‘Een jaar geleden vroeg ik aan mijn vrouw Rianne: ‘Vind je me veranderd in de tien jaar dat ik nu in Den Haag rondloop?’ ‘Ik vind je sneller geïrriteerd’, zei ze. Gert-Jan Segers vertelt het in alle rust in zijn bloemrijke tuin in Amersfoort, waar hij in het donkerrode tuinhuisje, met op het raam de tekst ‘huisje vol liefde’, heeft gewerkt aan zijn boek Macht en onmacht, dat deze week verschijnt. ‘‘Je lacht ook minder vaak, je humor is wat weg’, zei ze. Dat was voor mij wel een signaal. Oké, dacht ik, dan moet ik nu op zoek naar een goede manier om er een punt achter te zetten, want zo wil ik niet zijn.’
Na tien jaar Kamerlidmaatschap, waarvan zeven als partijleider, vond Gert-Jan Segers (54) het afgelopen januari mooi geweest.
‘Bijvoorbeeld bij de discussie over de crisis in de opvang van vluchtelingen in Nederland vorig jaar zomer. Van sommige mensen uit onze achterban kreeg ik te horen dat we vanwege een tijdelijke inperking van gezinshereniging door een morele ondergrens waren gezakt. Dat ergerde me. Ik vind het prima als mensen het inhoudelijk niet met me eens zijn, maar nu werd mijn integriteit in twijfel getrokken, dat kwam hard aan. Ik begrijp ook wel wat me daarin raakte. Dat stamt uit mijn jeugd. Als mijn integriteit in twijfel wordt getrokken, en er dus eigenlijk wordt gezegd dat ik een slechter mens ben geworden, herinnert me dat aan het soms beklemmende geestelijke klimaat van de kerk, waar mijn vader evangelist was. Daar werd constant over het geloof van anderen geoordeeld.’
‘Zeker. Ik heb lang de illusie gehad dat als ik mezelf zou zijn, als ik eerlijk zou zijn over mijn keuzes en die in alle rust uitleg, dat mensen er dan wel op vertrouwen dat ik een integere afweging maak. Ook al zijn ze het misschien niet altijd met me eens. Maar het lukte me niet meer om die illusie overeind te houden. Daarin heeft de coronacrisis ook wel echt een belangrijke rol gespeeld. In die periode zijn we in de maatschappij en in de politiek het geduld met elkaar verloren. Dat mensen die in religieus opzicht dicht bij me staan, toen harde oordelen velden, heeft voor krassen op mijn ziel gezorgd.
‘Voor die periode had ik een man ontmoet die aan het hoofd staat van een christelijke organisatie. Dat was een, zal ik maar zeggen, charismatische christen, met het geloof voor op zijn tong. Met hem had ik ook samen gebeden. En hij appte naar aanleiding van onze aanpak van de coronacrisis dat ik moest terugkeren naar de bron, en naar Christus. ‘Dan veronderstel je dat ik daar dus niet ben’, reageerde ik, ‘dat ik niet meer in verbinding sta met God, mijn grote hoop in het leven.’ Kijk, als iemand met meer cijfers dan letters in zijn Twitteraccount dat schrijft, raakt het me niet. Maar bij deze persoon vond ik het heel pijnlijk.
‘Ik vond het ook pijnlijk te merken dat sommige van de boeren die vanwege de stikstofcrisis bij mij op mijn werkkamer in Den Haag zaten, me vol wantrouwen bleven aankijken. Het lukte me niet meer deze goede mensen te bereiken.
‘Dus toen ik, kort nadat ik in Den Haag was gestopt, van een paar organisaties de vraag kreeg of ik ervoor openstond om bij hen de eerste man te worden, dacht ik: dat moet ik maar even niet doen. Daar ben ik nog te kwetsbaar voor.
‘Mijn hart gaat op dit moment niet uit naar een positie voor op de bok, ik ben nu liever adviseur bij maatschappelijke organisaties en bedrijven die verantwoord willen ondernemen, naast mijn politieke podcast met Klaas Dijkhoff (Dijkhoff & Segers, red.).’
‘Ik beschrijf bijvoorbeeld hoe ik vorige zomer met drie andere fractievoorzitters – Sophie Hermans van de VVD, Jan Paternotte van D66 en Pieter Heerma van het CDA – een begroting in elkaar moest timmeren. We hebben toen allerlei beslissingen genomen waarvan we wisten: dit gaat een verschil maken. Zoals extra geld voor gezinnen die driehoog-achter in het Laakkwartier in Den Haag wonen, die niet weten of ze genoeg geld hebben om het einde van de maand te halen. Dat was het gevolg van een serieuze samenwerking met mensen uit verschillende partijen, die puur ambachtelijk aan het werk zijn. Ik wil laten zien dat niet alles spel is. Niet alles is House of Cards, niet alles is een kwestie van elkaar de loef afsteken of je ego laten gelden.
‘Ik vond die beeldvorming soms frustrerend. Dan kwam ik na de Algemene Politieke Beschouwingen, waarbij alle wereldproblemen langskwamen, op een verjaardagsfeestje. En dan was het enige waarop mensen me aanspraken dat Thierry Baudet zich had misdragen, waarna het kabinet de plenaire zaal uitliep.
‘Je leest in mijn boek dat het er soms hard aan toegaat achter de schermen, maar dat we wel altijd op zoek zijn naar een compromis tussen partijen met heel verschillende idealen. Dat gebeurt doorgaans met een oprechtheid en met een ambachtelijke kunde waarvan ik echt onder de indruk ben geraakt. De meeste politici deugen.’
‘Ik vond het een vreemde neiging van Timmermans dat hij briljante momenten kon afwisselen met wat mij betreft kleinzielige momenten. Het ene moment stak hij – improviserend – een prachtige oratie af over het kwaad van antisemitisme, en het volgende moment ging hij in zo’n commissiedebat ineens totaal onnodig ruzie zoeken met een Kamerlid over iets waar achter de schermen al overeenstemming over was. Dat kon ik niet goed begrijpen, dat vind ik een rare combinatie van eigenschappen.’
‘Ja, de persoonlijke aanval wordt steeds meer gezocht. Door de ontzuiling kun je als politieke partij minder rekenen op een vaste achterban en is er veel ‘lifestylepolitiek’: imago en vorm zijn belangrijker geworden dan ideologie. Politiek is een permanente campagnestrijd geworden, want de fluctuaties in zetelverdelingen kunnen enorm zijn. Bij de verkiezingen van 1994 duikelde het CDA van 54 zetels naar 34 zetels en nu staan ze op ongeveer 5 virtuele zetels. Elke politicus weet dat hij één verkiezing is verwijderd van het einde van zijn partij. Dat maakt het politieke bedrijf gejaagder en meer gericht op beeldvorming, en dat komt de besluitvorming niet ten goede.’
‘Ik hoop dat politici zien dat zij langer met hun eigen geweten en met zichzelf moeten doorleven dan met de laatste peilingen. Dat ze toch voor de lange termijn en hun idealen blijven gaan, ook als dat op korte termijn minder zetels oplevert. De enige manier waarop het tij kan worden gekeerd, is als politici die dapperheid kunnen opbrengen.’
‘Haha, nee. Maar ik heb het tien jaar volgehouden, hè? Daarna was mijn conclusie: ik ben niet meer de aangewezen persoon om voorop te lopen. En dan vind ik het alleen maar heilzaam om jezelf ook een beetje te relativeren. Het oplossen van een crisis hangt echt niet van mij af. Je voert als fractievoorzitter een dans met je achterban en met je partij, en een kribbig mannetje is niet zo goed in dansen.’
‘Ik ben halverwege bijgepraat, maar ik had er geen enkele rol in. Nu moet de nieuwe generatie de knopen doorhakken. Maar dit is een heel moedige knoop geweest. Ik vind dat Mirjam ontzettend knap duidelijk heeft gemaakt waar haar grens ligt.’
‘Er zat een metaalmoeheid in de coalitie, waardoor het niet meer lukte. Inhoudelijk vind ik het onbegrijpelijk, want het compromis dat D66 en ChristenUnie bereid waren te aanvaarden zorgde echt voor grip op migratie. Maar je zag dat de VVD een fuik in was gezwommen waaruit ze niet meer terug kon. En Rutte stond onder druk van zijn achterban, die vond dat de VVD te vaak water bij de wijn had moeten doen. Zo kwamen ze steeds losser in die coalitie te staan. Ik vond dat onverantwoord. Ik snap de politieke psychologie die tot de val leidde, maar politiek rationeel was het niet.
‘Ik denk dat er nog wel momenten komen dat VVD-leden zich achter de oren krabben. D66 en de ChristenUnie waren bereid heel ver te gaan op het gebied van migratiebeperking en als je dat niet aanvaardt, dan moet je nu komen met iets wat nog verder gaat. En dan kan het niet anders dan dat je nog meer over rechts gaat. Maar dan komen er ook partijen in beeld die het niet nauw nemen met de rechtsstaat, met fundamentele vrijheden. Dan ga je een glibberig pad op. Dus ik schat in dat ze er nog spijt van krijgen.’
‘Dat was voor mij wel het dieptepunt in mijn politieke loopbaan, ja. Mijn intuïtie dat deze coalitie niet het vertrouwen van de kiezers ging herstellen, klopte. Maar in een land waarin we het geduld al steeds meer met elkaar verliezen, was ik degene die het nu juist erger maakte. Ik gooide olie op het vuur in plaats van op de golven. Het was te snel, te persoonlijk, te hard. Het moment dat ik me dat realiseerde, was een pijnlijk moment.
‘Ik wist ook dat ik persoonlijk het gesprek met Mark Rutte zou moeten heropenen. Anderhalve week na het dramatische paasweekend sms’te ik hem. Hij reageerde zoals vrijwel altijd binnen een minuut. Hij wilde koffiedrinken. Het gebrek aan rancune bij hem en zijn vermogen in persoonlijke verhoudingen een bladzijde om te slaan, vond ik ook toen weer opmerkelijk. Als ik hem er later nog eens naar vroeg, antwoordde hij: ‘Maar het begon toch allemaal met een grote fout van mij?’
‘Rutte zag helder in dat het ermee begon dat hij beweerde niet over Omtzigt te hebben gesproken, waarna uit de aantekeningen bleek van wel. Als ik mijn fout dan heb uitgesproken, is het voor hem ook klaar. Dat je zo lang in Den Haag kunt rondlopen, waar allerlei mensen je wel een keer een streek hebben geleverd, vind ik knap. Ik denk dat je het ook alleen maar lang volhoudt als je niet eindeloos al die openstaande rekeningen nog in je hoofd hebt.’
‘Ik noem ze onze boezemvijand. We staan dicht bij elkaar als het bijvoorbeeld gaat over klimaat- en migratiebeleid, maar in cultureel opzicht is er irritatie. Misschien is die bij ons groter dan vice versa. D66 heeft in ieder geval niet altijd door hoe sterk de aversie in onze achterban is tegen het soort gelijkhebberigheid dat de partij heeft bij ethische keuzes, zoals bij het debat over voltooid leven. Als mensen van boven de 75 er geen zin meer in hadden, moesten ze er een einde aan kunnen maken, was de stellige overtuiging van D66. Terwijl wij veel meer licht wilden schijnen op de vraag achter de vraag, namelijk eenzaamheid. Dáár moeten we iets aan doen.
‘Naast gelijkhebberigheid heeft D66 ook een drang om onmiddellijk en helemaal hun zin te krijgen. Dat zet best kwaad bloed. Ik zat op een gegeven moment in de taxi met Jan Paternotte en zei: ‘Jan, als ik een gemiddeld ChristenUnie-lid de keuze voorleg om te kiezen tussen PVV of D66, zal hij dat niet zo goed weten. Dat verbaasde hem wel. D66 is een partij die van oorsprong een emancipatiebeweging is, maar die nog steeds in die emancipatiestrijd zit, terwijl de noodzaak weg is. Je hebt allang gelijk gekregen, denk ik vaak. Laat het. Ontspan.’
‘Er is een gigantische persoonlijke autonomie en zelfbeschikking op allerlei terreinen gekomen. Abortus, euthanasie, het homohuwelijk. En dan moeten ook de laatste twaalf koopzondagen nog worden afgeschaft. Dat waren de laatste rustdagen waarop je nog even stilte had. Dat betekent dat we 24 uur per dag, 7 dagen per week, door razen. Terwijl ik denk: koester die dagen, laten we een keertje niet gaan winkelen en geen herrie om ons heen hebben.’
‘Bij GroenLinks is drie keer – twee keer onder Jesse Klaver en een keer onder Femke Halsema – de inschatting geweest: we kunnen meer profiteren van nog even langs de zijlijn staan dan van meeregeren. Drie keer kwam het toen op de ChristenUnie aan. Op het moment dat je aan die onderhandelingstafel plaatsneemt, ga je compromissen sluiten. En je weet dat dat af en toe pijn doet bij je achterban. Maar dat is wel politiek leiderschap.
‘Woede en moraal lijken vooral voorbehouden aan idealisten en profeten langs de zijlijn. Partijen als de PVV en SP zijn ook hele dagen kwaad zonder dat ze ooit in staat zijn met een goede wet het leven te verbeteren van de mensen voor wie ze zeggen op te komen. Een Partij voor de Dieren zegt al jaren een uitgewerkt plan B klaar te hebben liggen, maar het is Esther Ouwehand nog niet gelukt om dat ook maar een stap dichterbij te brengen. Als je aan de kant staat heb je misschien altijd gelijk, maar krijg je het nooit.’
‘We kregen een maaltijd aangeboden met een groep Afrikaanse slachtoffers van gedwongen prostitutie in Nederland. Ik zat tegenover een Ghanese vrouw die de hele maaltijd geen woord zei. Ze staarde alleen maar wezenloos voor zich uit. Ze was kapot. Totaal gesloopt door dat vrolijke, liberale pareltje van ‘betaalde liefde’ en ‘meisjes van plezier’. Haar holle ogen ben ik nooit meer vergeten. Als ik eraan denk, kan ik huilen.’ Hij schiet vol. ‘Dat vond ik zo ontzettend erg, dat brak mijn hart.’
‘Dat we schuld belijden over slavernij en ons aandeel daarin, en dat het onder onze ogen gewoon doorgaat. Maar we willen het niet zien omdat het morele uitgangspunt over prostitutie is dat het normaal werk is, waar mensen in volledige autonomie voor kiezen, en dat het dus moet worden gelegaliseerd. Maar die zogenaamde vrijwilligheid is zeer discutabel. Die vrouwen zijn niet op een dag opgestaan met de gedachte: weet je wat, ik word sekswerker in Amsterdam. Die zijn vaak hierheen gelokt en verhandeld. Ik kan het oprecht niet begrijpen dat liberale partijen daar niet veel kwader over zijn.
‘Ik werk sinds mijn vertrek uit de politiek een dag in de week bij International Justice Mission, een beweging die hiertegen strijdt. Dus ik word nog steeds gedreven door datzelfde Popeye-moment, ik denk dat ik dat nooit zal kwijtraken. Ik ben de zoon van mijn vader, ik heb net als hij had, een sterk gevoel van een roeping, van het verantwoordelijkheidsgevoel dat je een taak krijgt.’
‘Ja, ik weet het nog goed, met onze blauwe stationcar reden we met mijn twee broers, twee zussen en ouders over de Afsluitdijk, er leek geen einde aan te komen. Achter ons lag de Bollenstreek, waar mijn ouders deel uitmaakten van een orthodox-christelijke, bevindelijk gereformeerde gemeente. In de volksmond de ‘zwartekousenkerk’ genoemd.
‘In Leeuwarden werd mijn vader een soort zendeling in eigen land. Voor ons was dat het begin van een leven waarin wij bloemetjes bij bejaarden brachten, het orgel in de kerk bespeelden, en thuis aan de keukentafel een stuk opschoven voor de vele bezoekers die steun zochten. Mijn vader was een pastor voor zoekende zielen en een herder voor verdwaalde schapen. Dat heeft hij met hart en ziel gedaan, totdat hij op mijn 21ste totaal uitgeput neerstortte en stierf.’
‘Totaal. Het leven viel hem zwaar. Het was niet makkelijk, dat wist ik, maar ik had op maandag nietsvermoedend afscheid genomen toen ik weer naar Leiden ging waar ik politicologie studeerde. Hij zwaaide me uit bij de bus. Op woensdag kreeg ik een telefoontje, hij was aan een hartstilstand overleden. Die avond stond ik naast de kist waarin hij lag opgebaard. De herinnering aan het sterven van mijn vader was heel lang het enige moment waarop ik huilde, verder huilde ik nooit. Toen we het zojuist over de Ghanese vrouw hadden was ik emotioneel, maar lange tijd huilde ik alleen als ik bijvoorbeeld aan zijn graf stond en me realiseerde hoe eenzaam hij zich moet hebben gevoeld.’
‘Door het gevoel dat die kerk helemaal op zijn schouders rustte, het gevoel dat hij de mensen de aandacht moest geven die ze graag willen hebben. Die wens is altijd eindeloos. Dat is wel een parallel met werken in de politiek. Er is altijd nog iets wat je kunt doen, er is altijd nog iemand die iets van jou verlangt. Dus ik heb mezelf echt moeten voorhouden: Gert-Jan, jij bent niet de verlosser, dus laat ook dingen los. Ik ben niet de messias die de wereld kan redden. Mijn vader voelde die druk wel, totdat hij eraan is bezweken.’
‘Ja. Dat is een gevoel dat ik van jongs af aan al heb. Tijdens mijn middelbare school en mijn studie kreeg ik van studiegenoten geregeld een spervuur aan vragen over mijn geloof. Het ontstaan van het heelal en de mensheid is nog altijd een wetenschappelijk mysterie, niemand weet hoe het exact is gegaan, in die zin zijn we allemaal gelovigen, althans iedereen die een overtuiging heeft over onze ontstaansgeschiedenis. Toch ligt de bewijslast voor het bestaan van God altijd bij de gelovige en niet bij degene die met de seculiere tijdgeest meewaait. Dat heeft me gestimuleerd mijn geloof dieper te doordenken, maar leverde wel steeds hetzelfde gevoel op: ik hoor er niet echt bij in deze wereld. Ik moet me verantwoorden voor wie ik ten diepste ben.
‘Hetzelfde gevoel had ik toen ik tijdens de formatie van 2017 op het landgoed De Zwaluwenberg in Hilversum om me heen keek. Daar stonden mensen die het goed met elkaar konden vinden en naarmate de avond vorderde hun hilarische verhalen steeds losser vertelden. Als vanzelf drijf ik dan naar de rand van het gezelschap. In zo’n dynamiek voel ik weer wat ik op de middelbare school voelde: dit is niet helemaal mijn wereld.’
‘Dat ik er niet helemaal bij hoor, dat ik anders ben. Wij zijn anders. Wij hadden geen televisie, mijn zussen droegen altijd rokken, wij gingen op zondag twee keer naar de kerk. Ik voetbalde iedere dag mee met de jongens van mijn klas en onze straat, maar ik was nooit echt een van hen. Alleen al in gesprekken. Ik keek ook nooit een wedstrijd op tv, dus daarover kon ik niet meepraten. Bij wedstrijdsport werd er bovendien gevloekt, dus mocht ik niet op voetbal. Ik ging naar de klassenavonden op mijn school, maar ik heb nooit mee gedanst. Dat deed ons soort mensen niet. Ik mocht ook geen popmuziek luisteren. En dat is een belangrijk gespreksonderwerp van jongeren, waar je dan toch een beetje buiten valt.
‘Misschien hebben andere mensen niet naar mij gekeken alsof ik er niet echt bij hoorde, maar zo heb ik het zelf wel altijd gevoeld. Dat was ook mijn gevoel bij het boek van Joris Luyendijk, over die zeven vinkjes. Daarin werd ik opgevoerd als iemand met zeven vinkjes, maar ik heb me nooit een zevenvinker gevoeld.’
‘Als gelovige ben ik niet superieur. Maar Jezus is wat mij betreft ongeëvenaard. Het christelijke evangelie dat al tweeduizend jaar meegaat, vind ik inderdaad van een andere orde dan iemand die een workshop geeft over manifesteren, of over weet ik wat voor healing.’
‘Uiteindelijk is het aan iedereen om te oordelen wat waar is en wat niet, maar ik vind geloven in kabouters echt van een andere orde dan geloven in Jezus. Je kunt zeggen: geloven in kabouters klinkt even onwaarschijnlijk als geloven in een man die over water loopt en die uit de dood is opgestaan, maar ik ben ervan overtuigd dat er heel goede redenen zijn om in Jezus te geloven.
‘Kijk naar de opstanding van Jezus. Die was volkomen vreemd in die tijd, de dominante wereldbeschouwing tijdens het Griekse denken was Joods en normaal gesproken verandert een wereldbeschouwing heel geleidelijk. Nu waren mensen die voor zijn opstanding nog wegrenden toen het spannend werd, na één ontmoeting met Jezus na zijn opstanding bereid te sterven voor dat geloof. Ik kan dat niet anders verklaren dan dat er een echte ontmoeting met de opgestane Jezus is geweest. Ik denk dat niemand bereid is een martelaar te worden voor iets wat ze zelf hebben verzonnen.
‘Ik geloof er niet in dat het leven geen betekenis heeft, dat we nergens naartoe gaan, dat de mens niet meer is dan een zak met botten. En dat onze moraal alleen maar een afspraak is. Wat ik voelde bij die Ghanese vrouw, is niet het product van mijn opvoeding of van een culturele afspraak over hoe we met elkaar omgaan. Nee, ik voelde heel diep: dit is hemeltergend onrecht, dit is niet zoals wij zijn bedoeld. Zo voelt iedereen diep van binnen heel zuiver wat goed is om te doen. Dat is de afdruk van God.’
‘De kerk groeit wereldwijd, in andere delen van de wereld wint het christendom veel harten. Alleen hier niet. Maar dat betekent niet dat mensen hier minder religieus worden. Mensen geloven nog steeds in verlossers, kijk maar naar de politiek waarin steeds een andere messias opstaat waaraan mensen zich massaal vastklampen. En we denken nog altijd erg in schuld. Sterker nog, het lijkt wel of de morele lat na de secularisatie eerder hoger dan lager is gelegd. Mensen worden soms op zo’n harde manier afgeserveerd. Ik gun ons collectief een groter geloof in het recht op genade. Maar dat zie je bijvoorbeeld bij Thijs Römer of Matthijs van Nieuwkerk niet gebeuren.’
‘Natuurlijk helpt het als hij schuldgevoel heeft, maar in zijn algemeenheid lijkt er tegenwoordig alleen nog maar schuld te zijn en geen enkele kans op vergeving. En als er bij schuld geen vergeving meer is, worden we genadeloos. Dan druk je mensen gewoon de samenleving uit. Dat mag je mensen niet aandoen, vind ik.’
9 juli 1969 Geboren in Lisse.
1981-1988 Christelijk Gymnasium en het Lienward College in Leeuwarden.
1988-1994 Studie politicologie in Leiden.
1994-1999 Beleidsmedewerker van de RPF, voorloper van de ChristenUnie.
1999-2000 Journalist bij de EO.
2000-2007 Werkzaam bij een christelijke uitgeverij en studiecentrum in Egypte.
2007-2008 Master internationale betrekkingen aan Johns Hopkins-universiteit in Washington DC.
2008-2012 Directeur van het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie.
2012-2023 Namens ChristenUnie in de Tweede Kamer.
2015 Volgt Arie Slob op als fractievoorzitter van de ChristenUnie.
2017 ChristenUnie stapt in kabinet-Rutte III.
2022 ChristenUnie stapt in kabinet-Rutte IV.
2000-heden Schrijft meerdere romans en non-fictieboeken, waaronder Twee broers en een meisje met geel haar en De verloren zoon en het verhaal van Nederland.
2023-heden Wekelijkse politieke podcast met VVD’er Klaas Dijkhoff: Dijkhoff & Segers. Daarnaast adviseur en ambassadeur bij verschillende internationale maatschappelijke organisaties.
2023 Macht en onmacht: Politicus in een verdeeld land verschijnt bij Uitgeverij Balans.
Segers is getrouwd met Rianne en heeft drie dochters.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden