N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Eigenlijk was er weinig écht nieuws onder de weer bedekte Nederlandse hemel, maar toch was de algemene reactie er een van forse verbijstering: prins Bernhard was lid geweest van de NSDAP, de partij van Adolf Hitler. Waren we er kennelijk tóch weer ingetuind – in die ontkenningen ,,met de hand op de bijbel’’ van de prins kort voor zijn dood in 2004 in de Volkskrant.
Toch schreef diezelfde krant al op 6 december 1995 onder de kop „Regering probeerde prins Bernhard van nazilijst te laten schrappen” een artikel over dit onderwerp. De krant verwees naar een recent onderzoek door G. Aalders (Riod) en C. Hilbrink (leraar in Oldenzaal). Zij hadden in Amerikaanse archieven ontdekt dat Bernhard van 1 mei 1933 tot 8 januari 1937 – een dag na de huwelijkssluiting met Juliana – lid van de NSDAP was geweest. De Nederlandse regering had in 1948 bij de Amerikanen een vergeefse poging gedaan om de naam van de prins te schrappen.
Wat had Bernhard in de jaren dertig tot dit lidmaatschap en dat – minstens zo erg - van de SA en de SS bewogen? De verklaring ligt voor de hand: een ongezonde dosis opportunisme, gepaard aan geldings- én overlevingsdrang. Bernhard heeft het ook zelf gezegd: „Je moest in het begin wel op de een of andere manier een beetje meedoen, want ze lieten je ijskoud voor je examen zakken als ze het idee hadden dat je anti was.”
Iemand die vernietigend over zulke motieven heeft geschreven, is Anna Haag, een Duitse journaliste die tijdens de oorlogsjaren een (onlangs ook in Nederlandse vertaling uitgekomen onder de titel Vreemdeling in eigen land) geheim dagboek bijhield. Zij noteerde in 1941 bitter: „En de ‘intellectuelen’? Voor zover ze niet echt intelligent waren, stroomden ze toe. (…) En de echte ‘intellectuelen’, die meteen al een vaste betrekking hadden, welnu, die hielden zich aanvankelijk afzijdig en walgden van de proletige volksheiland Hitler. Maar toen hij aan de macht gekomen was, vlogen ook zij naar hem toe, en toen ze merkten dat het onmogelijk was om vooruit te komen zonder nazibazuin in de hand, wel, toen werd het groepje oprechte mensen steeds kleiner. Nu zijn het er nog maar een paar die er niet bij horen, die niet het nazi-jargon in hun gesprekken gebruiken (…).”
Bernhard was dus ‘maar’ een van de velen, maar hij had – achteraf bezien - de pech dat zijn ambitie hem naar het Nederlandse koningshuis dreef.
Inmiddels is hij dood en begraven en heeft hij nergens meer last van, tenzij Onze Lieve Heer nog steeds verbolgen is vanwege die hand op de bijbel. Intussen zitten ‘wij’ negentig jaar later nog steeds met de brokken.
‘Wij’ – dat zijn al die mensen die hem vereerden als een soort verzetsman en sympathieke charmeur die dichtbij het gewone volk stond. In die bewondering zijn zij te naïef en te vergevensgezind geweest. Want Bernhard was in de eerste plaats een gewiekste flierefluiter, die niet terugdeinsde voor leugens en bedrog om zijn geprivilegieerde bestaan te kunnen voortzetten.
Ook bij het Prins Bernhard Cultuurfonds, waarvan Bernhard sinds de oprichting onder de naam ‘Spitfire Fund’ in 1940 regent was, had men dat kunnen weten. Dit fonds doet op cultureel gebied goed werk, maar zal naar een andere naam moeten omzien als het zijn geloofwaardigheid wil behouden.
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC