Home

De bezem, het puzzelstukje en de smeltende gletsjer beklagen zich in dichtvorm

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Dichtbundel Een sadistische vliegenmepper of een smeltende gletsjer: Zo voelt dat van Bette Westera en Sylvia Weve zit vol verrassende, spottende gedichten over de dingen die emoties hebben.

‘Om mij wordt geen bliksem gegeven!/ Ik hang aan een spijker te kijk/ en lijd een verschrikkelijk leven./ Ze halen me diep door het slijk/ en hangen me smerig te drogen./ Ik lijd een onzalig bestaan./ Ze strooien me zand in de ogen/ en vegen de vloer met me aan!’ Voor wie het nog niet vermoedde, hier is een bezem aan het woord. En zo ellendig voelt dat dus, als je er eentje bent.

Dit toekennen van emoties aan alledaagse dingen, zoals deze bezem uit de nieuwe dichtbundel van Bette Westera en Sylvia Weve Zo voelt dat, is natuurlijk niet nieuw. Hans Christian Andersen was er al een meester in: zijn standvastige tinnen soldaat die voor een papieren ballerina valt, zit in ons collectieve geheugen. Maar ook Annie M.G. Schmidt kon er wat van: ongeduldige gillende fluitketeltjes, overbelaste brievenbussen die in staking gaan, een pook die een tang bemint – je kunt het zo gek niet verzinnen of ze heeft ze wel het woord gegeven.

Zo bezien is het antropomorfische uitgangspunt van de veertig gedichten in Zo voelt dat niet per se origineel. Dat doet gelukkig niets af aan de hoge kwaliteit van deze verrassende gedichten. Westera is goed op dreef: het wat abstracte vertrekpunt geeft haar duidelijk net wat meer artistieke bewegingsvrijheid dan de expliciete thema’s in de geprezen bundels Doodgewoon en Uit elkaar (over respectievelijk de dood en echtscheidingsleed), waarvoor ze ook al samenwerkte met illustrator Weve.

Niet dat Westera zich ineens bekeerd heeft tot het vrije vers. Maar wat anders is dan anders in haar ritmische en klankrijke gedichten, is het komisch zwartgallige vertelperspectief en de soms licht sarcastische clou. Zo luidt de betreurenswaardige conclusie van ‘de wachtende gedachte’: ‘ze geeft me geen ruimte, ik mag er niet zijn,/ Ik wacht tot ik langzaam maar zeker verdwijn.’ Ook het ‘zoekgeraakt puzzelstukje’ (‘van alle stukjes blauwe lucht het meest gevreesd’), kent een treurig einde ‘in haar Miele, naast de scherven van die vaas./ Een stoffig stukje blauwe lucht, voor altijd zoek. Helaas…’ Daarbij maakt Westera vernuftig gebruik van de dubbelzinnigheid van de taal. Goedgevonden is bijvoorbeeld dit treffende slot van ‘Smeltende gletsjer’: ‘Ik zwijg/ Een jaar geleden ging mijn laatste tong verloren./ Nooit zal ik meer zo groot en indrukwekkend zijn als toen./ Al kon ik in tongen spreken, niemand zou me horen./ Ik smelt mijn einde tegemoet en kan er niks aan doen.’

Weve’s voorkeur voor het groteske en absurde past de spot die je tussen de dichtregels door proeft perfect. En zoals altijd voegt ze wat extra’s toe aan haar expressieve prenten. De vrouw met de wachtende gedachte, verbeeldt ze als een hersenloos driekoppig kwebbelmonster. Sprekend is ook de bloedrode sadistische grijns van Westera’s vliegenmepper met daarachter uiteenspattende vliegenlijken. En subtiel abstract is het dubbelzinnige beeld van een uit afzonderlijke schaapjes gevormd schaap bij ‘Kudde schapen’ dat zo begint: ‘Ik ben geen ik, ik ben een wij. Ik kan alleen een mij zijn/ als er voldoende schapen op de Hilversumse hei zijn.’

Ja, wie Zo voelt dat leest en bekijkt, zal buiten de lijntjes moeten denken. En ondertussen passeert er een breed scala aan gevoelens de revue, die je de wereld met andere ogen doet zien.

●●●●

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next