het niet!
Wel, vergelijk het met tandenpoetsen. We dwingen kinderen – door er een gewoonte van te maken – om tanden te poetsen. Niemand zegt tegen zijn kind: vind jij tandenpoetsen niet leuk? Doe het dan maar niet. Daar ligt het verschil: we vinden een gezond geborsteld gebit belangrijk en lezen voor het poetsen van een gezonde geest niet.
Denk bij lezen niet alleen aan boeken, maar zie ook elders kansen: lees elkaar voor wat er nou weer voor bijzonders in de krant staat of lees aan de ontbijttafel voor wat er achter op het pak hagelslag staat. Maak er een quiz van: hoeveel raapzaadlecithine denk jij dat er in dit pak zit? Het gaat erom dat lezen in het leven van een kind vanzelfsprekend wordt. En dat doe je niet door radeloos te blijven roepen dat lezen léúk is, maar door oefening. Net als met andere vaardigheden wordt lezen leuk als je merkt dat je het aardig kunt. Dus zorg voor regelmaat en continuïteit! En dat betekent:
Doorlopend aanbod. Hoe dat mis kan gaan, liet de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek zien door halverwege de jaren negentig de Gouden Griffel voor de leeftijdsgroep 12+ af te schaffen. Er kwam een hippere prijs voor boeken voor jonge tieners, maar die werd al gauw weer afgeschaft omdat die het gewenste resultaat niet had en vervolgens is het nooit meer goed gekomen.
Er zit een gapend gat tussen de belangstelling voor boeken voor kinderen en die voor boeken voor volwassenen. De tieners zijn tussen wal en schip gevallen omdat de continuïteit is losgelaten. De oplossing ligt eigenlijk voor de hand, maar de CPNB kan die al meer dan een kwarteeuw niet vinden: een Gouden Griffel 12- en een Gouden Griffel 12+, zodat de leesbevordering dóórloopt.
Niet de afgebakende leeftijdsgroep is belangrijk, maar het feit dat je kunt doorstromen als je eraan toe bent en dat nog niet hoeft als het zover nog niet is. Anders gezegd: als je 10 bent en je wilt het boek lezen dat de Gouden Griffel 12+ kreeg of je bent 14 en je voelt je fijn bij het boek dat de Gouden Griffel 12- kreeg, spring dan niet over het ravijn dat gecreëerd is, maar wandel gewoon naar het boek dat bij jou past.
Maar ook hier wil ik graag wijsvingeren naar de krant. Om onverklaarbare redenen investeert die niet in toekomstige lezers. De krant denkt dat mensen als ze volwassen worden als bij toverslag de krant gaan lezen, en dat daar niets aan is voorafgegaan. Ik snap niet waarom de kranten niet wekelijks ruime aandacht besteden aan kunst en cultuur voor de jeugd, en zo investeren in hun eigen toekomst. Als ik de baas was van de krant, liet ik AI van elk artikel een weergave maken die geschikt is voor kinderen en bood dat digitaal aan, in tekst en in gesproken woord.
Na verloop van tijd gaan kinderen lezen en schrijven saai vinden in vergelijking met wat er allemaal leuker en spannender uitziet, zoals de computer en de smartphone. Dat komt onder meer doordat ze worden uitgedaagd door de computer en niet door de boeken die ze krijgen. Kinderen lezen aanvankelijk graag wat ze al kunnen, maar van te veel herhaling ga je je vervelen.
Je moet zorgen voor boeken die steeds op een net iets hoger niveau liggen, zodat lezen uitdagend blijft. Dat doe je onder meer door boeken te lezen waar je zélf plezier aan beleeft als je ze voorleest. In de praktijk gaat dat zo: je kiest een boek dat het kind uit eigen beweging niet zo gauw kiest, bijvoorbeeld omdat het net iets te hoog gegrepen is, begint voor te lezen en stopt op een spannend moment. Zeg dat je overmorgen verder zult gaan. De kans dat het kind zo lang niet wil wachten en zelf verder leest, is niet gering. En zo trek je een kind op speelse wijze naar een iets hoger leesniveau.
Accepteer het verbod op boeken niet. Steeds vaker hoor je dat boeken uit scholen en bibliotheken gehaald worden omdat ze niet geschikt zouden zijn. Recente voorbeelden zijn de werken van Roald Dahl die door hun taal alleen nog in aangepaste vorm door de beugel zouden kunnen, en de boeken die op de brandstapel zijn beland omdat ze gaan over wat tieners ten diepste raakt: hun seksuele ontplooiing. Zoals de graphic novel naar het boek van Anne Frank die in Texas verboden werd, omdat jonge zielen niet geconfronteerd zouden mogen worden met seksualiteit, waardoor logischerwijze het percentage ongewenste zwangerschappen daar beduidend hoger is dan elders.
Ik kan daar nog een eigen ervaring aan toevoegen. Mijn boek Gebr., waarin een onschuldige erotische passage staat over twee jongens die met elkaar naar bed gaan, wekte de woede van een ouderpaar op een middelbare school waar dat boek klassikaal behandeld werd. De ouders verboden het boek in alle toonaarden en wezen erop dat er ook literatuur bestaat van hogere orde, zoals de boeken van Harry Mulisch. Vervolgens kwam zoonlief thuis met een zelfgekozen boek van Mulisch: Twee vrouwen.
We staan toe dat ouders en schoolbesturen boeken verbieden, omdat het ons eigenlijk niks kan schelen. Dat is het lot van kunst en cultuur. We kunnen er gratuit principieel over doen, zolang het ons maar geen pijn doet. Je kent dat wel: we zijn tegen nodeloos vliegverkeer, maar niet zo principieel dat we met de bus naar Spanje gaan. Dat zou ons pijn doen. En niet lezen doet geen pijn.
En dan het belangrijkste dat ik te melden heb: introduceer het leesdagboek. Dat kan op school, maar als er daar geen animo voor is, kan het ook thuis. Je kunt ermee beginnen als je kind geboren wordt. Noteer erin welke boeken je aan je kind hebt voorgelezen en schrijf erbij hoe je kind reageerde. Zo van: ‘Ik heb Boer Boris gaat naar de markt voorgelezen, maar mijn dochter had meer belangstelling voor het verscheuren van de bladzijden.’ Of: ‘Ik moest het boek tot vervelens toe voorlezen.’
Dit voorwerk zorgt ervoor dat als je kind naar school gaat, er een basis ligt om zelf verder te gaan. Het leesdagboek vertegenwoordigt dan al een zekere waarde, omdat het al iets bevat dat je je hoogstpersoonlijke leesgeschiedenis zou kunnen noemen. Of het krijgt die waarde als je ermee begint op het moment dat het kind naar school gaat. De jonge lezer noteert erin zijn leeservaringen en dat mag op dit niveau: ‘Ik heb Boer Boris gaat naar zee gelezen en ik vond er niks aan.’
Meer hoeft niet. Zodra het eerste boek is genoteerd, volgt de rest vanzelf. Want als je het tweede boek hebt gelezen en daar iets over schrijft in je leesdagboek, gaat dat veel makkelijker: ‘Ik heb Boer Boris in de sneeuw gelezen en dat vond ik leuker dan Boer Boris gaat naar zee, omdat ik van sneeuw houd en niet van zand.’
Klaar. De eerste boekbespreking, je eerste tekstverklaring zit er moeiteloos op. Elk nieuw boek dat gelezen wordt en toegevoegd aan het leesdagboek, maakt de leeservaring rijker, breder, makkelijker. En dat komt doordat context is gecreëerd.
Hoe werkt dat? Stel, je gaat naar het museum en ziet daar een schilderij. Iemand vraagt je wat je ervan vindt. Je staat met je mond vol tanden, want wat moet je zeggen over zo’n schilderij? Maar nu hangt iemand een ander schilderij naast dat ene en vraagt opnieuw of je wilt vertellen wat je ziet. Doordat de twee schilderijen in elkaars context zijn geplaatst, is het veel makkelijker om er iets over te vertellen.
Dat principe noem ik ‘vergelijken = beter kijken’. Je kijkt naar de verschillen en de overeenkomsten, benoemt ze, en zonder dat je er erg in hebt ben je aan het kunstbeschouwen. Zo werkt dat ook voor teksten die je leest. Door het leesdagboek creëer je automatisch context; doordat je vergelijkingsmateriaal hebt – namelijk het eerdere boek dat je las – wordt het veel makkelijker om er iets over te vertellen.
Die manier van ‘tekstverklaren’, het noteren van je leeservaring, kan op elk gewenst niveau.
Ideaal zou zijn dat dit een schoolactiviteit is. Dat elke leerling zijn eigen leesdagboek krijgt – een schrift of een digitaal bestand op de computer of in de cloud, want dat kan niet kwijtraken – dat, naarmate de leerling verder komt, steeds waardevoller wordt. Want ongemerkt wordt het, net als een fotoalbum, je hoogstpersoonlijke verzameling van gelezen boeken.
Na de basisschool neem je het mee naar het vervolgonderwijs en daar lees je gewoon verder – context en continuïteit! – en als je eindexamen aanbreekt, laat je trots je leesdagboek aan de examinator zien en die bepaalt welk cijfer je krijgt of dat je misschien nog een paar boeken bij moet lezen. Dan is een verplichte leeslijst helemaal niet nodig. Door je leesdagboek te laten zien, kun je tonen hoe lees- en schrijfvaardig je door de jaren heen bent geworden; het kan zijn dat je na je eindexamen nooit meer iets noteert in je leesdagboek, maar de kans is groot dat je er de rest van je leven mee doorgaat.
Als de school niet wil of kan, begin dan zelf met het leesdagboek. Doe het vandaag nog. Loop over veertig jaar langs je boekenkast (ja, ik weet wel dat boekenkasten zijn verbannen uit de interieurs die we in woonprogramma’s op tv te zien krijgen, maar ze komen heus wel weer in de mode) en dan zie je tussen Franz Kafka en Iris Murdoch je eigen Leesdagboek staan en denk je met trots en voldoening terug aan een leven lang lezen.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden