N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Als je even niet keek, zal je het hebben gemist: de sfeer op de financiële markten is de afgelopen twee weken nogal omgeslagen. Was tot dan toe de verwachting dat de rentes zowel in de VS als in Europa zouden dalen, nu weten beleggers het niet zo zeker meer. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de rente op tienjarige staatsleningen. Die is leidend voor tal van andere tarieven, waaronder die van bijvoorbeeld hypotheken en langdurige bedrijfsleningen. En voor de overheid zelf natuurlijk.
Deze rente, anderhalf jaar geleden nog negatief, was behoorlijk gestegen in het kielzog van de oplopende inflatie, maar ligt al een tijdje stabiel op tegen de 3 procent. Maar in plaats van nu samen met de inflatie weer wat te dalen, stipte hij deze week met ruim 3,3 procent het hoogste punt aan sinds de zomer van 2011.
De reden voor deze verrassing? De inflatie daalt dan wel de laatste tijd, maar hardnekkig hoge energieprijzen kunnen roet in het eten gooien en er voor zorgen dat dit proces van ‘disinflatie’ veel trager verloopt dan gehoopt. Dat betekent weer dat beleggers een hogere rentevergoeding willen vragen, omdat de waarde van het geld dat zij vastzetten in staatsleningen meer wordt uitgehold dan gedacht.
Een andere reden, die hiermee te maken heeft: centrale banken, ook die in de Verenigde Staten, houden hun eigen rentes langer hoog dan verwacht.
Derde reden: begrotingstekorten dreigen vrijwel overal in het Westen hoog uit te vallen. Dat betekent een grotere leenbehoefte van overheden, waardoor de rentevergoeding die beleggers vragen hoger uitvalt. Een van de schokken die vorige week de rente in de eurozone extra opdreven, was de aankondiging van de Italiaanse regering dat het begrotingstekort volgend jaar de 5 procent van het bbp overstijgt.
Ook in Nederland is daar onrust over. De 4 miljard euro die de Tweede Kamer tijdens de Algemene Beschouwingen vroeg voor koopkrachtbehoud, gaan er vermoedelijk niet helemaal van komen. Het demissionaire kabinet vindt dat onverantwoord: het zou het begrotingstekort volgend jaar boven de 3 procent brengen. En de Studiegroep Begrotingsruimte, die bestaat uit hoge ambtenaren en specialisten, wás al kritisch op het begrotingsbeleid.
Dan zal je dus denken: oh-oh, als dat maar goed gaat. Maar de uitgangspositie van Nederland is juist laaiend goed. Sterker, zij is een van de beste van de westerse wereld. De staatsschuld als percentage van het bbp ligt dit en volgend jaar onder de 50 procent. Dat is iets meer dan de helft (ja, de helft) van het gemiddelde van de eurozone, en het ligt ver onder het cijfer van de Verenigde Staten (120 procent).
Die Nederlandse staatsschuld wordt bovendien heel goed gemanaged. Mag ook wel eens gezegd worden. Kijk maar eens mee.
Dit is de gemiddelde looptijd van de Nederlandse staatsschuld – de tijd die eroverheen gaat voordat staatsleningen aflopen en, tegen de dan geldende rente, moeten worden vervangen door nieuwe leningen.
De looptijd is twee jaar langer dan die van bijvoorbeeld Duitsland of de Verenigde Staten. Dat maakt Nederland relatief ongevoelig voor een rentestijging.
Dit is de rente op de financiële markten, die relevant is voor de staatsschuld. Die daalde langdurig, maar stijgt nu snel, en fors.
Hier is de rente die de staat zélf op zijn leningen betaalt. Ofschoon de rente op de markten stijgt, is de staat daar relatief ongevoelig voor en blijft hij voorlopig veel minder betalen.
In de afgelopen jaren is de gemiddelde looptijd van de Nederlandse staatsschuld door slim beleid gestegen naar tien jaar. Dat betekent dat het erg lang duurt voordat een hogere rente op de financiële markten volledig doorwerkt in de rente die de overheid betaalt. Dat is een nadeel als de rente daalt, maar nu die stijgt, zie je dat de overheid veel minder betaalt dan de marktrente – en dat zal voorlopig zo blijven. Duitsland en de VS hebben een gemiddelde looptijd van maar acht jaar.
En het wordt nog mooier.
Dit is de rente die de Nederlandse overheid betaalt op de staatsschuld, met aftrek van, overigens zeer bescheiden, rente-inkomsten.
Vergelijk dat eens met Italië: dat betaalt een hoger rentepercentage over een veel grotere staatsschuld. Het land komt dit jaar op zo’n 3,5 procent van het bbp.
Maar dat is typisch Italiaans, toch? Nou nee: kijk eens naar de Verenigde Staten. Die gaan Italië voorbij in renteafdracht en betalen al bijna 4 procent van het bbp aan rente. Dat is achtmaal zoveel als Nederland.
De relatief lage staatsschuld betekent ook dat Nederland een verhoudingsgewijs klein deel van zijn overheidsbudget kwijt is aan rentelasten. Dat is nu nog geen 0,5 procent van het bbp – een derde van het gemiddelde van de eurozone. Italië betaalt verhoudingsgewijs zevenmaal zoveel als Nederland, en de VS bijna achtmaal.
Om het allemaal in een nog breder perspectief te zetten, zijn hier de staatsschuldquote (staatsschuld als percentage van het bbp) sinds de Slag bij Waterloo én de renteafdrachten van de staat sinds 1880.
Dit is de staatsschuld, als percentage van het bbp, sinds de Napoleontische tijd. In 1838 bereikte hij ‘Japanse’ proporties, maar afgezien daarvan, en van een tweede piek na de oorlog, is hij vaak even laag geweest als nu. Voor de Tweede Wereldoorlog zijn geen data.
Dit is, sinds 1880, de hoeveelheid rente die de overheid kwijt is. Dit bedrag, als percentage van het bbp, piekte pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw, vooral door de hoge rentestand van toen. Historisch gezien is wat de overheid nu aan rente betaalt, buitengewoon bescheiden
Dat wil allemaal niet zeggen dat er met geld gestrooid mag worden. Het begrotingsbeleid heeft te maken met Europese regels én met het managen van de economie. Veel uitgeven kan de daling van de inflatie tegenwerken en de krapte in de economie, die er nog steeds is, verder in de hand werken.
Bovendien wachten op de korte én op de lange termijn de nodige problemen. Een flinke economische terugval, terwijl de inflatie te hoog blijft, blijft een risico. En voor de verdere toekomst zijn er de kosten van de vergrijzing en die van klimaatmaatregelen als de gevolgen van de opwarming van de aarde uit de hand lopen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) schatte die laatste kosten deze week op gemiddeld 45 tot 50 procent van het bbp.
Maar dáár weer tegenover staan de pensioenreserves, vrij uniek in de wereld, die goed zijn voor 150 procent van het bbp. Het land kan, kortom, wel een stootje hebben in de toekomst. En dat is, met alle onzekerheid en doemscenario’s, toch geruststellend om te weten. Van alle problemen is de Nederlandse staatsschuld een van de minste.
Maarten Schinkel schrijft in deze rubriek wekelijks over economie en financiële markten.
Meer afleveringen
Als het maar beweegt
NieuwsbriefNRC Voorkennis
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC