N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt Arjen Fortuin steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Vandaag verhalen van Hugo Pos.
De geschiedenis joeg Hugo Pos (1913-2000) de aardbol rond: Paramaribo, Leiden, Finland (een Jood op de vlucht voor de nazi’s), Vladivostok, Japan, San Francisco, Canada, Engeland, Indië, weer Japan, Groet, Suriname en uiteindelijk Amsterdam. Nu staat hij in Joure, verscholen in de – nomen est omen, of hoe zeg je dat in het Fries – uitpuilende ‘lytse bieb’ in een voortuin aan de rand van het centrum. Nu ja, Het mausoleum van de innerlijke vrede staat er, Pos’ in 1989 door In de Knipscheer uitgegeven verhalenbundel. Afgaande op de verkleuring van de rug heeft het boek een flink deel van zijn 34-jarig bestaan in een goed verlichte kast verbleven.
Pos had al een beroepsleven als rechter achter zich toen hij op zijn 71ste een verhalenbundel publiceerde en een jaar later nog eentje. Het mausoleum van de innerlijke vrede is de derde: zeven verhalen over oudere mannen (in Suriname en in Nederland) die, voorzichtig schrapend, terugkeren naar episoden uit hun leven en proberen te achterhalen of ze onderweg iets over het hoofd hebben gezien. Bijvoorbeeld een schrijver zijn die toegeeft dat hij in zijn autobiografie zaken verzwegen heeft „waardoor het accent is verschoven en de stralenkrans van de succesvolle rokkenjager boven mij is komen te warrelen”.
Inderdaad draaien veel van deze verhalen om seks, of eigenlijk om niet-seks, bijna-seks en ongewenste seks. En daaruit voortvloeiend om vele vormen van spijt, die Pos in heldere, precieze zinnen zichtbaar maakt. Zoals in het relaas van een rechter die terugblikt op een verkrachtingszaak waarin hij nooit uitspraak hoefde te doen omdat de verdachte in zijn cel zelfmoord pleegde. Hoogtepunt in de bundel is het verhaal ‘Albina la coquette’ over een districtsopzichter in noordoost Suriname – ook in andere opzichten dan de koloniale sfeer doet Pos soms aan A. Alberts denken – die alleen achterblijft met de geliefde van zijn tuinman. Zij is indiaans, heeft waarschijnlijk een verstandelijke beperking.
Op een middag morst hij – onhandigheidje in de hangmat – drank op zijn broek. Zij maakt het schoon, wrijft de vlek weg, streelt en kruipt uiteindelijk bij hem in de hangmat. Er ontstaat een verhouding, die voortduurt tot de tuinman, tot niet geringe schrik van de man, terugkeert. Intense opluchting volgt, omdat de tuinman de verteller niets kwalijk neemt (maar wel zijn echtelijke plaats weer inneemt).
De illusie dat als mannen onderling geen problemen hebben met een situatie, alles dan verder in orde is, houdt niet lang stand. De opzichter komt de vrouw tegen op de markt, zij kijkt hem doodsbang aan, schreeuwt ‘no fassi mi’, vlucht. Zo leert hij lessen over macht en misbruik die decennia na de verschijning van Het mausoleum van de innerlijke vrede in het volle licht zouden komen te staan.
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC